Vrijdagochtend in Teheran, vroeg, en de moderne jeugd trekt de berg op. Ze gaan in groepjes, groter of kleiner, zelden alleen. Deze wandeling is een van de zeer zeldzame gelegenheden waarbij jongens en meisjes zonder veel zorgen en bezwaren in elkaars gezelschap kunnen toeven, babbelen, grappen maken, transistors verboden maar overigens gedulde muziek laten spelen, picknicken, hun Titanic- en andere amerikanofiele T-shirts luchten en zich anderszins aanstellen. In koppel gaan zou gewaagd zijn: lieden van het komiteh waren ook hier nog rond, maar groepen jongeren die niet provoceren, laten ze meestal met rust. Deze jongeren zijn dan ook braaf, en ze hebben geld. Ze zijn niet baldadig en ze maken geen lawaai, ze zijn goed opgevoed en ze tasten beleefd de grenzen van de reglementen af. Van de zogenaamd islamitische reglementen. De meisjes dragen hier vaak zeer elegante islamitische kledij (dat is doorgaans een hoofddoek en een gewaad tot ergens onder hun knieën, de echte tsjador, de zwarte tent, is zeldzaam op de berg), waar bleekblauwe jeans onderuit komen en modieuze schoenen, en hun "uniform" is vaak in Doebai gekocht, of elders in de verderfelijke emiraten. Hoe hoger ze de berg opgaan, uitstijgen boven de smog die de hoofdstad als een mistbank bedekt, hoe vrijer ze zich voelen in de zon, voor een ochtend, en kunnen ademen.
...

Vrijdagochtend in Teheran, vroeg, en de moderne jeugd trekt de berg op. Ze gaan in groepjes, groter of kleiner, zelden alleen. Deze wandeling is een van de zeer zeldzame gelegenheden waarbij jongens en meisjes zonder veel zorgen en bezwaren in elkaars gezelschap kunnen toeven, babbelen, grappen maken, transistors verboden maar overigens gedulde muziek laten spelen, picknicken, hun Titanic- en andere amerikanofiele T-shirts luchten en zich anderszins aanstellen. In koppel gaan zou gewaagd zijn: lieden van het komiteh waren ook hier nog rond, maar groepen jongeren die niet provoceren, laten ze meestal met rust. Deze jongeren zijn dan ook braaf, en ze hebben geld. Ze zijn niet baldadig en ze maken geen lawaai, ze zijn goed opgevoed en ze tasten beleefd de grenzen van de reglementen af. Van de zogenaamd islamitische reglementen. De meisjes dragen hier vaak zeer elegante islamitische kledij (dat is doorgaans een hoofddoek en een gewaad tot ergens onder hun knieën, de echte tsjador, de zwarte tent, is zeldzaam op de berg), waar bleekblauwe jeans onderuit komen en modieuze schoenen, en hun "uniform" is vaak in Doebai gekocht, of elders in de verderfelijke emiraten. Hoe hoger ze de berg opgaan, uitstijgen boven de smog die de hoofdstad als een mistbank bedekt, hoe vrijer ze zich voelen in de zon, voor een ochtend, en kunnen ademen. Het is eind oktober en Teheran wacht op regen. Hij is over tijd en zou nu alle dagen moeten vallen. Niet dat veel mensen daarmee bezig zijn - er heerst geen watergebrek in Teheran, de stad met de fonteinen en de snelle watergeulen langs de al te lange Val-i-Asr-laan. Maar de atmosfeer is uitgedroogd en het stof en de vervuiling liggen laag op laag te wachten op de regen die hen weg zal spoelen. En de mensen van Teheran ook, op regen of wat dan ook dat vriendelijker is dan ze gewoon zijn in deze lelijke, met auto's en volk volgestouwde stad waar het verkeer de helft van de tijd stilstaat en ademen zelf soms een probleem dreigt te worden. En dan hebben we het nog niet over politiek, alleen maar over een rustpunt, misschien, in een leven van economische crisis en religieuze betutteling.DE KNOKPLOEGEN VAN DE MACHTKijk, politiek: een sporthal in de stad en een verkiezingsbijeenkomst