'Toen de zwarte hoofden boven het gras tevoorschijn kwamen, keek ik de mens van de prehistorie in de ogen. Dat moment in 1947, onder die boom in de Kalahariwoestijn, was het belangrijkste van mijn leven.'
...

'Toen de zwarte hoofden boven het gras tevoorschijn kwamen, keek ik de mens van de prehistorie in de ogen. Dat moment in 1947, onder die boom in de Kalahariwoestijn, was het belangrijkste van mijn leven.' Jens Bjerre is met zijn 87 jaar oud genoeg om zulke uitspraken te doen. De Deense journalist, schrijver, fotograaf en cineast bracht in de jaren veertig en vijftig het eerste filmmateriaal mee van de oorspronkelijke bewoners van zuidelijk Afrika, Australië en Papoea-Nieuw-Guinea. Hij documenteerde en beschreef de riten van de San (Bosjesmannen), de Aboriginals en de koppensnellers net voor de moderne beschaving hun oorspronkelijke levenswijze wegveegde. Van zijn boeken, vertaald als De laatste kannibalen en Oog in oog met het stenen tijdperk, werden miljoenen exemplaren verkocht. Vorig jaar verscheen in Denemarken een nog niet vertaalde publicatie met dezelfde titel als de tentoonstelling die momenteel in het Gentse Caermersklooster loopt: Disappearing Worlds/ Verdwijnende Werelden. De expositie belicht de drie belangrijkste expedities van Bjerre aan de hand van foto's, filmbeelden en antropologische voorwerpen. Een vierde deel is gewijd aan de rotstekeningen van respectievelijk de Bosjesmannen en de Aboriginals. Bjerre kan urenlang vertellen over zijn ontmoetingen in onontgonnen gebieden, maar sprongen door de tijd maken, blijkt wat moeilijker. Dan maakt hij een gebaar dat moet betekenen dat het later nog wel ter sprake komt. Ook zijn voorafgaande journalistieke carrière beschrijft hij breedvoerig. Hoe hij op zestienjarige leeftijd als stagiair een baantje kreeg bij een regionale krant, wat later avondschool Engels volgde om ooit buitenlands correspondent te kunnen worden, en zich ondertussen opwerkte bij steeds grotere Deense kranten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging hij ondergronds in het verzet. Hij keerde terug als politiek redacteur van de grootste krant in Kopenhagen. Op zijn 25e kreeg hij het hoofdredacteurschap aangeboden, maar hij verkoos als zelfstandig journalist Afrika te doorkruisen. Hij verkocht zijn boot en zijn motorfiets, en pakte zijn koffers. 'In het leven hangt veel af van het toeval. Het komt erop aan de kansen te grijpen die zich aandienen', zegt Bjerre. 'Net voor ik vertrok, opperde een vriend om ook documentairefilms te maken. Hij duwde me een Kodakbox in mijn handen - zo'n ding dat je moest opwinden. Ik had nog nooit gefilmd, maar eenmaal onderweg heeft mijn journalistieke ervaring me veel diensten bewezen.' 'Toen ik in Johannesburg was aangekomen, legde ik aan een professor mijn plan voor om het onbekende, donkere Afrika te exploreren. De halfwoestijn van Kalahari was nooit in kaart gebracht, en over het nomadische volk van jagers-verzamelaars dat er woonde was weinig bekend. Hij vond het een schitterend idee, maar het was verboden gebied en ik zou nooit de toestemming krijgen om erdoor te trekken. In Windhoek, de huidige hoofdstad van Namibië, zat ik enige tijd later aan tafel met de Deense consul. Ook hij beweerde dat de Kalahari een onmogelijk project was, maar toen zei zijn vrouw dat ze in de krant gelezen had over een expeditie van missionarissen. De consul belde meteen met de bisschop. Ik vroeg hem of hij wél permissie had gekregen. "De enige toelating die voor ons telt, komt van boven", antwoordde de bisschop. En zo stond ik de volgende dag klaar om met twee Duitse missionarissen door de Kalahari te trekken. Een kaart was er niet. Ze namen een blad papier, trokken een rechte lijn, zetten er een kruis op en noemden een naam: daar zouden we ons kamp opslaan. Ik dacht dat het een dorp was, maar het bleek een boom te zijn. Daaronder gingen we zitten pijproken. De jongen die met ons mee was gegaan, bootste het geluid van een vogeltje na. Hij zei dat de San in de buurt waren en dat we gewoon moesten afwachten. Ze waren heel nieuwsgierig maar ook heel achterdochtig. Toen de Duitsers er de plak zwaaiden, gingen ze op zondag op Bosjesmannen jagen. Het was een sport voor hen, ze beschouwden de San als dieren.' 