Premier Jean-Luc Dehaene (CVP) mompelde dat hij een gloeiende hekel heeft aan mensen die altijd maar te laat komen. Hij bedoelde daarmee Charles-Ferdinand Nothomb, toen scheidend PSC-voorzitter, die zondagmiddag maar niet kwam opdagen in de Senaat. Daar zou het nog van nieuwigheid dampende achtpartijenakkoord over de hervorming van justitie en politiek, dat even voor enen die ochtend tot stand was gekomen, om 14 uur aan de pers worden voorgesteld. Zich nauwelijks van enig kwaad bewust zette Nothomb uiteindelijk toch aan. Met de onbekommerde zwier van de landjonker die hij is, nam hij plaats achter de te kleine tafel waaraan Dehaene al met de zeven partijvoorzitters op hem zat te wachten.
...

Premier Jean-Luc Dehaene (CVP) mompelde dat hij een gloeiende hekel heeft aan mensen die altijd maar te laat komen. Hij bedoelde daarmee Charles-Ferdinand Nothomb, toen scheidend PSC-voorzitter, die zondagmiddag maar niet kwam opdagen in de Senaat. Daar zou het nog van nieuwigheid dampende achtpartijenakkoord over de hervorming van justitie en politiek, dat even voor enen die ochtend tot stand was gekomen, om 14 uur aan de pers worden voorgesteld. Zich nauwelijks van enig kwaad bewust zette Nothomb uiteindelijk toch aan. Met de onbekommerde zwier van de landjonker die hij is, nam hij plaats achter de te kleine tafel waaraan Dehaene al met de zeven partijvoorzitters op hem zat te wachten. Zo begon een curieus ritueel, een mengeling van informatieverstrekking en zelfbewieroking, gekoppeld aan een plechtig moment waarbij de deelnemers aan het overleg niet ophielden elkaar te danken en te feliciteren. Er werd danig met het woord historisch gemorst. "Met dank van het huis", aldus de premier in zijn welbekende onbeholpen stijl. Het was een pak van zijn hart. Toen hij zich even later, in smoking gehesen en in opperbeste stemming, aan de Antwerpse Stadsschouwburg tussen het Schoon Volk van Vlaanderen aanmeldde voor de première van de musical Les Misérables, stond daar warempel een tevreden mens. "Ik heb geen zorgen meer", verklaarde hij. In al deze eenstemmigheid diende PRL-voorzitter Louis Michel er even aan te herinneren dat zijn partij wel degelijk tot de oppositie behoort. Men zou het inderdaad haast vergeten. Wat zich daar gedurende een week of twee eerst op het kabinet van de eerste minister en vervolgens in zaal D van de Senaat had afgespeeld, had in andere tijden in Hertoginnedal zijn beslag gekregen, of in Stuyvenberg, of in soortgelijke staatskastelen waarvan de ronkende namen voor altijd verbonden blijven met de grote pacten die de belangrijkste etappes van de recente Belgische politieke geschiedenis afbakenen.WE HEBBEN EEN COMPROMISZe staan vandaag in een kwade geur, die pacten, en dat niet alleen omdat ze duur zijn en slechts met haken en ogen aan elkaar zouden hangen. Ze worden vooral aanzien als het symbool van de nu verketterde Oude Politieke Cultuur, waarin de politieke partijen, met hoe meer hoe liever, ergens in zo'n kasteel gaan samenklitten voor langdurige, besloten vergaderingen, aldaar canapépolitiek bedrijven, om vervolgens de witte rook door de schoorsteen te sturen. Habemus papam, we hebben een compromis. Het is de basistruc van de Belgische consensuspolitiek. De stijl van het nu afgesloten Octopus-overleg verschilt daar niet wezenlijk van. Met dit verschil dat nu inzake justitie en politie niet eens wordt gesproken over een eerbaar compromis, maar kortweg over een plan dat eruitziet alsof het er objectief en dus noodzakelijkerwijs zo had moéten uitzien. Dat laatste is natuurlijk niet het geval. Vóór de etappe van het Octopus-overleg - waarin de vier regeringspartijen de liberale en communautaire oppositie aan boord van de onderhandelingen hees - zat de roomsrode coalitie behoorlijk in het slop met haar al anderhalf jaar aanslepende hervormingsplannen. Over al te veel essentiële punten bleven al te tegengestelde meningen bestaan. Daar leek het kabinet alleen maar uit te zullen raken mocht ze die tegenstellingen kunnen verzuipen in een bad van andere voorstellen, ideeën en nuances. Maar het kabinet had nog een ander probleem: voor een onderdeel van de hervormingen, de oprichting van de Hoge Raad voor Justitie, moet de grondwet worden gewijzigd. Daar