Economen moeten sinds de financiële crisis van 2008 spitsroeden lopen. Niet alleen zagen ze die crisis niet aankomen, ze raakten het ook niet eens over een oplossing voor de economische stagnatie die daarop volgde.
...

Economen moeten sinds de financiële crisis van 2008 spitsroeden lopen. Niet alleen zagen ze die crisis niet aankomen, ze raakten het ook niet eens over een oplossing voor de economische stagnatie die daarop volgde. Dat geldt niet voor de eurocrisis. Talloze economen voorspelden voordat er nog maar één bankbiljet van de euro gedrukt was dat de gemeenschappelijke munt gedoemd was te mislukken. In België was het Paul De Grauwe die al in de jaren negentig kritische kanttekeningen maakte bij de ambities van de Europese leiders, maar Joseph Stiglitz is van dat korps wereldwijd de meest gehoorde econoom. Hij publiceerde vooral over globalisering en wereldhandel, werkte onder meer voor Bill Clinton en de Wereldbank en won een Nobelprijs voor zijn onderzoek naar de rol van asymmetrische informatie in de economie. Samen met Paul Krugman werd hij tijdens de financiële crisis een mascotte van links, en ook over de crisis van de Europese muntunie liet hij zich de voorbije jaren vaak en graag horen. Nu heeft Stiglitz een heel boek geschreven over de euro, dat vorige week in vertaling verscheen. Het bbp van de eurozone groeide tussen 2007 en 2015 met amper 0,6 procent, en zelfs de Duitse economie lijkt het vandaag alleen maar goed te doen omdat de andere eurolanden slechter presteren. De eurocrisis blijft sluimeren, en de analyse die Stiglitz maakt is nog altijd even relevant als eenvoudig. Landen die een munt delen, geven hun eigen wisselkoers en interestvoeten op. Een land kan er niet meer voor kiezen om de wisselkoers van haar munt te devalueren om zo de handel te bevorderen, of om de interestvoet van de centrale bank te verlagen en zo de economie te stimuleren. Iedereen is afhankelijk van het centrale beleid van de eurozone. Dat werkt alleen als de nationale economieën op elkaar lijken, maar de begrotingsregels die in Maastricht werden afgesproken - eigenlijk het enige wat Europa deed om de eurozone te omkaderen - waren niet voldoende om de landen dichter bij elkaar te brengen. Integendeel, ze zijn de voorbije jaren verder uit elkaar gegroeid. In de jaren negentig voorspelden economen als Stiglitz dat een schok de lidstaten van de eurozone uit elkaar zou drijven. De financiële crisis van 2008 was haast een ideaaltype van wat hen voor ogen stond. Joseph Stiglitz beschrijft niet enkel de constructiefouten in de eurozone, maar bekijkt ook het verloop van de eurocrisis. Net als veel andere economen heeft hij het moeilijk met de morele lading die het politieke debat over de crisis altijd had. De vraag wie er goed was en wie fout, interesseert hem niet. Stiglitz hekelt ook het idee dat bij enkele Duitsers leefde om Griekenland het stemrecht in Europa af te nemen zolang het land afhankelijk was van Europese noodsteun. Onbegrijpelijk, vindt hij. De behandeling van Griekenland door de Trojka van de Europese Commissie, de ECB en het IMF zit Stiglitz hoog. 'Normaal stellen schuldeisers voorwaarden aan hun schuldenaars die de kans dat zij hun lening terugbetalen verhoogt', schrijft hij. 'Maar, zeker in Griekenland, verminderde de Trojka net de capaciteiten van het land om dat geld ooit te kunnen terugbetalen.' De Griekse economie kromp met 27 procent, de werkloosheid bedraagt nog altijd 24 procent, de jeugdwerkloosheid is dubbel zo hoog, en ook dit jaar zal de Griekse economie verder krimpen. Hoe kon het zo mis gaan? Stiglitz dist een anekdote op waarin hij, samen met zijn vrouw, in 2013 in een gesprek de eerste minister van een Noord-Europees land probeert te doen inzien wat voor ellende de crisispolitiek aanricht in Griekenland en andere Zuid-Europese landen. De middenklasse zakt er weg in de armoede. 'Ze hadden hun economie maar eerder moeten hervormen', kreeg Stiglitz als antwoord. 'Ze hadden zich maar niet zo losbandig moeten gedragen.' Het heeft hem zonder twijfel gesterkt in zijn vermoedens dat de maatregelen die Griekenland opgelegd kreeg deels ingegeven waren door ordinaire wraakgevoelens en woede, en een politieke agenda om linkse partijen en kiezers een lesje te leren. Naast dat intentieproces besteedt Stiglitz de meeste aandacht aan een economische en ondertussen klassieke analyse. Besparen - austerity - wanneer de economie stagneert of zelfs in vrije val is, heeft een land nog nooit vooruit geholpen. In de ogen van Stiglitz zijn Europese politici nog altijd doordrongen van het neoliberalisme, oftewel een fabelachtig geloof in de werking van vrije markten. Dat weerhoudt hen ervan te zien wat er echt verkeerd loopt in de economie, en bracht hen er zelfs toe contraproductieve hervormingsmaatregelen op te dringen. Het is moeilijk te begrijpen waarom de Trojka zichzelf de opdracht gaf van Griekenland een competitieve economie te maken die weer meer exporteert, terwijl ze zich bezighoudt met het reguleren van futiliteiten die de export allerminst bevorderen. Zo moest Griekenland van de Trojka een label schrappen dat wordt gebruikt om de versheid van melk in supermarkten aan te prijzen. Maakte dat de Griekse economie competitiever? Nee. Het enige gevolg is, aldus Stiglitz, dat Nederlandse en Duitse multinationals hun minder verse melk makkelijker verkocht krijgen in Griekenland, waardoor lokale melkboeren inkomsten derven. Hebben Stiglitz en alle andere critici van het Europese crisisbeleid gelijk? De cijfers tonen in ieder geval aan dat de voorspellingen van de Trojka over de groei in Griekenland fout waren en overdreven optimistisch. Ook het IMF begint een deel van de kritiek over te nemen. Het Internationaal Monetair Fonds moet nog altijd beslissen of het de nieuwe afspraken die vorig jaar met Griekenland werden gemaakt, wil steunen. Directeur Christine Lagarde gaf eerder al toe dat de eisen voor Griekenland onrealistisch waren. Dat verplaatst de schijnwerpers van de euro als monetair project naar de uitvoerders. Andere politici hadden andere en betere beslissingen kunnen nemen. Martin Sandbu van de Financial Times, die vorig jaar het al even interessante Europe's Orphan schreef ter verdediging van de euro, wees er al op dat de kritiek van Stiglitz in de eerste plaats de Europese politici betreft en niet de muntunie die zij hebben mismeesterd. Dat is deels natuurlijk zo. In een interview naar aanleiding van het verschijnen van z'n boek raadde Stiglitz de Portugezen aan om de eurozone te verlaten, maar de hervormingen die hij in de laatste hoofdstukken voorstelt, impliceren dat zeker niet allemaal. Stiglitz schrijft zelf een hervorming van de eurozone te verkiezen boven het opbreken van de muntunie. De lange lijst van voorstellen die hij formuleert, zijn zeven jaar na het uitbreken van de crisis niet erg origineel. Ze doen nog het meest denken aan de ambitieuze plannen van Guy Verhofstadt. Europees beleid, solidariteit en gedeelde schulden zijn nodig om de eurozone naar behoren te laten functioneren. Zal het er ooit van komen? Stiglitz weet dat de Europese leiders gedoemd zijn om verder aan te modderen. Hij is er terecht het hart van in.