daarin. Qolam-Hoseyn Karbaschi, de burgemeester-in-moeilijkheden van Teheran (hij heeft een proces lopen en is voorlopig afgezet), zal de menigte toespreken, ze oproepen om te gaan stemmen, en te kiezen voor een van de zeldzame min of meer progressieve of "open" geesten die op de kandidatenlijsten overblijven. Goed volk wordt daar verwacht. Hervormers, verlichte geesten die de president, Mohammad Khatami, een hart onder de riem komen steken. Zo mevrouw Faezi Hashemi, parlementslid onder meer en directrice van het veelgelezen vrouwenblad Zjan, en dochter van ex-president en nog steeds invloedrijk hodjatoleslam Ali Akbar Rafsandjani. Maar Faezi blijkt niet te komen want wordt in Nederland gemeld. De zaal goed vol met welmenende, goedgemutste mensen, en Karbaschi houdt zijn toespraak - een brave toespraak, vol opbouwendheid en oproepen tot burgerzin: de radicale oppositie roept op om de verkiezingen te boycotten, Karbaschi niet, integendeel. Maar zijn speech afmaken, mag hij niet: beneden in de zaal is een ogenschijnlijk klein maar tactisch goed geplaatst groepje bebaarde lieden met plakkaten en borden een tegenmanifestatietje begonnen, dat binnen de kortste keren uitloopt op een vechtpartij. Paniek in de rangen, en een overhaast ontruimen van de zaal, waar de notabelen al uit geëvacueerd zijn - terwijl nota bene een dubbelganger van de burgemeester beneden voortgaat zijn aanhangers aan te sporen. Als de zaal zo goed als leeg is en de provocateurs verjaagd of op afstand, zal eindelijk ook de politie komen, die in een andere logica misschien de manifestatie had moeten beschermen. De politie trekt een cordon, deelt hier en daar een tik uit, verklaart het incident gesloten. Het lijkt er niet op dat ook maar een van de geweldenaars wordt opgepakt of anderszins lastiggevallen - maar dat schijnt ook niemand te verwachten. Politiek? De volgende dagen zal de Engelstalige pers in Teheran de rel niet vernoemen in haar verslag. Getuigen zullen zich opgetogen verklaren omdat de politie voor de eerste keer toch verschenen is bij een treffen met "pressiegroepen". Vice-burgemeester van Teheran, mevrouw AzamNuri, zal desgevraagd verklaren dat de "pressure groups" voor haar weliswaar niet goed zijn, aangezien ze de atmosfeer beïnvloeden, maar ze toch geen specifiek probleem vormen. 't Is maar wat je een specifiek probleem noemt. Misschien maken de Ansar Hezbollah - want zo luidt hun echte naam - al zo lang deel uit van het politieke landschap in de Islamitische Republiek Iran dat ze effectief bij de atmosfeer zijn gaan horen. Negentien jaar geleden al, toen de revolutie nog aarzelde welke kant ze zou uitgaan, doken de eerste knokploegen op bij de bestorming van gematigd linkse kranten - en die kranten gingen dan dicht. Nu maken ze de bijeenkomsten van de hervormingsgezinden moeilijk, altijd in naam van de conservatieve clerus, van de "Gids" Ali Khamenei en, uiteindelijk, van de onontkoombare vader van de revolutie, de ayatollah Ruhollah Khomeiny zelf. En altijd met intimidatie en geweld. Het is duidelijk dat ze optreden voor de uiterste rechterzijde van de macht en dat ze ontzien worden door de politie, en waarschijnlijk dat ze gestuurd worden - door wie, daar heb ik geen antwoord op gehoord. Het is een deel van de machthebbers dat knokploegen naar meetings van een ander deel stuurt, en iedereen lijkt dat al lang gewoon te vinden. Maar, zegt een getuige, "ze hebben Ataollah Mohadjarani afgetuigd, de minister van Cultuur; ze hebben de minister van Binnenlandse Zaken afgetuigd, een geestelijke: hoe hoog moet je gaan?" Tot zover over pluralisme. DE