Duizend jaar geleden werd Gerbert van Aurillac tot paus benoemd. Zo zat bij de aanvang van het tweede millennium een wiskundige op de troon van Petrus. Voor het eerst, en voorlopig ook voor het laatst, was in het jaar 999 de keuze van de verzamelde kardinalen op een mathematicus gevallen.
...

Duizend jaar geleden werd Gerbert van Aurillac tot paus benoemd. Zo zat bij de aanvang van het tweede millennium een wiskundige op de troon van Petrus. Voor het eerst, en voorlopig ook voor het laatst, was in het jaar 999 de keuze van de verzamelde kardinalen op een mathematicus gevallen.Gerbert, die als paus de naam Sylvester koos, had de wiskunde en sterrenkunde grondig bestudeerd en ook eigen bijdragen tot deze wetenschappen geleverd. Zo was hij erin geslaagd nauwkeurige waarden van de vierkantswortel van 2 en 3 te berekenen en had hij een nieuw type rekenraam ontworpen. Dat waren opmerkelijke prestaties na eeuwen van intellectueel verval waarin de kennis van de eens zo schitterende antieke wiskunde vrijwel volledig verloren was gegaan. Behalve in het islamitische deel van Spanje, waar de geest van de oude filosofen voortleefde, leek in heel Europa het licht van de wetenschap te zijn uitgedoofd. Op wat kopieerwerk na, brachten de vroege Middeleeuwen weinig vruchten van wetenschappelijke arbeid voort. In de elfde eeuw zou een einde komen aan deze periode van duisternis en herleefde de traditie van studie en onderzoek. Tot dat herstel heeft Sylvester II mee de aanzet gegeven. Het pontificaat van de geleerde paus duurde echter niet lang. Hij stierf in 1003. Diepe sporen heeft die korte periode niet nagelaten en de verhouding tussen de Kerk en de wetenschap is er niet wezenlijk door veranderd. Die is in het tweede millennium zo moeilijk gebleven als zij voordien al was en zoals zij in het derde millennium ook wel zal zijn. Alle retoriek over één waarheid en de meerdere wegen daarnaartoe ten spijt verdragen geloof en wetenschap elkaar moeilijk. De leer van de Kerk steunt op de H. Schrift, een verzameling verhalende teksten uit de joodse traditie, rijk aanpoëtische, mythische en religieuze kracht maar zonder veel rationele reflectie. De God van joden en christenen openbaart zich in zijn verhouding tot de mens - als bestraffer of verlosser van zondaars -; niet als het oerprincipe van de wentelende kosmos waar de Grieken naar zochten. De gebiedende Jahweh van het Oude Testament is niet de "Onbewogen Beweger" van Aristoteles. De joods-christelijke God is een levende persoon, geen filosofisch concept. En Jezus bracht een boodschap van liefde, geen verklaring voor de natuurwetten. Waarom zou de paus, die zijn plaatsvervanger is, dat dan doen? Wat kunnen natuurkundige theorieën verduidelijken? Misschien niets, maar dat betekent niet dat zelfs de paus zonder kan. Niemand die ogen heeft, ontkomt aan de vaststelling dat de wereld waarin we dit tijdelijke bestaan doorbrengen, een welgeordende structuur bezit. Er gelden strikte wetten en vaste verbanden in ruimte en tijd die alleen langs mathematische weg beschreven kunnen worden. Uit welke kracht of door welke wil dit heelal ook te voorschijn kwam, het waren wiskundige principes die er de nodige samenhang aan gaven. Dat was wat Plato inzag toen hij beweerde dat God een meetkundige was. En ook Einstein bedoelde niets anders met zijn uitspraak dat "God niet dobbelt". Geen willekeur, maar orde stuurt het heelal. Kan een Kerk over een Schepper spreken zonder aandacht te schenken aan diens scheppingswerk? Zou men de Maker van het heelal niet diep beledigen door het sterrengewelf te bezingen als het "werk van zijn handen" (Ps. 8,4) en dit kunstwerk dan niet uitgebreid te bewonderen en te bestuderen? Omdat in de H. Schrift zelf elke nadere beschouwing over de kosmos ontbreekt, namen de kerkvaders uit de eerste eeuwen van het christendom hun toevlucht tot die andere bron van de westerse beschaving, de Griekse filosofie. Daarin troffen ze het gezochte in overvloed aan. De filosoof die van meet af aan de hoogste bewondering afdwong, was de "goddelijke Plato". Plato had in zijn geschriften uitgelegd waarom een welwillende Godheid het heelal een rationele mathematische structuur had gegeven en hoe we kennis van die orde konden verwerven. Dat kon slechts gebeuren, volgens Plato, door gebruik te maken van de zuivere rede, omdat alleen de rede ons in staat stelt kennis te nemen van de absolute bestaansvormen. Het gebruik van de zintuigen levert geen echte kennis op, hoogstens een "betwijfelbare mening". Dat het enthousiasme van de neoplatonici en kerkvaders voor deze filosofie niet geleid heeft tot een nieuwe bloei van de wiskunde en kosmologie onder de eerste christenen, moet toegeschreven worden aan het algemene verval van de cultuur in die sombere dagen van het desintegrerende Romeinse Rijk. Maar ook was van meet af aan de kloof voelbaar die zich opende tussen een geloof dat spreekt over een "rijk dat niet van deze aarde is" en een wetenschap die zich op deze aarde concentreerde. Duizend jaar later zou Thomas van Aquino, Plato verwisselen voor Aristoteles. Thomas timmerde een theologisch stelsel in elkaar waarvan het fundament door de filosofie van Aristoteles gevormd werd. Anders dan Plato, legde Aristoteles de nadruk op de logica én op de zintuiglijke waarneming als bronnen van kennis. Door zijn keuze schiep Thomas het klimaat waarbinnen de wetenschap zoals we die nu kennen, zich kon ontwikkelen, een wetenschap die steunt op de rede én op de waarneming. Aanvankelijk nog "dienstmaagd van de theologie" volgde deze wetenschap echter snel een eigen koers en bevrijdde zich van alle banden met de Kerk. Die Kerk zelf is al tweeduizend jaar op zoek naar een kosmologie waarbinnen zij haar boodschap kan verkondigen. Plato bood er een. Aristoteles bood er een. Maar de zoektocht is niet beëindigd. De crisis die de Kerk thans doormaakt, is er geen van het christendom zelf, maar van de thomistische interpretatie daarvan. De zware constructie die Thomas optrok, is niet langer in staat de moderne mens te inspireren. Dit betonnen gebouw van dogma's en geloofswaarheden belet de ziel te ademen. Het is waar dat de huidige paus in zijn recente encycliek Fides et Ratio (over het geloof en de rede) oproept tot een terugkeer naar de filosofie van Thomas van Aquino. Maar waarom terugkeren naar de oude stellingen? Buiten waait de nieuwe religieuze wind. Pausen komen, pausen gaan. Eén keer mocht er één wiskundige zijn, maar niet voor langer dan vier jaar.Gerard Bodifée