'Toen zagen we het eerste zwarte hoofd boven het gras. Al snel waren het er drie en meer. Wij bleven glimlachend aan onze pijp lurken en stalden de tabak die we als geschenk hadden meegebracht voor ons uit. De jongen riep een soort vredeskreet, en na een tijd stonden de oudere mannen op en legden hun pijlen en bogen ostentatief in het gras. We wezen naar onze tabak, maar die raakten ze niet aan. Pas toen we hem echt aan hen aanreikten, kwamen ze dichterbij - het moest dus van hand tot hand gaan. Daarna kwamen ook de vrouwen dichterbij. Ze lachten naar ons. De Bosjesmannen sprongen op en begonnen te dansen (Bjerre tapt het ritme met zijn schoen) en ze zongen hun liederen met dat typische klikgeluid. Het was in de late middag voor zonsondergang, en ik nam mijn camera om zoveel mogelijk te filmen. Er was ook een oudere vrouw met een penetrerende blik die me kritisch bleef aankijken. Het was alsof ze recht door me heen keek; ik ben dat gezicht nooit vergeten. De foto die ik van haar maakte, is later in de Verenigde Staten bekroond. Ik heb die prijs nog uit handen van Nancy Reagan gekregen.' 'Ik besloot terug te komen om hen te filmen, maar op onze terugweg konden we ze niet meer vinden. Zoals je in de tentoonstelling kunt zien, ben ik later nog verschillende keer teruggegaan om de San te filmen.' Terug in Windhoek had hij zijn filmpjes naar Kodak in Johannesburg laten sturen. Toen hij het resultaat ging ophalen, wou de manager hem spreken. Bjerre: 'Ik vreesde dat ze mijn materiaal verknoeid hadden. Maar de manager vroeg me of ik de film aan de later beroemd geworden paleontoloog Phillip Tobias wilde tonen. Dat contact leidde uiteindelijk tot een boek van Tobias met mijn foto's, waarvoor ik ook notities ter beschikking had gesteld. Tobias was heel enthousiast over het eerste filmpje van de Bosjesmannen, en op zijn verzoek toonde ik het in Kaapstad aan de museumdirecteur. Die regelde dat ik de boot naar Londen kon nemen om de film bij de Royal Geographical Society af te spelen. Daar kwamen we overeen dat ze mijn film, From Cairo to Cape Town zouden uitbrengen. Het werd een groot succes, en op mijn 26e werd ik de jongste fellow van de RGS. In een tijd dat introducties belangrijk waren om ontoegankelijke gebieden te verkennen, was het een gegeerde titel.' Nadat hij in de Himalaya was gaan zoeken naar de legendarische Yeti - op aandringen van alpinist Eric Shipton, die voetafdrukken had gevonden van een niet nader te identificeren wezen -, reisde Bjerre via de RGS naar Australië. In Adelaide had hij een ontmoeting met professor Charles P. Mountford, die net het boek Brown Men and Red Sand had gepubliceerd. 'Mountford had in Centraal-Australië prachtige foto's gemaakt van de Aboriginals. Hij moedigde me aan om hen te gaan filmen omdat het niet lang meer zou duren voor hun traditionele levenswijze tot het verleden zou behoren. Dus vertrok ik in 1953 op eenmansexpeditie naar Australië. Via een introductie bij de minister van Inheemse Zaken verkreeg ik de medewerking van het kantoor in Alice. Daar was een geoloog aan het werk, die voor een operatie een tijd in Adelaide zou verblijven. Ik kon gebruik maken van zijn twee kamelen, voor mij en mijn tolk, om de nomadische aboriginals op te zoeken. Kamelen waren de enige manier om het geïsoleerde woestijngebied te bereizen. Ik heb er de laatste initiatieritus vastgelegd bij de heilige rots met de schildering van de regenboogslang. Tijdens de initiatie werden de legendes overgedragen. De jongens van vijftien, zestien jaar werden besneden terwijl de andere mannen in een cirkel monotone, extatische liederen over het ontstaan van de wereld zongen. Daarna sneden krachtige mannen een ader open en lieten hun bloed in straaltjes over de geknielde jongeren lopen. De volgende ingreep bestond erin om een gat te maken bij de stam van de penis van de jongens zodat het zaad later niet in de vagina werd geëjaculeerd. Als ze dat wilden, moesten ze de opening met hun vinger afdekken. Het was een noodzakelijke vorm van geboortebeperking voor een volk dat in een woestijnachtig gebied van de ene plaats naar de andere trekt. Merkwaardig is wel dat de Aboriginals niet geloofden dat een vrouw zwanger kon worden door met een man te slapen. Om een kind te krijgen, moest de man eerst een droom gehad hebben die hij overdroeg op zijn vrouw.' 