VERKIEZINGEN VAN 23 OKTOBERDie verkiezingen waren me ook wat. Vrijdag 23 oktober moesten die een Raad van experten doen verkiezen, experten die zelf de Gids kunnen kiezen of afzetten. Een hoogst hermetische en zeer verantwoordelijke functie, die de grondvesten van de macht raakt. Maar parlementsverkiezingen in 1996 hadden een minderheid van een vijftigtal min of meer linkse vertegenwoordigers doen verkiezen, en een zeventig aanhangers van de "pragmatische" Rafsandjani, en bij de presidentsverkiezingen die daarop volgden, in mei 1997, was puur bij verrassing de onwaarschijnlijke hervormingskandidaat Mohammed Khatami verkozen. De mollahs aan de macht hadden daarmee hun les geleerd, en gingen geen risico's meer nemen. Daarom werd de lijst van kandidaten voor de stembusgang door nog een ander officieel college bestudeerd, werden alle niet-geestelijken eruitgegooid, en meteen ook bijna alle hervormingsgezinden en aanhangers van wat intussen toch de "beweging" van president Khatami geworden was. Vandaar de oproep van de "radicale" oppositie om de verkiezing te boycotten, omdat ze niet ernstig waren, en dan ook een nooit gezien propagandaoffensief van de overheid om de mensen naar de verkiezing te lokken. Ze zijn dan ook wel gegaan, en aangezien ze dan verder geen keuze hadden, hebben ze een zeer conservatieve Raad van Experten gekozen. Daarmee hebben de conservatieve mollahs hun slag voorlopig thuisgehaald, en heeft de oppositie een nederlaag geleden. Maar het concrete belang daarvan is nog lang niet duidelijk. Dat zal de toekomst moeten uitwijzen. De Islamitische Republiek Iran is immers op een aantal tegenstrijdigheden gebouwd die nu, na de verkiezing van Khatami, stilaan aan de oppervlakte komen. In het begin was er de revolutie tegen de sjah, in de jaren 1978 en 1979. Dat was een revolutie waarin de sjiïetische clerus en een brede linkerzijde (rond de communistische partij Toudeh) in ogenschijnlijke eenheid samengingen. De clerus heeft de linksen intussen met huid en haar opgevreten, maar er zit nog steeds een stuk revolutionaire retoriek in de officiële uitleg - vaak tegen de VS en het westers imperialisme of zo. Toen de revolutie gelukt was - februari 1979 - en de religieuze aanvoerder ervan, ayatollah Khomeiny, uit zijn ballingschap weer in het land aangekomen, werd de islamitische republiek uitgeroepen en Khomeiny tot Imam - dat is de geestelijke leider, de Gids. Dat werd door alle revolutionaire en religieuze Iraniërs volblij aanvaard, Khomeiny wás immers de leider, en wie eraan twijfelde, een minderheid, deed er algauw het zwijgen toe. Daarna kwam de oorlog met Irak, en de kwestie werd minder dringend. DE WIL VAN DE GIDS EN VAN HET VOLKWat was er minder dringend? Dat de notie van imam of Rasdah; of geestelijk leider zoals Ruhollah Khomeiny die had ingevoerd, in de sjia-islam eigenlijk zo niet bestond, en dat dit alles naar de heresie op ging. Heresie in een religieuze dictatuur zijnde iets dat ernstig moet worden genomen. Want enerzijds kende desjiïetische islam wel een soort clericalehiërarchie - mollahs en wat dies meer zij en ayatollahs aan de top - maar geen eengemaakte gezagsstructuur zoals bijvoorbeeld de katholieke Kerk, met een paus aan de top. Het was het gebruik dat religieuze leiders - ayatollahs - in grote onafhankelijkheid en op eigen kracht, drijvend op hun eigen gevolg van leerlingen en volgelingen, op zichzelf bleven opereren. En anderzijds zouden de mollahs, ayatollahs of wat dan ook van deze zeer gezagsschuwe islamvariant zich nooit, maar dan nooit, met politieke zaken ingelaten hebben. Immers, het