is een tweederde meerderheid voor nodig en dus moest de regering naar steun gaan hengelen bij de (liberale) oppositie. VLD en - zij het met minder animo - PRL-FDF zagen zo'n Hoge Raad wel zitten, daar niet van, maar ze wilden begrijpelijkerwijs niet zomaar wat parlementair kiesvee leveren. Ze eisten een stem in het kapittel maar het leek niet meteen vanzelfsprekend dat de regering de liberalen wel degelijk over veel meer dan alleen de Hoge Raad zouden laten meepraten. Alles kantelde toen Marc Dutroux, de boef wiens wandaden de "disfuncties" bij gerecht en politie aan het licht hadden gebracht, erin slaagde om gedurende enige uren het hazenpad te kiezen. De regering betaalde een hoge prijs om zichzelf in stand te houden: de ministers Johan Vande Lanotte (SP) en Stefaan De Clerck (CVP) namen ontslag, rijkswachtchef Willy Deridder zette "een stapje opzij". Het signaal - meer dan enige symboliek hield het niet in - werd goed begrepen en het kabinet kwam er versterkt door de crisis. De liberalen hadden de regering weer niet kunnen verplichten om haar biezen te pakken, zodat ze maar een oppositiefront organiseerden door ook nog de Volksunie erbij te halen; de vierde partner, het FDF, onderhoudt al lange tijd een alliantie met de PRL. In naam van het algemeen belang boden ze een alternatief hervormingsplan ter discussie aan de regering aan. If you can't beat them, join them. ALLE EVENWICHTEN ZIJN FRAGIELHet is allemaal haastje-repje geworden. De VU had al een honend, afwijzend commentaar in haar partijblad Wij laten verschijnen eer ze zich realiseerde dat ze eigenlijk blij mocht zijn dat ze nog eens voor iets werd gevraagd. Wellicht mee op aandringen van VLD-voorzitter Guy Verhofstadt, besloot ze om toch maar mee te doen. VLD-senator Hugo Coveliers, niet direct betrokken bij de onderhandelingen, werd meteen druk aan de mouw getrokken met de bede om eens wat teksten te bezorgen over wat precies de gewenste "functionele band" tussen federale en lokale politie concreet mocht inhouden. Het oppositiefront wou wel niet weten van een "hiërarchische" band tussen beide niveaus, maar het kon zich ook niet precies voorstellen wat daarvoor dan in de plaats diende te komen - dat zijn dus die zogeheten "verbindingsagenten" geworden. En VLD-Kamerlid Marc Verwilghen had brute pech. Dankzij zijn voorzitterschap van de commissie-Dutroux had hij, vooral in Franstalig België, een aura ontwikkeld als de goeroe van de justitiële, en in één moeite door, ook de politieke vernieuwing. Het is een rol waarin hij zich best lekker voelt. Daarom ook gedroeg hij zich de jongste maanden graag als een boven de partijen verheven politicus, die zich om niets dan het algemeen belang bekommert en altijd bereid is om, gezien de ernst van de toestand, een consensus met de regering na te streven. Hij had echter het ongeluk dat hij, toen pardoes het Octopus-overleg begon, net voor een reisje naar de Verenigde Staten was vertrokken. Verwilghen kon pas achteraf mee aan tafel aanschuiven, niet in de prominentie die hij enkele maanden geleden nog als ex-commissievoorzitter had kunnen opeisen, maar "slechts" als een van de twee dozijn onderhandelaars. Zo kon hij niet de Heilige Geest van dat overleg worden en waren het zijn partijvoorzitter Verhofstadt en zijn collega Patrick Dewael die op dit beslissende versnellingsmoment de VLD naar buitenuit vertegenwoordigden. Het resultaat valt ingrijpend en belangwekkend uit. Dat is vooral zo omdat het, althans op papier, wellicht onvermijdelijke maar fragiele evenwichten in stand wil houden. Het gerecht behoudt zijn onafhankelijke status maar staat toch onder een reële controle. De politie is voldoende in een eenheidsstructuur gegoten om niet versnipperd en dus machteloos te blijven tegenover de zware criminaliteit, maar is tegelijk voldoende gedecentraliseerd om niet te kunnen uitgroeien tot een moloch van een repressieapparaat. Dat alles samen wekt de indruk alsof de politiek deze keer wel degelijk de volle verantwoordelijkheid opneemt voor de justitiële en politionele organisatie van het land. Ze kan ook moeilijk anders, want zij is het die door de publieke opinie ter verantwoording wordt geroepen wanneer daar wat fout loopt. Dat verklaart mee de