Op zaterdag 11 september werd in Blankenberge een scute te water gelaten. Deze platboomde tweemastschuit, die al door de Vikingen werd gebruikt, was na WOI volledig uit onze vloot verdwenen. Maar dankzij het doorzettingsvermogen van enkele dagdromers krijgt de scute een tweede leven.
...

Op zaterdag 11 september werd in Blankenberge een scute te water gelaten. Deze platboomde tweemastschuit, die al door de Vikingen werd gebruikt, was na WOI volledig uit onze vloot verdwenen. Maar dankzij het doorzettingsvermogen van enkele dagdromers krijgt de scute een tweede leven. Het begon allemaal met 't Kliekske van Herman Dewit en zijn volksmusici uit het Pajottenland. In 1992 traden zij op in Brest, waar een grote scheepsreünie werd gehouden. Tijdens de voorbereidingen kreeg Dewit van de redacteurs van Chasse-Marée, een Frans maritiem maandblad, te horen dat een streekgenoot van hem een onvolprezen scheepsbouwer was. Luc Casaer had zopas een roeizeilbootje in plakhout ontworpen, dat was bekroond omdat het zo eenvoudig is dat zelfs een leek het in enkele dagen en voor weinig geld in elkaar kan zetten. Herman Dewit wou zo'n bootje bouwen en kreeg algauw de hulp van de ontwerper zelf. Brest 92 bracht ook een tachtigtal replica's van traditionele schepen bijeen. Zo ontstond het project om nog eens eenscute te bouwen. Ten tijde van de Vikings was de scuta (etymologisch niet te verwarren met de schuit, die mogelijk herinnert aan het Litouwse woord voor snel) het kleinste schip, naast de drakkar en de snekke. De scute is een massief houten platbodem van ongeveer 13 meter lang en 5 meter breed. Bij laag tij laat hij zich - met opgetrokken roer en zijzwaarden - makkelijk stranden en bij vloed komt hij makkelijk weer vlot. De scute was dus volledig in onbruik geraakt en omdat de scheepsbouw van vader op zoon werd overgedragen, bestonden er ook geen plannen meer van. De groep rond Herman Dewit moest dus vertrekken van het schaalmodel in de hal van het stadhuis in Blankenberge. Via de uitvergroting op plan door Ward Heyneman en enkele aanwijzingen van Luc Casaer kreeg de scute haar ware grootte terug. Bij haar tewaterlating liet de Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme Renaat Landuyt (SP) duidelijk verstaan dat hij oog heeft voor ons maritiem erfgoed en dat hij, door het redden van daarmee verwante ambachten, nieuwe tewerkstelling hoopt te creëren: naar het voorbeeld van het Steenschuit-atelier aan de Rupel in Boom en de Batavia-werf in Lelystad (Nederland). Daar liep de reuzenreplica van de Batavia van stapel en wordt nu die van De 7 Provinciën gebouwd. Het Blankenbergs gemeenteraadslid Piet Wittevrongel (J-Dwars) verwijt de minister evenwel dat hij het scuteproject naar Zeebrugge wil overbrengen om het Sea Front-museum een sociaal-economische verankering te geven. Toerisme Vlaanderen toonde aanvankelijk weinig interesse. Daar werd pas op 30 juni beslist het scuteproject 1,4 miljoen frank te geven. Door deze principieel toegezegde steun kregen de scutebouwers op 7 september - vier dagen voor de tewaterlating - toch nog de allang beloofde subsidies (nog eens 1,4 miljoen frank) van de Europese Gemeenschap. Daar werd de bouw van de scute vorig jaar reeds als Belgisch project goedgekeurd in het kader van Pesca, het Europese programma voor de reconversie van de visserij: onder meer door originele maar cultuurgebonden toeristische activiteiten. En daar zal een dagje scute varen zeker toe behoren. EEUWEN HERLEVENBouwtechnisch herinnert de scute zowel aan de kogge van de Hanzesteden als aan het Portugese karveel, dat nota bene slechts 22 meter lang en 6 meter breed was. De olmen bodemplanken van de scute (13 meter lang en 5 meter breed) liggen tegen elkaar geperst, terwijl de huidplanken van de romp overnaads opgaan. De strijkbare masten zijn 13 en 7 meter hoog en van grenenhout. Het geheel weegt 30 ton en daarvoor werd drie keer zoveel hout tot balken en planken gezaagd. Op de achtersteven staat het "kotje", afgesloten met een deurtje zodat niet alleen het kompas maar ook de voorgeschreven voorraad tabak en jenever droog blijven. Zeker de Hasseltse jenever van Roland Wissels, speciaal voor descute met zeewierzout gestookt. De zijzwaarden hangen opnieuw in een grommer - dat armdikke ringtouw zonder begin of einde - en worden opgetrokken of neergelaten met touwen. Met deze replica herleven niet alleen talrijke maquettes of de vergulde scute die op een zijtoren van de Sint-Antoniuskerk in Blankenberge als windhaan wordt gebruikt. Luc Casaer zou geen archeoloog, historicus, scheepsbouwer en ervaren zeiler zijn, mocht hij