Op 11 september 2001 waren de helden voor een keer geen politici of generaals. Het waren gewone, kleine mensen. Brandweerlui en politiemannen. Er werd met veel kommer geïnformeerd naar het lot van glazenwassers en illegale plongeurs uit de achterkeukens van de restaurants op de bovenste verdiepingen van het World Trade Center. In de trapzalen haastten bankdirecteurs en klusjesmannen zich door elkaar naar beneden. Met de dood op de hielen doen sociale verschillen er ineens niet zoveel meer toe.
...

Op 11 september 2001 waren de helden voor een keer geen politici of generaals. Het waren gewone, kleine mensen. Brandweerlui en politiemannen. Er werd met veel kommer geïnformeerd naar het lot van glazenwassers en illegale plongeurs uit de achterkeukens van de restaurants op de bovenste verdiepingen van het World Trade Center. In de trapzalen haastten bankdirecteurs en klusjesmannen zich door elkaar naar beneden. Met de dood op de hielen doen sociale verschillen er ineens niet zoveel meer toe. Misschien dat ze op deze eerste verjaardag nog eens voor het voetlicht worden gehaald. Maar het puin van Ground Zero is geruimd. New York beraadt zich over wat er met de sinistere, lege vlakte moet gebeuren. Dat is een geladen beslissing, want de as van duizenden mensen is er in de grond gebrand. De grote politiek heeft sindsdien de hoofdrol weer opgeëist. De brandweerlui en de politiemannen zijn tussen de plooien van de geschiedenis gevallen. Ze delen in de scherven, maar blijven figuranten op het schouwtoneel dat wordt opgevoerd. Aan deze kant of aan gene kant. Een Amerikaanse jachtpiloot vuurt een raket af, en treft een Afghaanse familie die een trouwfeest viert. Hem treft geen schuld, zeggen zijn bazen. Hoe kan hij immers weten dat het onder Afghanen de gewoonte is om bij zo'n gelegenheid met hun geweren feestelijk in de lucht te schieten? Het gemak waarmee de leiders van democratische landen nu al maanden over een nieuwe oorlog met Irak praten, is verbazingwekkend. De operatie zal zonder twijfel mannen, vrouwen en kinderen het leven kosten die niet hebben gevraagd om onder de dictatuur van Saddam Hoessein te leven. In het tromgeroffel en wapengekletter van de voorbije dagen waren ze nauwelijks een achteloze gedachte waard. Oorlog is een wapen dat in allerlaatste instantie moet worden gebruikt. Is dat stadium in het geval van Irak bereikt? Precies om op dit soort van vragen te antwoorden, bestaan er internationale overlegorganen. Hiervoor zijn ooit de Verenigde Naties opgericht, met hun Veiligheidsraad en al zijn politieke en geografische evenwichten. Voormalig president Jimmy Carter is voorlopig de laatste in de rij van een stilaan indrukwekkende lijst vooraanstaande Amerikanen die zich zorgen maken over de weg die de regering in Washington is ingeslagen. Carter is ervan overtuigd dat de Amerikaanse politiek in handen is van een strenge, conservatieve elite, die in naam van de oorlog tegen het terrorisme de plannen uitvoert die ze al ruim twintig jaar koestert. Dat wil zeggen: van toen hij president was en in 1980 de duimen moest leggen voor Ronald Reagan. Irak wordt daar het slachtoffer van, het vredesproces in het Midden-Oosten is al begraven. Alle inspanningen die vorige Amerikaanse presidenten zich jarenlang hebben getroost, zijn ondertussen door de Jordaan gespoeld. Maar democraten zoals Carter zien vooral hoe de voorbije maanden burgerlijke vrijheden zijn beperkt, zonder dat daar veel protest tegen te horen was. Vooral het duistere karakter van de autoritaire maatregelen stuit ze daarbij tegen de borst. Mensen hebben geen recht op een proces of op juridische bijstand. Wat er met hen gebeurt, hangt af van lui die in het geheim opereren en alleen aan de uitvoerende macht rekenschap verschuldigd zijn. Verklikking wordt aangemoedigd. De politie heeft toegang tot informatie van werkgevers, ziekenhuizen, scholen en universiteiten. Enzovoort. 'Achter gesloten deuren, sterft de democratie', schreef The Economist vorige week. Het blad staat inzake Irak nochtans pal achter de harde politiek van George W. Bush en Tony Blair. Het is daarnaast ook de vrije gedachte genegen. Het ziet met lede ogen hoe uitgerekend de Verenigde Staten de strijd tegen het terrorisme hebben aangegrepen om te proberen de samenleving te stroomlijnen. De Amerikaanse regering ondergraaft met andere woorden het systeem dat ze zegt te willen verdedigen. Maar ook van Spanje tot China en van Rusland tot India maken politieke leiders van de gelegenheid gebruik om critici de mond te snoeren. Vooral dictators varen daar goed bij - en ze krijgen er nog applaus van de wereldgemeenschap bovenop. De schuld daarvoor ligt vanzelfsprekend bij al-Qaeda. De Amerikanen hebben er niet om gevraagd dat Manhattan zou worden aangevallen. Maar het terrorisme is niet door Osama bin Laden uitgevonden, het zal met hem ook niet verdwijnen. De kans is groot dat de oorlog tegen het terrorisme dus nooit wordt gewonnen, net zomin als de oorlog tegen de armoede. Met zijn afwezigheid op de wereldconferentie voor duurzame ontwikkeling in Johannesburg gaf George Bush aan dat hij daar niet zo mee begaan is. Toch is het zowel in het ene als in het andere geval een kwestie van naarstig voortdoen. Van hard labeur, geduldig werken en blij zijn met elk sprankeltje resultaat. Ondertussen raakt de oorlog tegen het terrorisme ons allemaal. We zijn minder veilig en minder vrij. Op 11 september 2002 worden we meer dan tevoren van alle kanten belaagd. Hubert van Humbeeck