‘Jezus, waar heb ik dit aan verdiend!’ De Belgische regisseur Guy Joosten debuteerde net in een van ’s werelds meest prestigieuze operahuizen: de Metropolitan Opera (Met) van New York met ‘Roméo et Juliette’ van Gounod. Het huilen stond hem nader dan het lachen. ‘Het is een fascinerend beroep, maar “a rotten business”.’ Over de lange weg van de kathedraal van Hasselt tot de opera van New York.

Op 14 november 2005, omstreeks 11.30 uur, zien twee mensen in een New Yorks appartement met prachtig zicht over de stad, iets verschrikkelijks met Guy Joosten gebeuren. Hij heeft de hoorn van de telefoon in zijn hand. Zijn vader die uit Hasselt en zijn vrouw die uit Brussel overgevlogen is, kijken naar de doffe stilte waarmee de wereld van Joosten instort. Iedereen in het appartement denkt hetzelfde:

‘Oh, nee. Niet weer. In godsnaam! Niet weer!’

Maar het is weer van dat.

Ze herinneren zich wat op 7 maart 2005 in Amsterdam gebeurde. In de kranten werd het ‘wellicht de grootste ramp uit de geschiedenis van de Nederlandse opera’ genoemd. Op de première van Norma, een opera van Bellini die Guy Joosten regisseerde, kon in het midden van de voorstelling de sopraan Nelly Miricioiu niet meer verder zingen door een keelontsteking. Een andere sopraan, die tijdens de generale repetitie al had moeten inspringen wegens een plotse allergieaanval van Miricioiu, was gelukkig nog in het operagebouw en nam haar rol over.

Nu is het dus weer van dat.

Er resten nog acht uur en dertig minuten voor de première van de opera Roméo et Juliette, waaraan Joosten en zijn team drie jaar lang gezwoegd hebben.

‘Je ne peux pas’, hoort Joosten aan de andere kant van de lijn. ‘Je ne peux pas’, zegt zijn Juliette nog eens. De sopraan Nathalie Dessay, die Joosten ‘Gefundenes Fressen voor iedere regisseur’ noemt, kan niet zingen.

Hij had een voorgevoel gehad. Het gerucht circuleerde al een aantal dagen dat Dessay zich niet goed voelde. Vermoeidheid. Stress. Angst. Hij belde eerst naar de dirigent die de dag voordien nog met haar gesproken had. ‘Guy, ze gaat niet zingen’, zei de dirigent.

En Joosten zei: ‘Ze gaat wél zingen!’

Maar ze zong niet. Ze zei alleen maar: ‘Je ne peux pas.’

En het eerste wat Guy Joosten denkt op dat moment is: ‘Zo, dát is het dan.’ En hij heeft het gevoel dat alles in mekaar stuikt. Maar dan pakt hij zijn al ingepakte partituren weer uit, belt de reservesopraan op en trekt naar het operagebouw. ‘Godzijdank hadden we een paar keer met haar gerepeteerd.’ Hij roept zijn assistenten samen met de eenvoudige boodschap: ‘Er is werk aan de winkel.’ Hij denkt aan de gulden regels van een voetbaltrainer: ‘Een voetballer die niet meer wil of kan voetballen, moet je niet op het veld zetten.’ En hij denkt aan de harde wetten van het operamilieu: ‘Als je je in dit milieu en zeker op deze plek niet honderd procent in orde voelt, moet je niet zingen. Je brengt er alleen maar jezelf schade mee toe.’

Vele mensen hadden beweerd dat Dessay na twee ingrepen aan haar stembanden en een jaar op non-actief nooit meer zou zingen. Joosten en Miricioiu hebben zich drie jaar lang op dit project voorbereid. ‘Dan is het spijtig om de resultaten ervan niet te kunnen tonen. Maar het is een deel van het spel.’

Wanneer ’s avonds op de première het grote publiek een plaats zoekt in de goedgevulde zaal met 4500 plaatsen van de Metropolitan opera, is het uitblijven van Dessay hét gespreksonderwerp. Bij de trappen staat een bordje: ‘Nathalie Dessay wordt vanavond wegens ziekte vervangen door Maureen O’Flynn.’