geloof wil dat sinds de moord op Ali, de laatste legitieme imam, en tot de terugkeer van de legendarische verdwenen imam, de twaalfde, alle regeringen onwettig zijn, en dat geestelijken zich daarmee dus niet kunnen bezighouden. Khomeiny, de roerige ayatollah van Qom, was een revolutionair en had voor zulke details weinig tijd. Hij bedacht de notie Velayat-e-Faqih. Dat principe wil dat de islamitische republiek geen politiek concept is maar een religieus, dat ze gecontroleerd wordt door een vergadering van islamgeleerden, en dat het laatste woord, politiek en religieus, bij haar hoogste religieuze leider ligt, de imam. Toen Khomeiny, nu Ali Khamenei. Nu had Khomeiny, Khamenei niet voorzien als zijn opvolger. Die had daar ook niet de graad voor in de religieuze rechtsgeleerdheid, was geen ayatollah maar hodjatoleslam. Khomeiny had ayatollah Mohammad Ali Montazeri als zijn opvolger aangeduid, maar toen die zich openlijk had uitgesproken tegen het voortzetten van het Gids-principe waarin godsdienst en politiek vermengd waren, werd hij door de harde mollah-kern opzijgeschoven. Sindsdien leeft Montazeri omzeggens in huisarrest, geïsoleerd, in Qom, en de hodjatoleslam Khamenei werd ayatollah benoemd en kort daarop tot hoogste leider en imam. Voor het publiek maakte dat, vanuit het cynisme van de machthebbers, allicht niet veel uit. Wat weet het publiek nu eenmaal van theologie en kerkelijk recht? Maar in de clerusrepubliek was uiteraard iedereen op de hoogte. En in Irak, waar rond de heiligdommen van Nadjaf en Kerbela de hoogste sjiïetische hiërarchen circuleren, wordt de ayatollah Khamenei niet serieus genomen, en meteen ook de hele Iraanse clerus niet meer. En dat maakt, voor de clerus, wél wat uit. En nu werd vorig jaar dus die andere hodjatoleslam, Mohammad Khatami, tot president verkozen tegen de officiële kandidaat in, met zeventig procent van de stemmen. Zelfs in Qom had hij meer dan vijftig procent. Deze Khatami, afkomstig uit een goede familie in een conservatief stadje, afstammeling van de Profeet Mohammed, een sympathieke kerel ondanks het feit dat hij nog minister van Cultuur geweest was in de harde periode van de revolutie, had meteen een populaire basis om op te steunen bij zijn beloofde hervormingspogingen. En die ondernam hij ook. Zo begon hij, in de religieuze dictatuur, aan politiek te doen, en trapte hij de tweede tegenstrijdigheid in gang. Dat was de tegenstelling tussen religieus gezag - dat van de Gids, rechtstreeks van God afkomstig, of zich daar toch op beroepend -, en een politiek mandaat, afkomstig van de wil van het volk, verkregen door heel veel stemmen in de verkiezing. Het zit erin dat de ayatollahs van Nadjaf de Iraanse staatsinstellingen niet gaan neerhalen, maar de tegenstelling tussen de wil van het volk en de wil van de Gids, als men ze laat doen, belooft die ingrijpend te veranderen. Dat is, in een notendop, waar het conflict om draait.ZE GAAN HUILEN OP HET KERKHOFVrijdag in Esfahan, het moslimequivalent van de christelijke zondag, en reken maar dat de dag des heren gerespecteerd wordt. Wat doen de mensen hier op vrijdagmiddag na het gebed, had ik gevraagd aan de man van het reisbureau. "Ze gaan naar het kerkhof en ze huilen", had die gegrijnsd. "Ze doen een picknick mee en ze gaan huilen op de grafstenen, praten met hun doden. Zeggen: jij eronder, wij erboven, maak je geen zorgen, het maakt niet uit, we hebben dezelfde kopzorgen." Esfahan is wellicht de mooiste stad in Iran, met haar fantastische blauw, groen en geel betegelde Imam Khomeiny-moskee en het uitgestrekte plein ervoor. Met haar