Het conflict is natuurlijk niet nieuw. Sinds de zevende eeuw, toen de Profeet Mohammed de islam preekte bij de Arabieren, is de Middellandse Zee zo vaak verdeeld geweest tussen oosters-islamitische en westers-christelijke rijken dat het een basisgegeven van onze cultuur is geworden - en dus ook van hùn cultuur, de islamitische.
...

Het conflict is natuurlijk niet nieuw. Sinds de zevende eeuw, toen de Profeet Mohammed de islam preekte bij de Arabieren, is de Middellandse Zee zo vaak verdeeld geweest tussen oosters-islamitische en westers-christelijke rijken dat het een basisgegeven van onze cultuur is geworden - en dus ook van hùn cultuur, de islamitische.Ook het fundamentalisme is niet nieuw. Net zoals het christendom en de meeste andere godsdiensten heeft de islam geregeld perioden gekend met bewegingen die terug wilden naar de oorspronkelijke zuiverheid van de leer en de zogenaamde eenvoud van de tijd van de profeet. (Dat noch die tijd noch de profeet zo simpel waren, deed dan niet ter zake.) Maar gedurende de negentiende en bijna de hele eerste helft van de twintigste eeuw waren het conflict tussen oost en west en het islamitisch fundamentalisme op de achtergrond geraakt, als het ware uitgedoofd. Dat was een kwestie van krachtsverhoudingen: het grote Ottomaanse Rijk, dat eeuwenlang bijna de hele islamitische wereld had bestuurd, was helemaal vermolmd. Het werd afgekalfd door nationalistische bevrijdingsbewegingen, die vaak hulp kregen van industriële mogendheden van de christelijke wereld, die vol geestdrift aan het koloniseren sloegen. Na de Eerste Wereldoorlog stortte het Rijk in elkaar en werd het grotendeels verdeeld onder de koloniale machten van West-Europa. Noord-Afrika was al Frans, Spaans en Italiaans, Egypte werd Brits, net als Iran en Irak. In Arabië en het hele Midden-Oosten werden grenzen en krijtlijnen getrokken waar de wereld nu nog last van heeft. Verborgen of niet, het conflict was er dus wel degelijk, alleen leek het - voor Europeanen - of het interessante deel van de geschiedenis zich elders afspeelde. Daar woedde de strijd tussen traditie en moderniteit, tussen monarchie en republiek, tussen kapitalisme en socialisme, tussen fascisme en communisme. Allemaal bewegingen die de gekoloniseerde islamitische wereld natuurlijk wel beroerden, maar waar die toch maar in de tweede graad mee te maken kreeg. Voor de moslims was het Westen de bron van veel van hun ellende, en soms van vooruitgang. Veel moslims hadden in het westers liberalisme, in het kapitalisme geloofd, maar na de Tweede Wereldoorlog had het hun uiteindelijk niet veel anders opgeleverd dan koloniale uitbuiting en structurele armoede en achterstand. Veel onafhankelijkheids- en bevrijdingsbewegingen waren nu dus socialistisch geïnspireerd of zelfs regelrecht communistisch - en door Moskou gesteund zoniet gestuurd: Boumedienne in Algerije. De Baath-partijen in het Midden-Oosten, in Syrië en Irak. Nasser in Egypte. Maar in de jaren zestig en zeventig bleek dat geen van die partijen hun mooie beloften konden waarmaken. Ze waren niet eens in staat iets tegen Israël te ondernemen, dat piepkleine jodenstaatje in Palestina, dat met hulp uit het Westen rechtgehouden werd tegen de hele islamitische wereld in. Zo zagen de meeste moslims dat alleszins. Die moslims waren verbitterd, op zoek naar een eigen identiteit die ze tevergeefs in het kapitalistische Westen en in het communistische Oosten gezocht hadden.DE MOSLIM BROEDERSCHAPDe eerste fundamentalistische groep van de moderne periode werd al in 1928 opgericht door Hassan al Banna in Egypte. Dat waren de Moslim Broeders, een