?Het gaat niet om een strijd tussen mij en adjudant Van Mechelen. En het gaat niet om drugs.? Dat zegt gewezen onderzoeks- rechter van Antwerpen Walter De Smedt.
...

?Het gaat niet om een strijd tussen mij en adjudant Van Mechelen. En het gaat niet om drugs.? Dat zegt gewezen onderzoeks- rechter van Antwerpen Walter De Smedt.DE BESCHULDIGINGEN VAN het Nederlandse NRC Handelsblad van zaterdag 28 september waren anders niet mis te verstaan. De krant sprak van ?ernstige vermoedens? en ?aanwijzingen? van de Amsterdamse justitie, ja zelfs van ?de verdenking van de justitie in België? : Nederlandse hasjtrafikanten zouden jarenlang bescherming genoten hebben. Protectie van niet alleen de Antwerpse BOB-adjudant Willy Van Mechelen (die sinds 6 juli een derde keer is aangehouden) en van de Belgisch-Nederlandse liaison-officier, rijkswachtkolonel Herman Luyten ; maar ook van de toenmalige Antwerpse onderzoeksrechter Walter De Smedt. Die is momenteel lid van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten, het zogeheten Comité-P. Volgens NRC Handelsblad verklapte Martin Swennen, jarenlang Van Mechelens informant, de Antwerpse protecties aan enkele Rotterdamse speurders. Dat zou hij gedaan hebben kort voor hij op 14 maart 1996 in een Amsterdamse kroeg werd neergeschoten. Op maandag 30 september verschafte Walter De Smedt uitleg aan de parlementaire begeleidingscommissie van het Comité-P. Dat gebeurde achter gesloten deuren. Wel maakte hij bekend dat hij destijds als onderzoeksrechter veeleer zelf gehinderd werd. De tegenwoordig wel erg opgehitste politici en journalisten wilden echter koppen zien rollen. Tevergeefs. Waarom repliceerde De Smedt niet in NRC Handelsblad, toen die krant hem, daags voor de publicatie, om commentaar vroeg ? WALTER DE SMEDT : Ik vond de telefoon niet de aangewezen weg om te repliceren. Het ging hier niet alleen om aantijgingen tegen mij als toenmalig onderzoeksrechter in Antwerpen, maar ook als lid van het Comité-P. In dit verband ben ik in eerste instantie verantwoording verschuldigd aan de parlementaire begeleidingscommissie. Is er in het Comité-P ooit over de zaak-Van Mechelen gesproken ? DE SMEDT : Er is daarover een keer gediscussieerd. Dat was toen ik, naar aanleiding van de Commissie- Van Traa aangaande bepaalde opsporingsmethodes van de Nederlandse politie, voorstelde een toezichtsonderzoek uit te voeren op de werking van de Bijzondere Opsporingsbrigade (BOB) in Antwerpen. Zo konden we nagaan of Van Traa's vaststellingen ook voor ons land gelden. Ik stelde voor dat onderzoek zelf te doen. Daarover kon geredetwist worden omdat ik destijds als onderzoeksrechter over deze kwestie in de clinch lag met de rijkswacht. Het Comité-P heeft mijn voorstel toen afgewezen. Denk niet dat het om een strijd tussen Van Mechelen en mij gaat. In 1988 heb ik, als onderzoeksrechter, nagetrokken op welke wijze de rijkswacht bepaalde parallelle onderzoeken deed. En dat blijft de hamvraag, ook vandaag weer in de zaak- Dutroux. Ik stelde toen vast dat de Antwerpse BOB samen met het Centraal Bureau voor Opsporingen (CBO) van de rijkswacht in Brussel en een Duitse politiedienst een parallel onderzoek voerde. Om dat te verbergen, stelde de BOB van de rijkswacht op 10 mei 1988 een proces-verbaal op waarin de feiten helemaal werden verdraaid. Zo werd ik als onderzoeksrechter belogen in een zaak, waarin ik bovendien op 11 mei een aanhoudingsmandaat uitschreef. Op basis van dat leugenachtig proces-verbaal werden zelfs drie verdachten bij mij voorgeleid. In de Raadkamer heb ik dan de ware toedracht van de zaak uiteengezet, de drie werden vervolgens vrijgelaten. Het handelde niet om drugs. Het ging om valsheid in geschriften, maar dat doet er nu niet toe. Het betrof een structureel probleem : de rijkswacht wendde methoden aan die niet strookten met de wettelijke voorzieningen. Voorzover ik weet, was in die zaak noch met het parket noch met enig ander magistraat overleg gepleegd. De rijkswacht voerde dat onderzoek duidelijk op zijn eentje. Hoe kon het parket dan voor tegenkantingen zorgen, zoals u beweert ? DE SMEDT : Toen ik de eerste