Voor het eerst in zijn leven woont Guy Joosten een première van een eigen opera bij. In plaats van naar oude gewoonte de reacties van het publiek af te wachten in een nabijgelegen restaurant, gaat hij nu achter de coulissen staan om de vervangster O’Flynn te begeleiden. ‘Als een coach op de bank.’ Na iedere scène een paar tips om de volgende scène door te geraken.’

***

Wat het publiek op de scène ziet, is de ontplooiing van een fataal verhaal van twee star-crossed lovers gevangen tussen sterren, maan en zon. In de tang genomen door tijd die vliegt en afgemeten is, een voor jonge liefdes vijandige wereld. Een decor met verwijzingen naar de astronomie en de Renaissance. De kostuums zijn soms dan weer bijna eenvoudig alledaags. Dit is geen voorstelling die op plat spektakel gericht is, maar van een rustige abstractie getuigt. Van humor en relativering ook: bij de balkonscène zwaaien de wachters hun fakkels als uitvergrote aanstekers van links naar rechts.

‘Oooooooooh’, klinkt het vanuit de zaal na de pauze. Roméo en Juliette liggen in een wiegend bed dat zweeft tussen aarde en sterrenhemel.

Na afloop is het publiek enthousiast en verrast. ‘Het is een voorstelling waarbij je moet nadenken’, zegt Terence White, een 65-jarige trouwe operabezoeker. ‘De ouderen onder ons hebben het er misschien wat moeilijker mee, maar ik heb ervan genoten.’

‘Guy Joosten en zijn team hebben fantastisch werk geleverd’, zegt Joseph Volpe, de directeur van de Metropolitan Opera na afloop op het galadiner. Hij bejubelt dat ‘onze eerste Roméo and Juliette na 38 jaar een nieuwe, 21e-eeuwse weg heeft gevolgd’.

‘Meer van dit soort opera’s’, zegt Christine Hunter, de voorzitter van de raad van bestuur. ‘Het zal ons publiek verjongen. We moeten deze weg op.’

De volgende dag is Guy Joosten een gelukkige man. Hij relativeert de dag van gisteren. ‘In dit vak neemt iedereen zich altijd zo serieus. Zo’n dag als gisteren, roept: “Hallo, het is maar dat hé, jongens”.’

***

Hebt u zich aan het Amerikaanse publiek aangepast?

GUY JOOSTEN: Aangepast is niet het juiste woord. Maar hier in Amerika heb je een publiek dat slaaf is van de beeldcultuur. What you see is what you get. Of: the way it looks is what you get. Daarom was het belangrijk om erg visueel te werken. We hebben meer dan anders gezocht naar beelden. Maar men heeft mij ook gezegd dat het niet de bedoeling was om mijn voorgangers als Zeffirelli na te bootsen. Ik heb niet altijd concrete beelden nodig. Hoe gaat dat. In het libretto staat: De kamer van Juliette. De geliefden hebben een nacht samen doorgebracht. Dan komt mijn decorontwerper uit Duitsland en staat er een metalen bed in zo’n decormodel. Ik heb dat metalen bed uit het model genomen. Ik heb een luciferdoosje gezocht, er een witte papieren zakdoek over gelegd en dat omhooggehouden. Ik heb gevraagd: En wat als dat bed nu vliegt? Het is het moment dat die twee voor het eerst met elkaar geslapen hebben, die intimiteit, dat omhoog komen, dat zich onttrekken uit de realiteit…

Had u de indruk dat er bij deze opera een grote druk op u werd uitgeoefend?

JOOSTEN: Zeker niet. Het is in de repetitieruimtes dat alles moet gebeuren. Of dat nu in Luik is of in New York. Ik volg mijn enige doel en dat is een zo goed mogelijke productie maken. Om dat doel te bereiken, streef ik de optimale omstandigheden na. Ik werk met een grote discipline en eis dat ook van mijn medewerkers. Ik wil me niet achteraf moeten verdedigen met de woorden ‘ja maar’. Er zijn geen maars in dit vak. Als ik in een operahuis binnenkom, ga ik als een chirurg te werk. Ik analyseer alles wat ik zie. Ik zoek de knopen, en de remedies om die knopen te ontwarren of om ze buiten de repetitieruimte te houden. Ik maak een schets van de situatie. Dat was hier ook nodig. Er vinden hier zoals in ieder groot operahuis tussentijdse evaluaties plaats. Het is bekend dat in de Met meer regisseurs op straat staan voor de première, dan erna.