gezelschap dat toen reeds fel antichristen èn antimarxist was. De Broeders verspreidden zich snel over de islamitische wereld, maar kregen aanvankelijk niet zoveel politieke aandacht. Toch was het hek van de dam en de Wereldoorlog, de dekolonisatie en het Arabisch-Israëlisch conflict (en de manier waarop dit in het Westen werd aangepakt) speelden de broederschap alleen maar in de kaart. Naast antichristelijk en antimarxistisch was ze, haast vanzelfsprekend, nu ook anti-Israëlisch en soms antisemitisch. Door de gesloten aard van de vaak autoritaire Arabische regimes kwamen hun activiteiten niet tot in de westerse media. Maar toen de Egyptenaar Anwar el Sadat in november 1977 naar Jeruzalem ging om Israël een vredesregeling aan te bieden (waar de vredesakkoorden van Camp David uit voort zouden komen), besloten de Moslim Broeders hem daarvoor te vermoorden. Ondanks de inspanningen van Sadat om communisten, nasseristen en islamitische radicalen uit te roeien, wist de broederschap in het leger een moordcomplot te beramen. In oktober 1981 werd hij tijdens de parade voor de verjaardag van de Yom Kippoer-oorlog van 1973 doodgeschoten. De moord op Sadat was een signaal voor de hele Arabische wereld. In Egypte, Syrië, Soedan en Algerije groeide de invloed van de radicale islamisten, tot spijt van de gematigde en gezagsgetrouwe moslims. Eén reden daarvoor was het lot van de Palestijnse broeders, die moesten vaststellen dat de Camp David-akkoorden waar het hen betrof niet werden uitgevoerd. Naast de "politieke" Palestijnse organisaties in de PLO en daarbuiten, ontstonden islamitische organisaties als de Hamas, die van geen samenleven met de joden in Israël wilden horen. Een andere reden - en de twee gingen wonderwel samen - was de economische en sociale situatie in de meeste Arabische landen. De regimes waren er niet in geslaagd hun economie op gang te brengen (behalve met het "olie-manna" in Saoedi-Arabië en de Golfstaten) en de meerderheid van de bevolking moest zien te overleven zonder sociale vangnetten, onderwijs of gezondheidszorg. Daar namen de radicale islamisten de rol van de meestal verboden communistische partijen over en gingen aan de basis, rond de moskeeën, aan sociaal dienstbetoon doen: kinderopvang, gezondheidszorg, basisonderwijs, werklozensteun. Maar het was in de niet-Arabische wereld dat de eerste echte klappen zouden vallen. In Iran, bruggenhoofd van de Amerikanen in het Midden-Oosten, was sjah Mohammed-Reza Pahlavi met een grootscheepse "witte revolutie" zijn land in een recordtijd aan het moderniseren. Met deskundige hulp uit de VS en met petrodollars. Na de oorlog van 1973 had de "petroleumschok" van 1974 de prijs van de aardolie immers zo doen stijgen dat de oliestaten in het Midden-Oosten gigantisch rijk waren geworden. Ook in de zuidelijke rand van de Sovjet-Unie waren moderniseringen bezig in de Centraal-Aziatische republieken, waar het sovjetregime allengs meer vrijheid moest toestaan aan de moslimgemeenschappen die daar de absolute meerderheid van de bevolking uitmaakten. In het Westen begonnen analisten te voorspellen dat het sovjetrijk niet door de Koude Oorlog zou bezwijken maar door de opstand van de moslims in Centraal-Azië. En in het verre Afghanistan pleegde de Moskougezinde communistische partij een staatsgreep, met de uitgesproken bedoeling dit traditioneel zeer achtergebleven land de weldaden van de moderne tijd te schenken. Zoals onderwijs voor iedereen, ook voor meisjes, en dito gezondheidszorg.DE GROOTSTE REVOLUTIEIran ging als eerste. De Witte Revolutie van de sjah was niet aangepast aan de levenswijze