rivier en de bruggen daarover waar de jeugd op vrijdagavond thee komt lurken en naar het water kijken. En met haar vele andere moskeeën en bezienswaardigheden - waar je normaal geen jonge Iraniër naartoe geschopt krijgt, "omdat heel die bazar en al die religieuze toestanden goed zijn voor oude mensen". (Maar het is op een weekdag voor de middag dat ik op het verlaten binnenplein van de Khomeiny-moskee kennismaak met Kamyar, de geestdriftige architectuurstudent die de motieven van de moskeeversiering bestudeert en bijna in trance geraakt door de wemeling van mystieke boodschappen die elkaar op muren en in koepels op bijna symmetrische wijze aflossen - evenwel niet helemaal: "Géén symmetrie hier, geen perfectie, alleen God is perfect." Hij schrijft er een boek over, dat in Duitsland moet verschijnen en hem rijk zal maken, in D-mark, en hem een visum voor Europa zal bezorgen. Dan kan hij naar Italië gaan voortstuderen. Na zijn legerdienst weliswaar, twee jaar lang, want zelfs zijn vader is niet rijk genoeg om die te kunnen afkopen. Huppelend beweegt hij door de moskee: dit is zijn huis, zijn studie, zijn vak. Hij ziet de triviale verwijzingen al zitten tussen de arabesken. Maar de gewone jonge mensen, die gaan dus langs de rivier wandelen, en in een park of bij zo'n brug rondhangen, paddelbootje huren of zo, naar de meisjes of naar de jongens kijken of omgekeerd: niet eens meer altijd van ver maar wèl, wat die meisjes betreft, altijd keurig onder tsjadors en tenten, ook op de pedalo. En ze lurken thee en ze roken de waterpijp, en ze vervelen zich steendood want er is absoluut niets te beleven in Esfahan op vrijdagmiddag. Alles wat er vroeger eventueel te beleven zou zijn geweest, of wat men later misschien kan verhopen, is nu eenmaal streng verboden. Dat kerkhof van Esfahan is zo groot dat je het niet kan missen. Zoals ook in Teheran, waar ernaast het nieuwe Schrijn voor de Imam Khomeiny opgebouwd wordt, is er het zeer uitgestrekte gewone kerkhof, met daarnaast het zogenoemde "martelarenkerkhof", waar de gesneuvelden van de oorlog tegen Irak begraven liggen. In Teheran was daar bij de ingang de zogenaamde bloedfontein - die spuwde allicht geen echt bloed, maar waarschijnlijk gewoon water dat langs onder rood beschenen werd: nu staat ze droog, plomp en roodbruin, nog steeds een tikkeltje sinister.DE SLEUTEL VAN HET PARADIJSDie oorlog tegen Irak duurde van 1980 tot augustus 1988. Hij wordt stelselmatig "de ons opgelegde oorlog" genoemd, maar soms ook "de oorlog", en hij heeft het land getekend, even erg als de revolutie zelf. Hij heeft ongetwijfeld de revolutie verdiept en nog ernstiger gemaakt dan ze al was. De revolutie was al in haar terreurfase in de zomer van '80, toen Saddam Hoessein zijn troepen het buurland liet binnenvallen met de zegen en aanmoedigingen van bijna heel de Arabische wereld en met de subsidies en bewapeningen van het Westen (Frankrijk, Engeland en België maar vooral natuurlijk de VS, die na een jaar of vijf oorlog de gewoonte aannamen - als grapje - te betreuren dat die oorlog niet door beide kanten verloren kon worden). Diezelfde Saddam Hoessein, ja, die we kennen uit de krant. En natuurlijk hébben beide kanten de oorlog verloren. Saddam had geld nodig toen het gedaan was, en viel Koeweit binnen, de rest is bekend. En Iran was niet meer in staat om zijn islamitische revolutie te exporteren, zoals het voorheen aangekondigd en geprobeerd had: in Iran was er iets gebroken in die acht jaar. Op het kerkhof kan je zien wát precies. De lange rijen soldatengraven zijn in Esfahan wat uniformer gehouden dan in