Wanneer is dit operahuis iets beginnen betekenen voor u?

JOOSTEN: Vanaf de eerste keer dat ze me belden, ergens in 2002. Al jaren was de running gag als tijdens het werk de telefoon ging. ‘Alleen opnemen als het de Met is’. Zoiets als zeggen: ‘Alleen de telefoon opnemen voor de koning.’ We waren met ons team aan het werk in Brussel. De telefoon ging. Ik nam niet op. ’s Avonds zaten we bij de Spanjaard in de Hoogstraat iets te eten. Ik luisterde bij een bord tapa’s naar mijn voicemail. Ik hoorde: ‘It’s the Metropolitan. Can you call us back?’ Nu, als de Met belt, is het zeker niet om te vragen hoe het met je is. Ik belde terug. Ze zeiden dat ze me wilden uitnodigen om de productie Roméo et Juliette van Gounod te maken. Het was geen opera die op mijn verlanglijstje stond of die ik echt paraat in mijn hoofd had. Maar ik heb gedacht: ‘Wauw!’ De volgende dag hebben we met ons team zitten dagdromen hoe de Met zou kunnen zijn. Vanaf het begin was het duidelijk dat ik dit project intensief moest voorbereiden. Hier is alles gebonden aan een strikte planning die ver van tevoren is opgesteld. Men werkt hier in een repertoiresysteem. Het is een investering die misschien wel 10 of 30 jaar moet renderen. We weten nu al wie er in 2007 de rollen zal vertolken. Het kost allemaal vreselijk veel geld omdat het op zo’n grote schaal wordt gepresenteerd. We hebben met alle factoren rekening proberen te houden. Maar we hebben geen invloed op de menselijke stem en psyche.

Wanneer zag u dit operahuis voor het eerst?

JOOSTEN: Ik was zeventien en deed mee met de theatergroep van de school in Hasselt. We speelden Acht stomme weken, moeder en wonnen daarmee de Victor de Ruyterprijs. De eerste prijs was een reis naar New York. We logeerden in het Empirehotel. Mijn kamer had zicht op de Metropolitan Opera. Ik wist toen niet wat dat betekende. Het interesseerde ons niet. Wij gingen toen veel liever op zoek naar oude platen van de Beatles. Maar ik vond het wel fantastisch om in een stad rond te lopen die ik thuis alleen in de cinema kon zien. Toen besloot ik acteur te worden. Thuis zeiden ze: ‘Zorg maar eerst voor een broodwinning.’ Ik heb een jaar lang logopedie gestudeerd. En dan in het geheim ingangsexamen gedaan bij het conservatorium bij Dora van der Groen. Ik werd toegelaten. Ze konden me thuis niet meer tegenhouden. Om mijn studies te betalen, tapte ik in Hasselt tijdens de weekends in zeker drie cafés van Steve Stevaert.

U was amper dertig toen u een eerste operaregie deed. Was muziek van jongs af een grote passie: Guy, het wonderkind dat graag Mozart achterna wilde?

JOOSTEN: Nee. Ik heb veel te danken aan onze muzikale postbode: Staafke de facteur.

Ik ben opgegroeid bij mijn grootouders toen mijn moeder in Hasselt een zaak begon van de Fort-bonnetjes, Het was de eerste showroom in Limburg en de druk op mijn moeder was erg groot. Ik werd ondergebracht bij mijn grootouders die een kruidenierszaak hadden. Daar werd ’s morgens vroeg de postzak geleverd. Staaf de facteur kwam iedere ochtend naar de kruidenierszaak, sorteerde er de post, dronk er zijn koffie aan het begin van zijn ronde en een tas soep aan het einde van de ronde.

En altijd speelde hij met zijn handen en vingers ritmische melodieën op de toonbank, waardoor de weegschaal en alles wat erop stond lawaai begonnen te maken. Het was muziek. Ze zetten me als kleine jongen op de toonbank om op die muziek te dansen. Ik lees operapartituren nog altijd meer op ritmiek dan op noten.

Wat was de eerste rol die u speelde?

