Charles Darwin had een veel minder bekende compagnon de route in het verspreiden van het concept van evolutie door natuurlijke selectie: Alfred Russel Wallace, die onafhankelijk van Darwin op hetzelfde idee was gekomen, maar er nooit problemen mee heeft gehad dat vooral Darwin als de man van het verhaal werd geportretteerd. Hij was vooral blij dat hij ernstig genomen werd.
...

Charles Darwin had een veel minder bekende compagnon de route in het verspreiden van het concept van evolutie door natuurlijke selectie: Alfred Russel Wallace, die onafhankelijk van Darwin op hetzelfde idee was gekomen, maar er nooit problemen mee heeft gehad dat vooral Darwin als de man van het verhaal werd geportretteerd. Hij was vooral blij dat hij ernstig genomen werd. De twee verstonden elkaar wonderwel, behalve op één cruciaal punt: Wallace begreep niet hoe de mentale kracht van de menselijke hersenen door pure natuurlijke selectie kon zijn ontstaan. Hij suggereerde het bestaan van een soort 'Overruling Intelligence' om de explosieve ontwikkeling van de hersenen te verklaren, een soort goddelijke hand, waarmee hij misschien wel de eerste uitgesproken adept van het idee van intelligent design was. Terwijl het voor Darwin zo klaar als een klontje was dat ook de menselijke hersenen eenvoudig het resultaat waren van een proces van natuurlijke selectie: grotere hersenen gaven meer mogelijkheden tot betere overleving, waardoor hun groei sterk gestimuleerd werd, punt uit. Maar recent duiken er constructies op waaruit blijkt dat Wallace misschien toch niet helemaal verkeerd zat, zij het dat geen enkele ernstige wetenschapper gelooft in het bestaan van zijn Overruling Intelligence. Wetenschappers vinden echter verdacht weinig genetische aanknopingspunten voor complexe gedragingen van de mens. Ze gaan ervan uit dat ons doen en laten wel onder invloed staat van natuurlijke selectie, dus bijgestuurd kan worden in interactie met de omgeving, maar niet dat het als vanzelfsprekend ook genetisch verankerd wordt. Gedrag hoeft niet per se genetisch vastgelegd te zijn, zo luidt de nieuwe stelling, omdat we het probleemloos kunnen doorgeven door middel van culturele transmissie: opvoeding en andere vormen van leer- en kopieergedrag. Het idee raakt gekoppeld aan andere inzichten, onder meer dat overerving van kenmerken niet louter een kwestie is van het voordeel dat sommige genetische 'fouten' kunnen bieden. Een gen hoeft niet noodzakelijk fout te worden overgeschreven van de ene generatie naar de andere om een verandering (in goede of slechte zin) te introduceren, het kan ook eenvoudigweg verdubbeld worden. Soms kunnen stukken van genen in veelvoud worden doorgegeven. Genetici vinden dan geen klassieke fouten in genen, maar, als ze goed kijken, wel verschillen in aantallen van genen en stukken van genen. Zo wijst recent onderzoek uit dat de laatste gemeenschappelijke voorouder van mens en chimpansee nogal wat duplicaties van genen in zijn lichaam moet hebben gehad. Een proces dat niet zonder risico's is, want het kan een ontregelend effect hebben. Psychotische problemen of de ziekte van Alzheimer zijn neveneffecten van het feit dat onze hersenen complex geworden zijn, en fouten kunnen beginnen op te stapelen. Het wordt niet langer uitgesloten dat mensen minder geneigd zijn potentiële fouten in hun genoom weg te werken, omdat onze soort door zijn snel overdraagbare culturele ontwikkelingen in staat is zelf fouten te maskeren. Brillen om slecht zicht op te vangen verminderen de druk om genetische fouten die gezichtsverlies bevorderen, op te ruimen. In die zin zou onze culturele ontwikkeling de evolutie van de mens zelfs kunnen versnellen, want ze maakt meer experimenten, ook met genen, mogelijk. En ze maakt het mogelijk te leren leven met eventuele kwalijke gevolgen van die experimenten. Heldere en veelzeggende voorbeelden illustreren dat complexe gedragingen niet in de software van hersenen terechtkomen. Elke Belg die op de Noordpool terechtkomt en als een Inuit moet gaan leven, raakt in de problemen, want zeehonden vangen en villen is bij ons geen aangeboren vaardigheid. Bij de Inuit trouwens ook niet, maar die leren het van hun ouders. Als wij lang genoeg in een primitieve Inuitcontext zouden leven, zouden ook wij moeten