opstellers van dit leugenachtig proces-verbaal verhoorde, meende de toenmalige procureur des konings Roger Van Camp dat zoiets niet mocht, omdat ik niet gelast was met een onderzoek tegen de rijkswacht en ik dus mijn saisine te buiten ging. De procureur vroeg mij het dossier aan het parket over te maken. Een procureur heeft die bevoegdheid en dat betekent niet dat de onderzoeksrechter daarom ontlast is. Hij kan zelfs bijkomende opdrachten krijgen. DE SMEDT : Die bijkomende opdrachten zijn er ook gekomen. Toen ik het dossier overmaakte, zette ik in een proces-verbaal uiteen hoe het initiële proces-verbaal de waarheid verdraaid had. Vervolgens vorderde de procureur mij om de feiten na te trekken die ik in een proces-verbaal lastens de rijkswacht had vermeld. Ik spitte die feiten grondig uit. Toen ik echter de betrokken rijkswachter in verdenking wou stellen, werd mij door de nieuwe procureur des konings Werner Van Walle gevraagd het kalm aan te doen omdat het parket-generaal, intussen onder leiding van procureur-generaal Van Camp, het dossier aan het bestuderen was. Ik zette mijn onderzoek verder en toen ik uiteindelijk een van de verdachten (Willy Van Mechelen, nvdr.) in verdenking stelde, vroeg het parket mij het dossier over te maken voor eindvordering. Dat wil zeggen dat het parket geen verder onderzoek wenste. Stelde u toen Willy Van Mechelen in verdenking ? DE SMEDT : Daar wens ik publiek niet op te antwoorden. Bij het overmaken van mijn dossier, vermeldde ik duidelijk dat het onderzoek verder gezet moest worden. Het dossier is dan voor de Raadkamer gekomen. Daar vorderde het parket de buitenvervolginstelling. De voorzitter van de Raadkamer oordeelde echter dat verder onderzoek nodig was. Daarop tekende het parket, al dan niet in overleg met het parket-generaal, beroep aan tegen die beschikking. Dat was de eerste en de enige keer in mijn loopbaan dat beroep werd aangetekend tegen het verderzetten van een gerechtelijk onderzoek. Meestal is het net andersom. De Kamer van Inbeschuldigingstelling (KIB) velde echter, op vordering van het parket-generaal, een arrest van buitenvervolgingstelling. Ik heb uiteraard niet het minste probleem met de uitspraak van de drie raadsheren in de KIB. Wat er daarna gebeurde, stoorde me daarentegen wel. Niettegenstaande ik als magistraat voordien nooit problemen kende, werd ik ineens het doelwit van een reeks tuchtonderzoeken. Die leverden, bij mijn weten althans, nooit enige aanwijsbare fout op, maar werden vreemd genoeg nooit afgerond. Ik ervoer die tuchtonderzoeken dan ook als louter intimidatie. Precies daarom deed ik op 10 juli 1993, toen ik pas naar het Comité-P was overgestapt, aangifte bij de toenmalige procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, Jacques Velu. Mijn klacht was zeker niet gericht tegen personen, al werd dat altijd zo voorgesteld. Ik wou procureur-generaal Velu vooral attent maken op de werkwijze van de rijkswacht, die dan toch tegen een onderzoeksrechter had gelogen. Anderzijds wou ik Cassatie wijzen op de leemten in een tuchtprocedure en de spanningen die daaruit kunnen ontstaan tussen een onafhankelijk rechter en de tuchtoverheid, in dit geval de procureur-generaal, die volgens artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering nu eenmaal toezicht uitoefent op de onderzoeksrechter. Willy Van Mechelen verklaarde op 24 april 1996 in Knack dat de drugsleveringen gebeurden op vraag van de Nederlandse autoriteiten, maar in samenspraak met het hoofd van de BOB in Antwerpen en van een Antwerps parketmagistraat. DE SMEDT : Hier wordt naar een drugszaak verwezen, waarmee ik nooit iets van doen had. Bij de eerste berichten daarover vroeg ik mij wel af of in die zaak geen gebruik gemaakt werd van dezelfde technieken die ik in 1988 ontdekte. Toen ik vernam dat ene Martin Swennen, blijkbaar een informant in deze affaire, in Amsterdam was neergeschoten en er ook een bomaanslag tegen Nederlandse magistraten was verijdeld, stapte ik naar de Antwerpse onderzoeksrechter Jacques Mahieu. Mijn verhaal uit 1988 werd in een proces-verbaal opgenomen. Noch min, noch meer. F.D.M.