'De jongen die op een van mijn foto's van de initiatieritus staat, en die altijd mijn camera droeg, heb ik in 1986 teruggezien in de sloppenwijk waar hij woonde. Opeens hoorde ik hem roepen: " Uncle, uncle, you have come back. " Hij was dronken, en stonk naar urine.' Even grensverleggend was de eerste expeditie omstreeks dezelfde tijd naar Papoea-Nieuw-Guinea. Toen was Bjerre in het gezelschap van vijftig dragers en een vijftal gewapende agenten. Bij stammen die bekendstonden als koppensnellers was hij getuige van vruchtbaarheids- en initiatieriten. Hoewel ze onderweg een paar keer werden aangevallen - Bjerre kreeg een pijl in zijn duim - vond hij de koppensnellers 'hoogst charmant'. Als begroeting moest hij de leden van de Kukukuku-clan, zoals gebruikelijk, onder de kin kietelen. Toch bracht hij ook een paar gruwelijke foto's mee van deze expeditie. Een beeld toont een van zijn vermoorde dragers, wiens borst is opengesneden. 'We vonden hem 's morgens', zegt Bjerre. 'Wellicht is hij overvallen door leden van een vijandige stam toen hij ging plassen, en hebben ze zijn hart opgegeten. Niet dat ik me daarna bedreigd voelde: als blanke was ik geen vijand van de Huli. Maar tussen de Huli en de Tolai heerste een oude vijandschap.' Tien jaar later ging hij terug om meer beelden te schieten voor de film The Last Cannibals, die bekroond werd op het filmfestival van Edinburgh. Toen maakte hij ook het portret van het meisje met de gedroogde hand rond de hals, dat op de affiches van de expo in Gent staat. 'Wellicht was het de hand van een overleden familielid dat haar moest beschermen tegen boze geesten.' De inheemse bevolking in zuidelijk Afrika en in Australië kon haar traditionele levenswijze niet handhaven. Velen vielen ten prooi aan alcoholisme en depressie. Tegelijk begon de moeizame strijd voor de rechten van de aboriginals en de San. Hoewel Bjerres films en foto's daarbij een rol speelden, was hijzelf daar maar zijdelings bij betrokken. 'Ik begon met de Bushmen Protection Commission, maar toen de Nationalist Party in 1948 aan de macht kwam in Zuid-Afrika, weigerden ze ook maar iets te doen voor de Bosjesmannen. In Botswana werd onder het Britse protectoraat een bescherming vastgelegd, maar na de onafhankelijkheid werden hun jachtgronden in beslag genomen of de Bosjesmannen werden naar reservaten overgebracht. The First People of the Kalahari (FPH) probeerde de rechten van de San via de rechtbanken af te dwingen. Eerst verloren we de zaak, maar uiteindelijk kregen de Bosjesmannen in 2007 het recht om op het land van hun voorouders te leven volgens hun tradities. Ik stond in die strijd aan de zijlijn, maar toen ik jaren geleden wou teruggaan, werd ik wel gewaarschuwd dat de politie van Botswana mijn camera in beslag zou nemen.' 'Een zaak winnen is één ding, de traditionele levenswijze weer opnemen een andere. De boeren die zich er gevestigd hebben, zullen niet zomaar hun biezen pakken. Ze zullen de Bosjesmannen verjagen. Misschien lukt het sommigen op langere termijn om aan te knopen bij hun vroegere leven. Ik hoop het, want het zijn fantastische mensen.' 'Met mijn tentoonstelling vraag ik aandacht voor de verdwijnende levenswijze van de laatste inheemse volkeren. Het is ons verleden dat we dreigen kwijt te spelen. Het besef dat we deel uitmaken van en een zijn met de natuur zijn we al kwijt. De moderne mens wil de natuur respectloos bezitten. Deze mensen namen alleen wat ze nodig hadden. Als ze op antilopen jaagden, schoten ze er geen drie maar één. En voor ze het dier opaten, baden ze ervoor en dankten het al dansend en zingend. Een bijenkorf zouden ze nooit hebben geplunderd, omdat ze wilden dat de bijen, die heel belangrijk zijn voor het ecosysteem, zouden terugkeren. We kunnen van hen veel leren.' DISAPPEARING WORLDS/VERDWIJNENDE WERELDEN, TOT 14 SEPTEMBER IN HET CAERMERSKLOOSTER IN GENT. ENTREE GRATIS (MAANDAG GESLOTEN). INFO: www.caermersklooster.be DOOR ERIC BRACKE