leren zeehonden te vangen als we in leven willen blijven. De mens is het grootste deel van zijn prehistorie een echte zwerver geweest, die altijd opnieuw in andere omstandigheden terechtkwam, en dus wel flexibel móést zijn om zich snel aan te passen. In zo'n context kan het voordeliger geweest zijn software in de hersenen vast te leggen die leer- en kopieergedrag mogelijk maakt, maar niet de gave om, bijvoorbeeld, een bad te ontstoppen of een prachtige taart te bakken. Vele gedragingen zouden onder culturele druk trouwens zo snel veranderen dat ze een lichaam gewoon niet genoeg tijd laten om ze in het genoom op te slaan. Cultuur evolueert te snel om een lichaam de kans te geven te volgen. Onze biologie hinkt achterop. Waarmee we ons opnieuw onderscheiden van de andere dieren, zoals met de macht over het vuur die we verworven hebben, of met de ontwikkeling van bewustzijn en moraliteit. In die zin zou Wallace dus toch minstens een beetje gelijk kunnen hebben gehad met zijn stelling dat de mentale macht van de mens niet door dezelfde principes verklaard kan worden als die welke andere aanpassingen sturen. Het is in dit verband ook evident dat mensen in verschillende culturen anders reageren op vergelijkbare omstandigheden. Talloze experimenten illustreren dat. De neiging om iemand die vals speelt in een sociaal systeem te straffen, een ingreep die nodig is om te voorkomen dat valsspelers te dominant zouden worden om sociaal gedrag toe te laten, varieert in functie van de aard van een maatschappij. Westerse mensen reageren veel 'individualistischer' in hun interpretatie van situaties dan oosterlingen die een veel holistischer aanpak hanteren. Dat zou mee te maken hebben met het feit dat er in het Oosten door allerhande omstandigheden lange tijd veel meer samenwerking in grote groepen is geweest dan bij ons. Toch is er geen echt zwart-witonderscheid tussen een westerse en een oosterse cultuur. Er bestaan tussenvormen en overgangen. Mensen zijn - opnieuw - flexibel genoeg om op veranderingen te reageren, hoewel dat soms veel moeite kost. Integratie is zelfs een politiek heet hangijzer. Maar dankzij onze sterk uitgebouwde leercapaciteit zijn wij in staat aanpassingen te doen zonder dat we daar een lang proces van natuurlijke selectie overheen moeten laten gaan. Daarom vind je tegenwoordig over heel de wereld Coca-Cola en restaurants van McDonald's. Daarom heeft elk zich respecterend Belgisch dorp tegenwoordig een afhaalchinees die moeiteloos overleeft. De grote variabiliteit mag er echter niet toe leiden dat we het overzicht verliezen, het geheel over het hoofd zien. Typisch menselijke aanpassingen hoeven niet noodzakelijk een overwegend lokaal karakter te hebben. Darwin schreef een belangrijk boek over emoties van mens en dier, waarin hij onder meer poneerde dat basisemoties van de mens een universeel karakter hebben. Dat is ondertussen bevestigd door werk van antropologen, die overal ter wereld mensen foto's lieten zien met de vraag de emoties op de geportretteerde gezichten te evalueren. Ze waren vertrokken van de basisstelling dat Darwin, die zich vooral baseerde op verslagen van missionarissen, militairen en ontdekkingsreizigers, fout was geweest. Maar hij bleek het bij het rechte eind te hebben gehad. Overal in de wereld reageren mensen met dezelfde gelaatsuitdrukkingen op gevoelens als verrassing, plezier en afkeer. Van mentale afkeer is recent aangetoond dat het exact dezelfde reactie uitlokt als het eten van iets dat we slecht vinden. Morele afkeer wekt dezelfde spier- en andere reflexen op als fysieke afkeer. Het zien van een kakkerlak zet dezelfde mechanismen in de hersenen in gang als het denken aan de Oostenrijkse incestkoning Josef Fritzl. Om die ogenschijnlijk uiteenlopende bevindingen, flexibiliteit aan de ene kant en universaliteit aan de andere, te verzoenen, wordt het beeld gepromoot van de hersenen als een controlepaneel met een aantal vaste kanalen en schakelaars, maar ook met schuifknoppen die het effect van kanalen en schakelaars kunnen wijzigen. Een door de cultuur gestuurd spelen met die knoppen kan verrassende effecten hebben, en tot nieuwe, zelfs onvermoede, resultaten leiden, net als het remixen van grote hits. Er zit muziek in ons hoofd. DOOR DIRK DRAULANS