Wie op die vragen vlug een antwoord denkt te kunnen vinden, komt bedrogen uit. 'Het is een heel gepuzzel', zegt professor overheidsfinanciën Herman Matthijs (UGent en VUB), die net een en ander heeft becijferd voor de nieuwe druk van zijn boek Overheidsbegrotingen (uitgeverij Die Keure). 'De Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat beslissen onafhankelijk over hun begroting, zo stelt de grondwet. Dus zonder enige inmenging van de regering of het Rekenhof. Anders zouden die de verkozenen des volks op droog zaad kunnen zetten en zo de goede werking van het parlement kunnen belemmeren, zo luidt de motivatie.'
...

Wie op die vragen vlug een antwoord denkt te kunnen vinden, komt bedrogen uit. 'Het is een heel gepuzzel', zegt professor overheidsfinanciën Herman Matthijs (UGent en VUB), die net een en ander heeft becijferd voor de nieuwe druk van zijn boek Overheidsbegrotingen (uitgeverij Die Keure). 'De Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat beslissen onafhankelijk over hun begroting, zo stelt de grondwet. Dus zonder enige inmenging van de regering of het Rekenhof. Anders zouden die de verkozenen des volks op droog zaad kunnen zetten en zo de goede werking van het parlement kunnen belemmeren, zo luidt de motivatie.' Niet dat dit altijd zonder slag of stoot verloopt. Bij de begrotingsopmaak van 2004 kwam het zelfs tot een rel. Matthijs: 'De Kamer vroeg toen aan de regering een dotatie van 98 miljoen euro, maar de regering reserveerde in de begroting slechts 96 miljoen. Daarop ontspon zich een briefwisseling tussen premier Guy Verhofstadt en Kamervoorzitter Herman De Croo, beiden van Open VLD. De premier blies toen de aftocht en betreurde uiteindelijk dat er 'een misverstand' gerezen was.' Toch ziet Matthijs dat de regering (de uitvoerende macht) de laatste jaren steeds nadrukkelijker aan het parlement (de wetgevende macht) duidelijk maakt over hoeveel geld het zal kunnen beschikken. En het parlement mort daar steeds minder over. 'Het is een illustratie van de suprematie van de regering over de verkozenen des volks', aldus Matthijs. Senaat en Kamer bepalen dus zelf hun begroting en ze doen dat elk op hun eigen manier. Nemen we eerst de Senaat, die vandaag nog 71 leden telt (40 rechtstreeks verkozen senatoren, 21 gemeenschapssenatoren en 10 gecoöpteerde senatoren). In 2013 hing aan de Senaat alles bij elkaar een prijskaartje van 80,5 miljoen euro, of 1,1 miljoen per senator (zie tabel). Er is jarenlang gepalaverd over een hervorming en afslanking van de Senaat en volgens sommigen viel daar meteen heel wat te besparen. Eind november vorig jaar keurde de Senaat na een stemmarathon haar eigen hervorming goed. Na 25 mei worden de rechtstreeks verkozen senatoren afgeschaft. Uiteindelijk zullen er nog 60 senatoren overblijven (50 die door de deelstaten worden aangewezen en 10 gecoöpteerde senatoren). Een afslanking dus, maar is het ook een besparing? Matthijs: 'Volgens de begroting 2013 van de Senaat kostten de wedden van de senatoren 8,5 miljoen euro. Na de verkiezingen moet de Senaat enkel nog de 10 gecoöpteerde senatoren vergoeden, die maar een halve parlementaire wedde ontvangen. De 50 deelstaatsenatoren worden betaald door hun gemeenschap of gewest. Dat betekent dat de Senaat na 25 mei nog slechts 850.000 euro aan wedden van senatoren moet betalen. Dat is dus een besparing van 7,65 miljoen euro.' De Senaat telde anno 2013 zowat 370 personeelsleden en de personeelskosten staan voor meer dan 29 miljoen euro in de begroting, meteen de grootste post. '370 personeelsleden is wat veel voor de opdrachten die de hervormde Senaat nog zal krijgen', meent Matthijs. 