Teheran, maar ook hier hebben ze kastjes met foto's en aandenkens van de gesneuvelde achter glas. Het grijpt je naar de keel, natuurlijk, de fotootjes en de dingetjes van de kinderen die de oorlog ingestuurd zijn als kanonnenvlees, en die daar op vrijdag door hun moe en hun zusters bezocht worden. Met thee en koek, en appels. Maar het ergste zijn de basiji-graven. Basiji zijn de vrijwilligers, die tot in de middelbare scholen toe geronseld werden en die, soms dertien, veertien jaar oud, met een groene hoofddoek en een plastieken sleutel van het paradijs de mijnenvelden en het vuur van de Iraki's ingestuurd werden. Het staat er zo niet bij, maar we weten het wel. Ze hebben hier allemaal een portret van de Imam Khomeiny over zich waken. De Gids die hen naar hier geleid heeft. Eens je de oorlog in het oog gekregen hebt, laat hij je niet meer los. Hij neemt een even groot stuk van de achtergrond voor zijn rekening als de fameuze revolutie zelf. Hij heeft de economie van het land verwoest, en hij heeft een generatie weggeveegd - of wat daar na de emigratiegolf van de revolutie en de doden van de terreur nog van overbleef. Mannen van een bepaalde leeftijd hinken vaak, en dat zijn dan niet de échte verminkten van de oorlog. De échte verminkten werden in principe opgevangen door de stichting voor de Martelaren. Dat is een enorme liefdadigheidstrust (laat ons het voorlopig maar zo noemen) die tot op het slagveld de brancardiers en lazaretten, en erachter de ziekenhuizen, revalidatiecentra en invaliditeitspensioenen organiseerde en nog steeds bestuurt. Het is niet moeilijk hier overlevende basiji's te ontmoeten. Iedereen kent er wel, of heeft er in zijn familie. Het moeilijke is ze iets zinnigs te doen zeggen. Mohammed Reza Mohammadi is een officiële basiji. Hij heeft zijn twee voeten verloren in een tankslag bij Khoramshar, zeventien jaar geleden. Hij is Iraans kampioen schieten op de windbuks (een olympische discipline), en loopt bijna normaal op zijn prothesen. Toen hij weer kon lopen, op zijn kunstvoeten, meldde hij zich opnieuw vrijwilliger voor het front. Want zo lang duurde de oorlog. En na de oorlog, de revolutie: "De revolutie is een bloem. De opkomst van basiji voor de revolutie is de geur van de bloem." En nu, nu maakt hij reclame voor de stichting van de martelaars, en voor de basiji. Want die bestaan nog. Alleen zijn dat intussen gelukkig een soort padvinders van de islamitische revolutie geworden. Meisjes en jongens (strikt gescheiden allicht), weliswaar omhangen met kalasjnikovs en ander moordgerief, maar die toch meer tijd in oriëntatie en in eerste hulp bij ongevallen steken dan in het ware krijgsbeleven. Ze vormen graag de ordedienst bij religieuze plechtigheden, en staan ze daar, dan weet de niet-moslim dat zeuren en aandringen niet zal helpen: deze jongelieden en hun leiders nemen hun taak ernstig op, en erdoorheen komen, zal hij niet. (Hun leiders: de basiji-groepen horen onder de structuren van de Revolutionaire Wacht of Pasdaran, het eliteleger van de religieuze machtsgroep, de harde kern van het regime.) SLIJTAGE OP DE REVOLUTIEWie dat dan is, die harde kern die de Pasdaran gebruikt en de knokploegen, en die van God zelf de macht gekregen heeft in dit land? De meningen zijn verdeeld. De Gids, Ali Khamenei, lijkt niet zo'n uitblinker te zijn. Wie dan zijn de lieden achter hem? Zelfs sommige beruchte beulen als de nare ayatollah Khalkhali bevinden zich momenteel in het "progressieve" kamp van Khatami. De fractiestrijd die overduidelijk woedt, gaat niet tussen afgelijnde kampen. De "grote ayatollahs" lijken er