'Kunst uit de Kaap', tot 15.6.03, Bonnefantenmuseum, Avenue Céramique 250, Maastricht. Open van di. t/m. zo., van 11 tot 17 u.
...

'Kunst uit de Kaap', tot 15.6.03, Bonnefantenmuseum, Avenue Céramique 250, Maastricht. Open van di. t/m. zo., van 11 tot 17 u.Max Michaelis (1852-1932) droeg in Zuid-Afrika bij tot de uitbouw van het diamantimperium De Beers. Dan wilde hij ook tot de adelstand behoren. Hij kon op zijn wenken worden bediend, gaf men hem te kennen. Als hij er maar iets voor over had. Centen. In 1914 schonk de Duitse immigrant een ensemble zeventiende-eeuwse schilderijen van Nederlandse en Vlaamse meesters aan de Zuid-Afrikaanse staat. Maar pas toen hij ook nog een bibliotheek en een leerstoel geoffreerd had, mocht deze randlord (naar de lokale munt, de rand) zich ook officieel Sir noemen. Niet gehinderd door enige kennis van zaken noch door een passie voor kunst had hij zijn partij kunstwerken in één keer ingekocht bij Sir Hugh Lane, de Ierse dealer, verzamelaar en criticus, die in 1913 directeur werd van de Irish National Gallery in Dublin en in 1915 om het leven kwam op het stoomschip Lusitania toen dat door de Duitsers getorpedeerd werd. De apartheidsstaat had politieke motieven om in de kunstverzameling geïnteresseerd te zijn. Ze zag er een middel in om de roots van een belangrijk deel van haar natiestichters, de in de Boerenoorlogen overwonnen Afrikaners, te celebreren. Een verzoeningsgebaar vanwege de Engelstalige overwinnaars zo men wil. In het Kaaps-Hollandse stadhuis in Kaapstad werd een onderkomen gevonden voor de collectie. Rembrandt, Van Ruisdael, Hals en Van Dyck vormden de dikke kersen op de taart. Hun echtheid was bevestigd door de Duitse specialist Wilhelm von Bode. Dat was buiten Sir Claude Philips gerekend. In een artikel voor TheDaily Telegraph twijfelde de ex-conservator van de Wallace Collection aan de authenticiteit van diverse schilderijen uit de Michaeliscollectie: aan Van Dycks Portret van Graaf Johan Oxenstierna, maar vooral ook aan een Vrouwenportret met handschoen van Rembrandt. Bode verdedigde zijn expertise tegenover Michaelis, maar vertikte het om dat ook in het openbaar te doen. De twijfel was gezaaid. Daarop bood Lane de randlord aan om de betwiste Rembrandt terug te nemen in ruil voor tweeëntwintig andere schilderijen. Wat geschiedde. Het portret zou later worden toegeschreven aan Ferdinand Bol, een leerling van de meester. De drie andere 'Rembrandts' van Michaelis vielen een voor een eveneens door de mand. Van de Vrouw die gevogelte plukt wordt nu aangenomen dat het om een repliek van een verloren origineel gaat. Met zijn Van Dyck had de geadelde diamantair al evenmin geluk. De hand van de meester bleek in feite uit meerdere handen te bestaan, volgens de gangbare praktijk in de zeventiende-eeuwse schilderateliers. Bleef de collectie door de jaren vrij ongeschonden bewaard in het Kaaps-Hollandse stadhuis, geld om nog meer schilderijen aan te kopen, was er niet. Een zinvolle uitbreiding kwam er toch met de aankoop van 30 etsen van Rembrandt. Op een enkele uitzondering na, was geen enkel schilderij ooit buiten Zuid-Afrika te zien. Op de muren van het museum groeide mos, en de grondige restauratie van verschillende werken drong zich op. Bij de afschaffing van het apartheidsregime moest (ex-)directeur Hans Fransen met lede ogen toezien hoe zijn museum met de kunst van de apartheid geassocieerd werd. Op het Robbeneiland werd van de gevangenis van Nelson Mandela een museum gemaakt dat meer subsidies kreeg dan alle andere musea in Zuid-Afrika samen. Een internationaal steuntje in de rug was welkom. Toen kunsthistoricus Rik van Wegen, conservator oude schilderkunst bij het Bonnefantenmuseum in Maastricht, verzocht om het beste uit de collectie te mogen tentoonstellen, vroeg Fransen of daar een tegenprestatie voor kon worden geleverd. Zo gebeurde het dat de conditie van de vijftig door Van Wegen uitgekozen doeken in Maastricht werd onderzocht, en dat er een conserveringsplan voor werd opgesteld. Op de tentoonstelling is een restauratie-atelier