'Er is gezegd dat de personeelsleden kunnen worden overgeplaatst naar de gewesten of gemeenschappen. Of dat echt zal gebeuren? Ik betwijfel het en denk dat er voor hen een brugpensioenplan zal worden uitgewerkt. Hoe groot de besparingen zullen zijn op het vlak van personeelskosten valt dus af te wachten.' De Senaat speelde tot nu toe een belangrijke rol in de partijfinanciering: in 2013 deelde hij meer dan 10 miljoen euro uit aan politieke partijen (zie kader). Dat wordt na de verkiezingen afgeschaft. 'Dat is dus een besparing voor de begroting van de Senaat,' zegt Matthijs, 'maar de partijen hebben beslist dat de Kamer die dotatie zal overnemen. In het totale kostenplaatje van Kamer en Senaat samen is het dus geen besparing. De Kamer die nu al met 10 miljoen euro de partijen financiert, zal dat dan met 20 miljoen doen.' Conclusie: door de huidige hervorming van de Senaat wordt 7,65 miljoen bespaard, van de rest moet niet onmiddellijk veel worden verwacht. Daartegenover staat dat de totale kostprijs van de Senaat de laatste decennia stevig is geklommen (zie tabel). 'In 1989 bedroeg die 41 miljoen euro, in 2010 al 80 miljoen', zegt Matthijs. 'Dat is dus een verdubbeling in twintig jaar tijd. Vooral de verhoging van de partijfinanciering in 1994 zorgde daarvoor. Opmerkelijke vaststelling: de vermindering van het aantal senatoren van 184 naar 71 in 1995 heeft niet voor een grote besparing gezorgd, en dat zal met de huidige afslanking naar 60 senatoren ook niet het geval zijn. Van een totale kostprijs van 80 miljoen euro vandaag zullen we naar pakweg 60 miljoen gaan, als we ook de 10 miljoen euro aan partijfinanciering in mindering brengen, die dus overgeheveld wordt naar de Kamer.' Zo'n 60 miljoen euro voor 60 senatoren, dan blijft de gemiddelde kostprijs van de Senaat nog steeds 1 miljoen per senator. De Kamer van Volksvertegenwoordigers, die 150 rechtstreeks verkozen leden telt, kost dit jaar bijna 164 miljoen euro of 1,1 miljoen per Kamerlid (zie tabel). Voor het leeuwendeel van die totale som wordt belastinggeld gebruikt, zo'n 4 miljoen komt van eigen Kamerinkomsten. Net als de Senaat wordt de Kamer van Volksvertegenwoordigers hervormd na de verkiezingen van 25 mei, zij het in veel mindere mate. Zo wordt bijvoorbeeld de quaestuur (bevoegd voor het budgettair en personeelsbeleid) afgeschaft, maar het totale aantal Kamerleden blijft ongewijzigd. Ook de uittredingsvergoedingen worden aangepast: nu is het plafond vastgelegd op 48 maanden. Die som kun je krijgen als je 24 jaar parlementslid bent geweest. Na 25 mei wordt het maximaal 24 maanden en minimaal 12 maanden. 'Die uittredingsvergoeding blijft behouden omdat men ervan uitgaat dat de parlementsleden hun vroegere 'vaste' betrekking hebben laten staan voor een tijdelijk mandaat als verkozene des volks', vertelt Matthijs. 'Ik vraag me wel af hoe je dat rijmt met het stelsel van politiek verlof, waarbij je afwezig kunt zijn op je werk om een politiek mandaat uit te kunnen oefenen.' Wat ook nog wijzigt, zijn de pensioenvoorwaarden. Tot nu toe kon een volledig pensioen worden bereikt na 20 jaar parlementair mandaat en dan kreeg je 75 procent van de vergoeding. Na de verkiezingen wordt het aantal jaren parlementair mandaat flink verhoogd tot 32 jaar en ook de pensioenleeftijd wordt opgetrokken van 55 naar 62 jaar. Matthijs: 'Dat betekent dus dat een aantal verkozenen na de verkiezingen