JOOSTEN: Misdienaar. En hoe! Ik was fanatiek! Misschien is alles wel begonnen toen ik reservemisdienaar was in de middernachtsmis. Ik was acht, de jongste misdienaar en heel klein. Ik mocht eerst niet meedoen. Tot onverwachts de hemel voor mij openging. De hoofdmisdienaar, die al een puber was, had thuis aan de kersttafel te veel getafeld. Dat, in combinatie met de wierook, werd hem fataal. Hij werd onpasselijk en moest afgaan. Toen mocht ik op. Ik dacht dat die hele mis alleen nog maar om mij draaide. We waren met dertien misdienaars. Twee schuine rijen van zes en eentje in het midden. Ik, de reserve, mocht opeens in het midden staan. Ik mocht de staf vasthouden. Ik voelde mij een prima donna in die kathedraal van Hasselt.

Later ging ik als een fanaticus de mis dienen. Ik stuurde mijn ouders naar de kerk omdat ik vond dat ze moesten komen kijken. Ik wist perfect wie er in de kerk zat en wie te laat binnenkwam. Ik was toen al volop bezig met het effect van het spelen. Tot ik naar de middelbare school ging en aan mijn ouders vroeg of ik bij de franciscanen op internaat mocht. Ik wilde priester worden.

Waarom wilde u priester worden?

JOOSTEN: Het gevolg van mijn misdienaarschap. Ik was bezeten door de liturgie en de hele symboliek errond. Ik bezat een grenzeloos, naïef geloof. Het fascineerde mij ook dat zoiets in een volle kerk gedeeld kon worden door zovele mensen samen. Het probleem van eucharistievieringen nu, is dat er nog maar zo weinig mensen zitten. Je kunt het vergelijken met het theater. Hier, in de Metropolitan Opera met 4500 plaatsen, moeten spelen voor een halve zaal moet verschrikkelijk zijn.

Was u daar bang voor?

JOOSTEN: Nee. Je weet dat Roméo et Juliette wel volk trekt zolang je daar geen catastrofe van maakt. En ik heb toch al zoveel zelfkennis opgedaan dat ik er geen catastrofe van zou maken.

Maar ik heb lege zalen gekend. Ik herinner me de opvoering van Totale sprakeloosheid, een bewerking van Peter Handke die Luk Perceval en ik in onze beginperiode gemaakt hebben voor de Monty in Antwerpen. Het was er koud, het was een vreselijk geklungel. Het publiek – vooral familie en vrienden – zat samen in salons op het eerste balkon. Tijdens de voorstelling stonden mensen gewoon op om naar buiten te gaan. Toen het stuk afgelopen was, klapte niemand nog in zijn handen.

U hebt heel lang nauw samengewerkt met een van uw leraars op het conservatorium, Luk Perceval. Jullie stichtten samen Blauwe Maandag Compagnie, een niet onbelangrijk moment in de Vlaamse theatergeschiedenis.

JOOSTEN: Het was een heel turbulente periode, op elk gebied. Daar heb ik het metier geleerd. Het is een ideale leerschool gebleken. We hebben ongelooflijk veel problemen gehad: met subsidiënten, met overheden, met elkaar. Ik heb nu geen contact meer met Luk. Ik beschouw hem als een ex.

‘Ik stap het hier af’, zei u in 2004. U was de bedeltochten langs kabinetten beu en koos voor een zwerversbestaan in operaland. ‘Ik ontvlucht een land waar politici nog het liefst in het midden van het bed liggen.’

JOOSTEN: Luc Van den Bossche, die zowat alle portefeuilles in het oog hield, heeft me ooit gezegd: ‘Het is heel makkelijk. Ik nodig vandaag de directeur van de KVS, die van de KNS en die van het NTG uit en binnen de kortste keren zit het er bovenarms op. Zo wordt het heel makkelijk voor mij om ze allemaal een beetje te geven.’ Het is exemplarisch. Op die manier werd het cultuurbeleid gevoerd. Het heeft onze cultuurministers altijd ontbroken aan een duidelijke visie. Volgens mij gaat het er bij het verdelen van ministerposten zo toe: op het ogenblik dat de ministers bij de ministerpost van Cultuur komen, duiken ze allemaal onder tafel. Dan volgt er noodgedwongen een spelletje. Ze gooien de portefeuille in de hoogte, en diegene bij wie hij in de buurt landt, wordt opgezadeld met cultuur. Ik heb nog nooit een Vlaamse cultuurminister meegemaakt die opstond en zei: ‘Dit wil ik nu graag doen. Daar ga ik een erezaak van maken.’ Met uitzondering van Patrick Dewael. Hij is degene geweest die de Blauwe Maandag Compagnie ondersteund heeft en de Vlaamse opera hervormde waardoor ze van een onbeduidend provinciehuis kon uitgroeien tot een goed draaiend huis op de Europese markt.