niet aan deel te nemen. De "kleine mollahs", zeggen sommigen, evenmin: die hebben te veel voeling met het volk. Intussen is het een strijd onder religieuzen, al wordt het volk er af en toe wel in gebruikt. In het "Bureau voor Cultureel Onderzoek" in Teheran werkt Dr. Mahmoud Abdullahzadeh. Het bureau wil een think tank zijn, geeft boeken uit over cultuur en filosofie, en een kwartaalschrift voor filosofie, Nameh Falsafeh, dat de "dialoog tussen beschavingen" promoveert. Veelzeggend programma in een land dat officieel in oorlog is tegen "de culturele invasie uit het Westen". Dr. Abdullahzadeh legt uit hoe er slijtage op de islamitische revolutie gekomen is, namelijk doordat het religieuze establishment, door de instellingen van de islamitische republiek, een hoop functies heeft overgenomen waar het vroeger niets mee te maken had. Kleine formaliteiten zoals de registratie van huwelijken en overlijdens, of het beheer van begraafplaatsen. En grote, zoals ministeries en de functies van de staat. "Voor de revolutie werden die dingen door de lekenregering waargenomen. De clerus had daar allemaal geen zaken mee. Nu heeft de geestelijkheid dat alles in handen, aangezien zij de regering en de administratie controleren, en ze noemen dat religieus. Maar onder het mom van godsdienst, bedrijven zij gewone lekenpolitiek. Zij hebben de macht, en geen ideologie meer, tenzij om die macht te behouden. Dat zie je in verschillende landen onder verschillende vormen, hier begint het blatant te worden. Wat het volk daarvan denkt, dat weten wij niet écht. We hebben geen betrouwbare peilingen, al wat je weet, is dat de mensen echt wel hopen op wat licht aan het eind van de tunnel. Ze zijn nu vaak minder religieus dan ten tijde van de revolutie." Mahmoud Abdullahzadeh wijst op de moderniseringen die via het waarnemen van de staat in de godsdienst zijn gekropen. Voorheen ongehoorde zaken als verkiezingen, grondwettelijk recht, natuurrecht, mensenrechten... De Imam Khomeiny, de revolutionair, die zelf de eerste verkiezingen organiseerde, en nu hebben ook vrouwen al stemrecht en recht op onderwijs... Dat alles heeft de evenwichten veranderd zodat de huidige islamitische republiek heel verschillend is van die van negentien jaar geleden. En vooral is de Iraanse bevolking heel anders dan toen: meer dan de helft van de bevolking was toen een baby in luiers, ofwel helemaal nog niet geboren. Zestig procent van de Iraniërs kent de revolutie alleen maar van horen zeggen - en is dat allicht al behoorlijk beu gehoord ook. Zeker nu de glorierijke revolutie moe geworden is, haar vroeger opruiende taal verworden tot doorzichtige slogans en retoriek, haar basiji een minderheid van mobiliseerbare brave kinderen, en zelfs haar leiding op zoek naar pragmatischer alternatieven, voor de economische crisis de macht onder hun voeten uitrukt als een goedkoop tapijt.MENSEN MET EEN DUBBEL LEVENHet is niet zozeer dat die jeugd nergens meer in zou geloven. Het is meer dat men dat niet weet. Het refrein dat alsmaar terugkomt: Iraniërs leiden een dubbel leven, dat lijkt altijd al zo te zijn geweest. Men hoort wel dat het met het sjiïsme samenhangt: een islam van vervolgden en overheersten, van lijdzaam verzet en veel martelaars. Hoe dan ook, Iraniërs zijn dubbel: thuis lopen de vrouwen in blue jeans rond, buiten in tsjadors. Thuis leeft men zijn eigen leven, buiten heeft men zijn publieke leven, en die twee hebben niet noodzakelijk veel met elkaar te maken. Dit is de jeugd met de paplepel ingegoten, meer bepaald tegenover de grote bemoeials van de revolutie en andere pasdaran, die