er niet op wijzen dat de scute al wordt vermeld in de Stichtingsoorkonde van Nieuwpoort in 1163. Wegens zijn afmetingen moest een kogge 8 denieren betalen om in Nieuwpoort aan te leggen en een scute slechts 1 denier: " De nave que vocatur scuta, unum denarium. De cogga octo denarios." Brugge was toen reeds letterlijk en figuurlijk aan het verzanden. Bij het Zwin en in de omgeving van Sluis werden steeds meer gronden ingepolderd. Damme kwam op. Om al deze en louter politieke redenen liet Filips van de Elzas, graaf van Vlaanderen, in de monding van de Ijzer een novus portus (Nieuwpoort) bouwen waar goederen, zoals het Vlaams laken, graan, vis, zout en wijn snel verscheept konden worden. Om de Duitse Hanzeschepen veilig tussen de verraderlijke zandbanken te loodsen, waren bovendien betrouwbare bakens nodig. Zo liet Gwijde van Dampierre, de toenmalige graaf van Vlaanderen en vader van de gelijknamige Leeuw, in 1284 of kort nadien bij de monding van de IJzer een vierboete in gele baksteen optrekken. Dit werd meteen de oudste vuurtoren langs de Atlantische kust op het Europese vasteland. De alleroudste staat in East Hill, in de buurt van Dover, en dateert uit de Romeinse tijd. Vier staat voor vuur en boete stamt van het Franse bouter, wat zoveel betekent als aansteken of aanwakkeren (van het vuur). De Vierboete rustte op een zeshoek waarvan elke zijde bijna 4 meter lang was, verrees aanvankelijk 20 meter (later 30 meter) hoog boven de grond - 's nachts met brandend riet in de toren - en stond op één lijn met de landinwaarts gelegen duvetorre van de Tempeliers van Slype. De roerganger die deze denkbeeldige lijn volgde, voer middenin de vaargeul, Nieuwpoort binnen. Beide vuurtorens zijn trouwens zeer duidelijk te zien op een van de twee panelen van Lanceloot Blondeel (1496-1561), pronkstukken van het Stedelijk Museum van Nieuwpoort en van de Oostendse tentoonstelling omtrent de vestingbouw langs de Noordzee, die op 26 september de deuren sluit. Op dit zestiende-eeuwse schilderij varen ook - jawel - vierscuten de haven van Nieuwpoort binnen. Evenals de scute getuigt ook de Vierboete van ons maritiem verleden. Philippe Warzée besteedt in zijn zopas verschenen boek over " Les Phares de la Mer du Nord" (Bernard Gilson Editeur) zelfs een heel hoofdstuk en de foto op de omslag aan de vuurtorens van Nieuwpoort. Het boek prijst Luc Casaer en het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium van de Vlaamse Gemeenschap. Want tenslotte hebben zij in april 1996 de grondvesten van de Vierboete blootgelegd op de Kromme Hoek, de landtong in de monding van de IJzer. ERFGOED BEWARENToen eind vorige eeuw Nieuwpoort een nieuwe vuurtoren aan het strand kreeg, werd de Vierboete gerestaureerd en als monument beschermd. Toch hebben de Belgische Genietroepen de toren in 1914 gedynamiteerd. Ze wilden vermijden dat de Duitse artillerie de toren als oriëntatiepunt zou gebruiken. De brokstukken die toen achterbleven, werden in 1930 opgeruimd en gebruikt bij de aanleg van de dienstwegen op de Kromme Hoek. Daar is nu de jachtclub van Nieuwpoort gevestigd en tussen de clubhuisjes wist Luc Casaer (zelf lid van de jachtclub) de grondvesten van de Vierboete te lokaliseren. Wat aanvankelijk een vingeroefening voor archeologen leek, is nu in meerdere opzichten een politiek thema aan het worden. Het Instituut voor Archeologisch Patrimonium (IAP) van de Vlaamse Gemeenschap legde in 1996 een deel van de grondvesten van de Vierboete bloot, maar sindsdien is er niets meer gebeurd. Mede omdat de Koninklijke jachtclub van Nieuwpoort meer om zijn vastgoed geeft dan om het historisch patrimonium. Net zoals de gemeentelijke, provinciale, gewestelijke en federale overheden in dit land. Toch maakte Monument in Ontwikkeling (M in O), een Vlaams bureau voor projectontwikkeling in de monumentenzorg, begin 1998 reeds plannen om deruïnes van de Vierboete op te nemen in een lichte constructie van gelaagd glas en metaal. Van daar af zou de bezoeker zicht krijgen op het verleden en de toekomst van Nieuwpoort. Want achterin de haven plannen enkele promotoren nog steeds Flanders New-Port 2002, een nogal megalomane uitbreiding van de jachthaven. Terwijl op de oostelijke oever van de havengeul het Vlaams Natuurreservaat "De IJzermonding" verder vorm krijgt mede dankzij het grootschalige natuurherstelprogramma van de EU, het IntegralCoastal Conservation Initiative. Want ook daar is het hem evenals bij de bouw van de scute en bij de bescherming van de Vierboete om te doen: de kust behoeden voor nietsontziende bouwspeculanten en hun politieke stromannen. Frank De Moor