bereidheid van de liberalen om aan het project mee te werken, want het was iedereen duidelijk dat zij hoe dan ook, vroeger of later, mee in het bad zou worden gesleurd. De politieke klasse diende zich, zonder aanschijns der partij, schrap te zetten, enerzijds tegenover de publieke opinie - die geen pardon zou kennen voor wie louter omwille van partijbelang de boel wou verzieken - en anderzijds tegenover de machtige, al dan niet corporatistisch geïnspireerde lobby's binnen de te hervormen instellingen, vooral de erg mondige magistratuur. MET UITZONDERING VAN BRUSSELMet de grootschalige hervorming die nu in de steigers staat, kan de politiek de nodige instrumenten verwerven om in te grijpen waar zij dat nodig acht. Achteraf zal ze niet weer eens moeten vaststellen dat ze geen greep heeft op datgene waarvoor zij niettemin door de kiezer verantwoordelijk wordt gehouden. Wou ze bijvoorbeeld in het recente verleden, terecht of niet, dat de Brusselse procureur Benoît Dejemeppe, de Luikse procureur-generaal Anne Thily of Christian De Vroom, hoofd van de Gerechtelijke Politie, het stapje zijwaarts zouden zetten, hen daartoe dwingen was uitgesloten. Het resultaat is bekend. Dat moet voortaan anders. Niet dat nu alles is geregeld. Premier Dehaene heeft duidelijk laten verstaan dat hij de hervormingen het liefst mét en zeker niet tégen de huidige magistraten en politiemensen wil doorvoeren. Maar tegenstand valt hoe dan ook te overwinnen. De Raad van State liet al enig geknor horen, terwijl het Hof van Cassatie te elfder ure nog een schrijven had laten geworden om mee te delen dat het als vanouds zijn zaakjes wel best op eigen houtje kon blijven regelen. Nee dus: voor Cassatie gelden dezelfde nieuwe regels als voor de rest van de magistratuur. Dit alles is eigenlijk nog altijd "slechts" theorie. Het Octopus-akkoord moet nu nog worden uitgeschreven in wetteksten en vervolgens in de praktijk gebracht, wat alles bij elkaar meerdere jaren zal duren. En gefinancierd, want niets is gratis. En niemand, ook de liberale rentmeesters van de publieke financiën niet, weet wat dit alles nu zal kosten. Of liever: het doet er niet toe, het koste wat het kost. De Octopus-onderhandelaars hebben maar één tegenstand niet kunnen overwinnen: die van de Brusselse burgemeesters. Overigens had de PRL François-Xavier De Donnéa, burgemeester van Brussel-stad, mee naar het overleg gestuurd, die daar ook FDF-voorzitter Olivier Maingain aantrof, en die vindt dat in het hoofdstedelijke gewest qua politie alles is als in de beste der mogelijke werelden. Worden overal in het land de lokale politiekorpsen, samen met de plaatselijke rijkswachtbrigades samengevoegd binnen een tweehonderdtal interpolitiezones (IPZ's), dan verandert er in het geheel niets voor de politiediensten van elk van de negentien Brusselse gemeenten. Alleen de zeven rijkswachtbrigades worden er tot één sectie van de nieuwe federale politie omgevormd. De meeste Brusselse gemeentehuizen bieden vanouds onderdak aan vaak gescleroseerde, maar daarom niet minder zelfbewuste, om niet te zeggen arrogante machtsbastions, die slechts node aan hun privilegies laten raken. Ze hebben een Brusselse fusie al kunnen tegenhouden en zouden ook niet graag het machtsinstrument dat de politie is, moeten afgeven. Ze hebben hun zin gekregen, al zullen ze het zonder de extra gelden moeten stellen die de regering veil heeft voor de uitbouw van de IPZ's. Gedreven door bruut machtsbehoud - al dan niet retorisch vermomd als "dicht bij de burger staan" - vrezen de Brusselse lokale potentaten ("sheriffs", dixit de krant Le Soir) dat een fusie van de politiediensten als de voorbode van een fusie van de gemeenten moet worden begrepen, voor hen de grootste aller gruwels. Of nog niet, want dan duikt ook nog de communautaire factor op. Dan zal, aldus Charles Picqué (PS), burgemeester van Elsene en minister-president van het Brusselse Gewest, over de gegarandeerde minimum-vertegenwoordiging van de Vlamingen moeten worden gesproken. Premier Dehaene bevestigde dat indirect. De Brusselse politiefusie kan eventueel, zo opperde hij, worden besproken bij een toekomstige institutionele onderhandelingsronde. Dan wordt het helemaal een communautair onderwerp.Marc Reynebeau