menen zich te kunnen bezighouden met de kleding van je moeder, met wat je doet op vrijdag, met wat voor muziek je mag beluisteren. Liegen en ontveinzen is een belangrijk aspect van de Iraanse cultuur geworden, na negentien jaar religieuze dictatuur. En nu de jeugd, universitair gediplomeerd of niet, de economie over zich heen krijgt - en geen enkel uitzicht meer heeft op een baan, een toekomst, en niet eens aan trouwen kan denken bij gebrek aan geld voor een bruidschat of een onderkomen -, wordt dat, samen met de hoop die opgewekt is door de beloften van de nieuwe president, een vreemd euforisch en ontplofbaar mengsel. In een land dat volgeschilderd staat met xenofobe slogans en waar de VS - als symbool voor heel dat duivelse Westen - tot voor kort steevast als de grote Satan betiteld werd, spreken schoolmeisjes in tsjador de vreemdeling op straat aan om hun Engelse conversatie te oefenen: hun leraar heeft hen daartoe aangezet. En jonge studenten die een praatje maken, hebben het algauw over de economie, en hun dichtgemetselde toekomst - en nu reeds over hun desillusies met de niet gehouden beloften van Khatami. Later sprak ik met Dr. Musa Dibadj, de hoofdredacteur van Nameh Falsafeh, over wat leeft in de sjiïetische clerus. Hij wijst op de taaiheid van de status-quo. De veelbelovende president Khatami die niet in staat blijkt zijn hervormingen door te voeren. Die er niet eens in slaagt een serieuze regering te vormen. De oppositie die te verwaarlozen is, omdat ze klein, versplinterd en ongeorganiseerd is, en niet bekwaam om een coherent politiek, sociaal en economisch programma uit te werken - en die dus niet meespeelt. En in de diepte van het land de geestelijkheid in wier naam het rijk bestuurd wordt, en die diep ongelukkig is. "Misschien staan die geestelijken wel aan de kant van de intellectuelen", zegt Dr. Dibadj. "Maar dat weten we niet, en niemand gaat het hen vragen." De oppositie, buiten, merkt niet dat de meeste geestelijken er het zwijgen toe doen, en tegen de regering zijn. Zij vinden immers dat een religieuze regering een gevaar is voor de godsdienst. "De meesten denken nu al dat zij in deze revolutie alles verloren hebben." En de arme president Khatami, de gematigde in een land dat een radicaal nodig heeft, de sympathieke man in de revolutie van Khomeiny en Khamenei, de president die de jeugd achter zich heeft maar heel het machtsapparaat tégen - de president lijkt hoe langer hoe minder kanten uit te kunnen. Het volk verwacht van hem dat hij vrede sluit met de Amerikanen, maar in de moskeeën van het land roepen de mollahs op vrijdag "Weg met Amerika, Dood aan Israël!" En niemand ziet nog iets vooruitgaan. Een illusie? De censuur is afgeschaft (de regering heeft het lef te beweren dat ze nooit heeft bestaan). De mensen, privé, praten vrijuit; er schijnen minder verklikkers te zijn; de tsjadors worden korter en laten al schoenen zien. En aan de universiteit, maandag de tweede november, wordt een studentenbetoging georganiseerd tot steun van de president, van de campus naar de voormalige VS-ambassade, om de verjaardag van de bezetting van die ambassade te vieren. Vier- à vijfduizend man stappen de straten van Teheran door, compact, intelligent, en vreedzaam. Ze dragen voor dit land vergaande slogans met zich mee, vaak uitspraken van Khatami zelf: "Niets mag de dialoog en de verstandhouding tussen de Iraanse en de Amerikaanse naties in de weg staan!" Aan de oude ambassade worden ze opgewacht door de Ansar Hezbollah, en de oproerpolitie. Niets moet de dialoog en de verstandhouding in de weg staan.Sus van Elzen