Het gaat niet zo goed met de gentherapie. Pogingen om zware ziekten te genezen middels ingrepen op het genetisch materiaal lopen veel minder vlot dan verhoopt. Er zijn al proefpersonen gestorven aan pioniersbehandelingen die onder meer kanker bleken uit te lokken.
...

Het gaat niet zo goed met de gentherapie. Pogingen om zware ziekten te genezen middels ingrepen op het genetisch materiaal lopen veel minder vlot dan verhoopt. Er zijn al proefpersonen gestorven aan pioniersbehandelingen die onder meer kanker bleken uit te lokken. Gentherapie impliceert het herstellen van een fout in een gen, of het vervangen van een slecht functionerend gen door een versie die wél doet wat ze doen moet. In principe is het een behandeling die alleen de patiënt zelf aanbelangt. Heel anders ligt het wanneer het om kiembaangentherapie gaat. Want dat betekent een genetische ingreep op de basisgeslachtscellen die rijpen tot eitjes en zaadcellen. Zo'n ingreep is overerfbaar en beïnvloedt dus het nageslacht. Dat stelt aparte ethische problemen. Het in Leuven gevestigde Internationaal Forum voor Biofilosofie (IFB) van professor Guido Van Steendam heeft in opdracht van het Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie een onderzoek gedaan naar de ethische aspecten van kiembaangentherapie bij mensen. Van 6 tot 8 december worden de resultaten daarvan besproken op een symposium in Brussel ( zie kader). Internationale experts zullen aan de discussies deelnemen. Het onderzoek legde drie belangrijke maatschappelijke breekpunten bloot. In de eerste plaats is er natuurlijk het nobele streven naar het bevorderen van de gezondheid. Dat is tegelijk de drijvende kracht achter de ontwikkeling van gentherapie, maar ook zijn belangrijkste rem, omdat lang niet alle negatieve effecten van de technologie bekend zijn. Inzake kiembaangentherapie zijn er twee bijkomende ethische bekommernissen. Ten eerste de prangende kwestie dat patiënten het recht hebben geïnformeerd te worden, zodat ze mee kunnen beslissen over hun behandeling. Aangezien de 'patiënten' in dit geval nog niet geboren zijn, kan hun mening niet worden gevraagd. Er rijzen ook vragen rond de omkeerbaarheid van de techniek: kan men desgevallend terug naar de situatie van vóór de ingreep? Een tweede bekommernis betreft de promotie van wat als een betekenisvol leven beschouwd wordt. Kiembaangentherapie zou de menselijke waardigheid bedreigen, omdat ze personen toelaat de genetische identiteit van anderen te wijzigen vóór ze verwekt zijn. Impliciet hierin vervat ligt de stelling dat een techniek die beschikbaar is, ook gebruikt kan worden voor andere doeleinden dan deze waarvoor ze oorspronkelijk is ontwikkeld (denk maar aan het verschil tussen klonen voor therapeutische en voor reproductieve doeleinden). Er is al op gewezen dat onze maatschappij de gewoonte heeft 'beslissingen te nemen die de volgende generaties beïnvloeden'. Ouders zetten dikwijls ook stappen die hun (toekomstige) kinderen aanbelangen. Maar de maatschappelijke houding ten opzichte van gentherapie in het algemeen is momenteel van die aard dat er in de context van kiembaangentherapie voor een moratorium wordt gepleit. Vooral de mogelijkheid tot wijziging van de genetische identiteit zou daarbij zwaar doorwegen. Een van de prangende vragen die terzake dan ook beantwoord moeten worden, is of het wenselijk is dat wetenschappers blijven werken aan de optie van kiembaangentherapie. Een punt dat in de discussie in Brussel zeker aan bod zal komen. Dirk Draulans