door Guido Lauwaert
...

door Guido LauwaertVoor de Grote Verlichter Denis Diderot (1713-1784) waren critici pygmeeën, twee el hoog, met scherpe tanden en zeer lange nagels. Je had evenwel diverse soorten pygmeeën. De eerste soort had kritiek op net gestorven of al lang overleden kunstenaars. Wat is hun werk nog waard en leven ze nog in ons geheugen? Die vraag was de basis van hun kritiek. De tweede soort dreef de spot met nog levende kunstenaars. Maar als je hun kritieken aandachtig las, merkte je dat ze een stompe neus hadden en dat ze daarmee lang niet reikten tot aan de vooruitstekende kin van de kunstenaars. Een derde soort was gewapend met scheermessen en scharen: de censoren en bezorgers van bloemlezingen. Hun knip- en plakwerk verknoeide het originele werk. Daarmee bereikten ze het tegendeel van wat oorspronkelijk hun bedoeling was: lezers, luisteraars en kijkers werven. Tegen die drie soorten stelde de hoofdredacteur van het hoofdwerk van de Verlichting, de Encyclopédie, zich minder streng op dan tegenover de vierde soort. Dat waren de pygmeeën die geen tanden, geen nagels, geen stompe neus, geen scheermessen en geen scharen hadden, maar de hele tijd met het wierookvat stonden te zwaaien. Zo dachten ze voor eeuwig te kunnen paraderen in de welriekende dreven van hun hogepriesters. Het begin van een nieuw cultureel jaar is de ideale gelegenheid om de visie van Diderot af te stoffen. Heel wat kunstenaars en stafleden van kunstpaleizen beginnen immers bij de minste kritiek die hen niet zint wild in het rond te schieten. Op z'n Amerikaans. Het publiek krijgt daardoor de indruk dat critici vijanden zijn van kunstenaars en artistieke instellingen. Dat ze nog vóór ze kennisgemaakt hebben met een nieuw kunstwerk hun dolken slijpen. Dat ze op wraak belust zijn, omdat ze in wezen gerateerde kunstenaars zijn - want dat is negen op de tien keer de onderliggende gedachte bij kunstenaars of stafleden wanneer ze hun stenguns stemmen. Niets is minder waar. Critici zijn gepassioneerde kunstliefhebbers. Ze wensen niets liever dan telkens opnieuw verrast te worden en het kunstwerk en zijn schepper met lof te kunnen overladen. Ze leven en werken in het spanningsveld van de kunstwereld. Ze weten dat en zijn daar niet bang van, anders hadden ze, net als journalisten in conflictgebieden, voor een anderejob gekozen. Dat soort critici behoort tot de vijfde soort. Net als de leden van de andere soorten zijn ze pygmeeën, maar daar zijn ze zich van bewust. Omdat ze weten dat dwergen niet minder waard zijn dan reuzen. En dat ze hun plaats kennen. De kunstenaars sluiten de vijfde soort in de armen. Artistieke instellingen gebruiken alle middelen om hen te lokken. Het erkennen van die liefde en geilheid valt kunstenaars en artistieke instellingen vaak zeer zwaar. Daar is een remedie voor: openlijk toegeven dat critici van de vijfde soort behoren tot het kunstpalet, zoals duisternis niet kan bestaan zonder licht.