aan het rekenen zullen slaan of ze hun mandaat zullen opnemen, dan wel nog vlug in het voordelige oude systeem met pensioen zullen gaan.' Net als de Senaat speelt ook de Kamer een voorname rol in de partijfinanciering: ze gaf 10 miljoen aan de politieke partijen (zie kader). Zoals gezegd komt daar na de verkiezingen nog eens iets meer dan 10 miljoen bij afkomstig van de Senaat. Matthijs: 'Net als voor de Senaat merk je ook voor de Kamer dat minder parlementsleden niet synoniem is met minder kosten. In 1995 daalde het aantal Kamerleden van 212 naar 150, maar de dotatie is altijd maar gestegen, tussen 1996 en vandaag zelfs met 85 procent (zie tabel). Dat komt onder andere door de indexering van de lonen. De Kamer telt 655 personeelsleden en met meer dan 50 miljoen euro is dat de voornaamste kostenpost in de begroting van de Kamer. Het Vlaams Parlement telt 124 parlementsleden. De totale kostprijs van zijn werking komt uit op bijna 105 miljoen euro, of 800.000 euro per Vlaams Parlementslid (zie tabel). Daarvan komt meer dan 90 miljoen van de belastingbetaler en 13,3 miljoen via eigen inkomsten - 'een vrij hoog bedrag', aldus Matthijs. Die eigen inkomsten komen uit de winst van het restaurant, de verkoop van merchandise en vooral de opbrengsten uit financiële reserves (8 miljoen in 2014). Een gewoon Vlaams Parlementslid verdient 86.067 euro bruto per jaar en krijgt daarbovenop nog een onkostenvergoeding van 24.098 euro netto. Dat komt afgerond neer op 6000 euro netto per maand. De Kamerleden en Senatoren verdienden tot voor kort evenveel, maar ze hebben onlangs beslist vijf procent in te leveren. Ook in het Vlaams Parlement vertegenwoordigen de personeelsleden (een 240-tal) de zwaarste post op de begroting: meer dan 20 miljoen euro. De dotaties zijn sterk toegenomen. 'We zien een verdubbeling tussen 1995 en vandaag, dus in pakweg twintig jaar tijd', zegt Matthijs (zie tabel). Vanaf 2001 zijn er ook Vlaamse dotaties aan politieke partijen. Toen ging het nog om 3 miljoen euro, vandaag is dat al 8,2 miljoen euro (zie kader). Als je alles samentelt, blijken de Senaat, de Kamer en het Vlaams Parlement jaarlijks zo'n 340 miljoen euro te kosten, waarvan pakweg 330 miljoen door de belastingen wordt opgehoest. Is dat veel? 'Tja, wat is veel?', zegt Matthijs. 'Vaak wordt beweerd dat België veel parlementen en parlementsleden kent en dat klopt wel. Ondanks de bevoegdheidsoverdrachten naar de regio's hebben we nog relatief veel federale parlementsleden. Vandaag zijn er dat nog 200 en dat worden er 160 na 24 mei (10 gecoöpteerde senatoren en 150 Kamerleden. De deelstaatvertegenwoordigers in de Senaat rekent Matthijs niet tot de federale parlementsleden, nvdr). Ter vergelijking: in de Tweede Kamer van het unitaire Nederland zitten 150 parlementsleden. En die 150 parlementsleden bij onze noorderburen gaan ook over onderwijs, cultuur en dergelijke, wat bij ons Vlaamse bevoegdheden zijn. Het aantal federale parlementsleden is dus niet evenredig verdeeld na de overheveling van de bevoegdheden naar de regio's.' Matthijs spreekt tegen dat die 330 miljoen euro te veel zou zijn en plaatst alles in een ruimer perspectief: 'Wat die parlementen ons in totaal kosten is peanuts in vergelijking met de miljarden aan besparingen die ons bij de volgende regering te wachten staan. In mijn ogen is de prijs van onze parlementen niet overdreven. Een democratie mag wat kosten.'DOOR EWALD PIRONET'370 personeelsleden is wat veel voor de opdrachten die de hervormde Senaat nog zal krijgen.'