Is Anciaux een goede cultuurminister?

JOOSTEN: Ik houd niet van de emopolitiek, ik houd niet van de je-jij-jou-Bert-atmosfeer. Anciaux moet dit rolletje spelen omdat hij geen andere rol kan spelen. Ik weet dat hij veel slimmer is dan hij doet uitschijnen. Anciaux is een soort Eddy Wally van de politiek. Van Eddy Wally denkt ook iedereen dat hij is zoals hij zich voordoet. Maar hij is natuurlijk veel leper dan wij denken.

Maar in zijn beleid worden zeer goede opties genomen en duidelijke uitspraken gedaan. Al communiceert Anciaux te veel. Het ligt zeker in zijn rol van man met grote aaibaarheidsfactor. Ik denk nu bijvoorbeeld aan het dossier van de Vlaamse opera.

De Vlaamse opera zou een tekort van 1,5 miljoen euro hebben. Er worden rampscenario’s uitgetekend: minder voorstellingen, inboeten op kwaliteit of kiezen tussen Gent en Antwerpen. Anciaux vindt de subsidie van 14 miljoen euro genoeg en wil niet in de bres springen. De zakelijke samenwerking met de orkesten wordt onderzocht…

JOOSTEN: Het is echt nodig om over dat dossier te debatteren. Als je als beleidsman de cijfers te zien krijgt en kunt vaststellen wat er met dat overheidsgeld gepresteerd wordt, moet je toch oproepen tot een herschikking van de middelen of van de arbeid. De dingen zijn niet meer in balans.

Als men formuleert dat een voltijdse musicus vaak maar een prestatie levert van zestig procent, heb je een probleem. Maar als uitgangspunt van je cultuurbeleid studiebureaus inroepen die het metier niet kennen en die foute analyses maken, is dan weer gevaarlijk.

Stuurt Vlaanderen zijn zonen best uit?

JOOSTEN: Bij mij is dat persoonlijk gevoed. Ik ben veel te onrustig om onder de kerktoren op te groeien en er dan ook nog eens mijn carrière te maken. Ik ben bang dat mij dingen ontgaan. Ik heb nooit begrepen hoe veel van mijn collega’s het zo lang kunnen uitzingen op die kleine plek. Ik vind Vlaanderen fantastisch om te wonen, om er te zijn en occasioneel ook om er te werken. Maar ik kan me niet voorstellen dat ik de carrière zou hebben die ik nu heb als ik daar gebleven was. Ik woon altijd een tijd in het land waar ik werk, en leer het van binnenuit kennen met de plaatselijke inwoners met wie ik werk. Dat heeft mij als mens meer verrijkt dan als kunstenaar, maar in mij profiteert die ene natuurlijk van de andere.

U bent echt aan het zwerven. U gaat nu zelfs in Bern een operette regisseren en dan nog wel ‘de lustige weduwe’?

JOOSTEN:Die lustige Witwe is veel minder lustig dan op het eerste gezicht schijnt.

Operette is een onderschatte discipline. Het genre is lang blijven steken in een beeld van de Weense toeristenflair. Terwijl het historisch vaak bittere stukken waren. Het stuk zegt veel over het ambassadepersoneel. Daarom doe ik het ook heel bewust in Bern, een ambassadestad bij uitstek. Ik doe het ook daar omdat ik er kan samenwerken met Stijn Celis, een zeer interessante Vlaamse choreograaf die niemand hier kent. Hij is er chef van het ballet en heeft er zijn eigen groep moderne dansers die zullen meespelen in de voorstelling. Bovendien is het dan winter en ik moet dringend weer gaan skiën…

Door Anna Luyten

‘Met de ministerpost van Cultuur doen de politici noodgedwongen een spelletje. Ze gooien de portefeuille in de hoogte, en diegene bij wie hij in de buurt landt, wordt opgezadeld met cultuur.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content