van zijn volk en het paleis was volledig afgesneden van de maatschappij. De politieke politie vervolgde, moordde en folterde in een niet aflatende jacht op "communisten" en andere opposanten. Rond de moskeeën en de bazar ontstond een onwaarschijnlijke massabeweging waarin zowat alle groepen in de Iraanse maatschappij zich verenigden om de sjah tot rede of ten val te brengen. Daarin stapten de meest reactionaire fundamentalisten geestdriftig samen op met progressieve nationalisten, communisten van de Toedeh-partij, uiterst linkse Fedayin, linkse islamisten van de Modjahedin Khalq, en een grote massa bazaris en naar de stad gekomen boeren. Maar hoe de ogenschijnlijke werkverdeling tussen de verschillende groepen en de contacten ook waren, de echte motor werd gevormd door de islamisten. Dat was hier geen klein groepje revolutonairen, maar zowat de hele gestructureerde gemeenschap van gelovigen. De Iraanse sjiitische islam verschilt van die in de meeste Arabische landen (uitgenomen sjiitisch Zuidoost-Irak) door zijn apparaat van mollahs en rechtsgeleerden en zijn strakke hiërarchie. Daardoor kon de clerus als een georganiseerd geheel optreden. Bovendien hadden de religieuze instellingen uitgestrekte gronden en landerijen in hun beheer, zodat ze ook een aanzienlijke economische macht vertegenwoordigden. In zijn revolutionaire vuur wou de sjah ook dat veranderen. Hij liet het grootgrondbezit verdelen in een landbouwhervorming en staakte in 1977 ook nog de betalingen aan de religieuze instellingen. Dat was genoeg om de clerus in de oppositie te jagen en hem als één man achter de radicale ayatollah Roehollah Khomeiny te plaatsen. Deze Roehollah Khomeiny was een rechtsgeleerde, een "groot-ayatollah" (de hoogste post in de hiërarchie) van de heilige stad Qom. Zijn harde oppositie tegen de maatregelen van de sjah had hem al in 1964 in ballingschap naar Turkije gebracht, daarna in de sjiitische stad Nadjaf in Irak, vanwaar hij uiteindelijk in Frankrijk belandde: de beelden van de opstandige ayatollah in de chique Parijse voorstad Neauphle-le-Chateau zijn de wereld rondgegaan. De revolutie zelf: een paar aanslagen, wat ongeregeldheden, maar vooral een onstuitbare vicieuze cirkel van rouwbetogingen (rouw is de bijzondere kracht van de sjiitische islam) waarbij telkens opnieuw doden vielen, voor wie telkens opnieuw betoogd moest worden. Dat bracht in het voorjaar en de zomermaanden van 1978 het regime van de sjah aan het wankelen. In december, krijgswet en avondklok zijn al afgekondigd, begon de hallucinante praktijk waarbij in alle steden en veel dorpen op avonden die door Khomeiny bepaald werden, duizenden zoniet alle volwassenen om acht uur 's avonds op hun dak gingen staan roepen dat God groot was en de sjah dood moest. Het einde kwam op 10 en 11 december. Er was weer een betoging gepland en een generaal wou tanks en troepen inzetten, maar de VS - Jimmy Carter was president - lieten weten met dát bloedbad niet akkoord te kunnen gaan. De tanks trokken zich terug en de euforie van de revolutie vulde de straten. Na nog enkele vergeefse pogingen om met hervormingen en ander personeel (zijn trouwste volgelingen werden opgesloten) het regime te redden, zag sjah Mohammed Reza Pahlavi zich genoodzaakt op 16 januari Iran te verlaten. De ayatollah Khomeiny kwam niet eens dadelijk naar huis. Hij kwam de eerste februari, werd afgehaald op het vliegveld door een miljoenenmenigte met slogans voor de "islamitische republiek". En daarmee was de toon gezet. De euforie van de revolutie zou nog een paar maanden duren, terwijl de nieuw gevormde islamitische partij van