geïnstalleerd waarin het publiek de verzorging van een Bloemstilleven door Willem van Aelst en het allegorische Soo voer gesongen, soo nae gedanst (ieder aapt slechts na wat hem wordt voorgedaan) van Jan Steen kan meemaken. Het gaat om een integrale restauratie, preciseert Van Wegen: 'Het afnemen van oude vernislagen en oude retouches die veel te ruim gezet zijn, over de originele verflaag heen. De schilderijen krijgen hun helderheid terug, en de details worden opnieuw zichtbaar.' Kunst uit de Kaap past in de tentoonstellingenreeks Collectie te gast, een traditie in het Bonnefantenmu- seum. Zich ervan bewust zelf een 'buitenplaats' te zijn in Nederland, kiest Maastricht voor het tonen van collecties die uit perifere gebieden komen en daarom goeddeels onbekend zijn. In 2001 was een keuze uit de keizerlijke collectie in Praag te zien, in 2005 worden verborgen schatten uit Transsylvanië verwacht, gekozen uit de Bruken- thal-collectie in het Roemeense Sibiu - een Duitstalige enclave. Het was een Zuid-Nederlands, vijfdelig paneelschilderij uit de zestiende eeuw dat de Nederlandse conservatoren voor het eerst in contact bracht met de Kaap. Maastricht is in het bezit van de Intocht in Jeruzalem, een onderdeel van een groot passieretabel uit de werkplaats van Pieter Coecke van Aelst. Toen men een presentatie wou maken van het gehele werk, waarvan de andere delen zich in Trier, Berlijn, Lissabon en Kaapstad bevinden, werd de eerste afspraak voor een culturele uitwisseling gelegd. Wat zit er nu juist in de Kaapse kuip? Om te voldoen aan het verlangen van de Zuid-Afrikaanse staat, moest Max Michaelis een overzicht van alle belangrijke groepen uit de zeventiende-eeuwse schilderkunst in Nederland, bijeenbrengen: portretten, landschappen, marines, kerkinterieurs, stillevens, historieschilderijen en genrestukken - tafereeltjes uit het gewone leven zeg maar. Opdracht vervuld, zo te zien. Vanuit historisch en educatief oogpunt is de thematische veelzijdigheid een pluspunt. En de kunstliefhebber trekt zich het gebleken gebrek aan topstukken niet aan omdat de werken hem nooit eerder onder ogen kwamen. Door de smaakvolle inrichting - harmonieuze groepen, wijd uit elkaar gehangen in kamers met oranjerode wanden - zien zelfs de kneusjes er niet te beroerd uit. De blikvangers zijn netjes over de verschillende kamers verdeeld. Een subtiel lumineus Kerkinterieur van Emanuel de Witte, een aanstekelijk Visstilleven van Abraham van Beyeren, verlokkelijk echte fruitstillevens van Jacob van Es en Isaac van Duynen, een in aanzet groots Panoramalandschap van Philips Koninck, en een sprekend kinderportret van Paulus Moreelse. Zij trekken de show. Van de grote meesters daarentegen is wat hier te zien is, niet het meest betoverende: een al te routineus opgezet Rivierlandschap van Jan van Goyen, een beetje saaie landschappen van Jacob van Ruisdael en Aelbert Cuyp. Voor het hoogtepunt van de tentoonstelling zorgt niettemin één der grootste portretschilders ooit. Het Portret van een vrouw door Frans Hals laat, door de vrije penseelvoering, maar één ding toe: de directe overdracht van de uitdrukking, nee het hele wezen, van de zitster in kwestie. Rik van Wegen spreekt gevat over 'De Nachtwacht van de Michaelis-collectie'. De Maastrichtse conservator heeft overigens nog een punt in petto. Toen Michaelis zijn aankoop deed, in het begin van de 20e eeuw, gold het realistische gehalte van de Noord-Nederlandse kunst uit de zeventiende eeuw als het summum. Dat was de canon. Maar de door de randlord aan de Zuid-Afrikaanse staat bezorgde verzameling beantwoordt daar niet helemaal aan. Er zitten idealiserende - ook wel 'italianiserende'- landschappen bij, en aristocratische portretten (we denken aan de pseudo Van Dyck), die volgens de heersende smaaknormen niet erg onorthodox waren. De verklaring? De collectie verraadt een typisch Britse smaak, die van Sir Hugh Lane in het bijzonder. De grootmoedige geste van Engelstalig Zuid-Afrika tegenover de natiegenoten van Nederlandse afkomst was niet helemaal vrij van eigendunk. Jan Braet