de ayatollahs vaste grond onder de voeten zocht - en dan begon de terreur. Wat een unieke massabeweging van bijna alle kleuren van de bevolking was geweest, werd nu systematisch in het gelid gebracht. Communisten, progressisten, leken en nationalisten werden eerst uit de regering gezet en vervolgens uit het politieke leven uitgesloten. Nog later volgden gevangenisstraf en ballingschap. Bomaanslagen riepen een ongehoorde repressie op, waardoor duizenden zogenaamde contrarevolutionairen terechtgesteld werden. Maar voor het oog van de islamitische wereld was hier een wonder gebeurd. De cassettes met toespraken waarmee Khomeiny zijn revolutie op gang had gebracht, gingen nu naar de omliggende landen, naar Irak en naar de feodale Arabische staten, en riepen daar ook tot revolutie op. En voor de republiek van de zuivere, egalitaire islam. Daar moest oorlog van komen, en dat werd de eerste Golfoorlog. Opgestookt en gesponsord door alle landen die bang waren dat de Iraanse revolutie naar de buurlanden zou overslaan - de Europeanen en de VS waren daarbij - begon Saddam Hoessein een blitzkrieg tegen Iran. Die zou jaren duren en Irak en Iran en het islamitische regime daar grondig veranderen. Maar dat is een ander verhaal. DE AFGHAANSE TRAGEDIEWant aan een andere kant van Azië, in de bergen van Afghanistan, was men intussen ook beginnen te vechten. De Afghaanse mollahs hadden tegen de hervormingen van de communistische regering de heilige oorlog uitgeroepen. Een tribaal georganiseerde guerrilla elektriseerde algauw heel Centraal-Azië. Moskou dat, zeker in het licht van de Iraanse revolutie, bang was voor zijn kwetsbare islamitische zuidelijke republieken - Azerbeidzjan, Kazachstan, Oezbekistan, Tadzjikistan, Turkmenistan - vond dat het het Afghaanse regime moest steunen, en op 24 december 1979 viel het Rode Leger Afghanistan binnen. Twintig jaar later duurt die Afghaanse oorlog nog steeds voort. De Russen zijn verjaagd, de Sovjet-Unie bestaat niet meer, in Kaboel staat nauwelijks nog een huis overeind, en eigenlijk hebben in Afghanistan de fundamentalisten zichzelf verslagen. Even was dit bergland het grote zenuwcentrum van de djihad, waar moedjahedien uit bijna alle islamlanden tegen de Russen kwamen vechten. Na het vertrek van de Russen begonnen ze onder elkaar te vechten. En toen kwam de nieuwe lichting zuivere geesten, de Taliban. Ze worden nog steeds, in eigen land, "de Afghanen" genoemd: in Pakistan, in Algerije, in Egypte, in Soedan... Ze staan nergens voor en ze hebben geen toekomst, meer en meer worden ze de "légionnairs" van een schimmige fundamentalistische internationale. In Algerije vechten ze mee met de GIA, de "gewapende islamitische groepen" die dorpen uitmoorden en vrouwen en kinderen opensnijden terwijl hun politieke leiding met de regering onderhandelt. In Pakistan gaan ze hoog de Himalaya in, Indiase stellingen in Kasjmir bezetten tot ze er met zware kanonnen uitgeschoten worden. Het moslimfundamentalisme - zeker in Iran - heeft de moderne wereld doen opschrikken. Maar steeds duidelijker blijkt dat niet de moderne wereld de kalasjnikovs van de "Afghanen" nodig heeft, maar wel de meerderheid van arme moslims de moderne wereld. Alles wijst erop dat de "politieke islam" mislukt is in zijn poging om te doen wat het kapitalisme en het marxisme niet konden, en dat ook Iran weer rationeel aan het worden is. Ongetwijfeld is het met het fundamentalisme niet gedaan: de zuivere leer van de profeet zal altijd blijven lokken, maar bewezen is dat het ideaal met geweld niet te verwezenlijken valt. Volgende week: de rakettenkwestie.Sus van Elzen