Toen de vakbond in november 1993 industriezones bezette uit protest tegen het crisisplan van de regering Dehaene, was vooral in Wallonië de nostalgie niet van de lucht. De Waalse krant Le Peuple kon niet genoeg geharde syndico's opvoeren om de geest van '60-'61 te doen herleven. Met bijhorende kiekjes van geheven vuisten. Van zo'n elan was niets te merken toen het socialistische ABVV in oktober 1996 een algemene 24-urenstaking aankondigde als pressiemiddel voor het kabbelende overleg over een nieuw sociaal akkoord. De staking werd een flop.
...

Toen de vakbond in november 1993 industriezones bezette uit protest tegen het crisisplan van de regering Dehaene, was vooral in Wallonië de nostalgie niet van de lucht. De Waalse krant Le Peuple kon niet genoeg geharde syndico's opvoeren om de geest van '60-'61 te doen herleven. Met bijhorende kiekjes van geheven vuisten. Van zo'n elan was niets te merken toen het socialistische ABVV in oktober 1996 een algemene 24-urenstaking aankondigde als pressiemiddel voor het kabbelende overleg over een nieuw sociaal akkoord. De staking werd een flop. België stond ondertussen om andere dan strikt sociaal-economische redenen op zijn kop. Alle ogen waren gericht op een sector waarmee de vakbonden zich nooit hadden ingelaten: justitie. "Zeer ironisch", zegt ACW-studax Marc Maes. "De christelijke arbeidersbeweging kreeg in de jaren die aan de Witte Mars voorafgingen altijd de kritiek dat ze overal haar klauwen oplegde. In 1996 kregen we te horen: hadden jullie je dààr maar eens mee beziggehouden." De vakbonden hadden zich tegen die tijd nochtans op zowat alle "nieuwe" thema's gestort in een soms nerveuze zoektocht naar een nieuwe niche. Want de factor arbeid was gaandeweg diffuser geworden. De economie werd globaler, de industrie kleinschaliger, de werknemers veelkleuriger en geschoolder, de arbeidsvormen soepeler en de carrières minder lineair. De vakbonden kregen steeds minder greep op samenstelling en verzuchtingen van de achterban. En vooral: het werd almaar moeilijker om die ruim twee miljoen gesyndiceerden in één richting te doen marcheren. Die sluipende en voortdurende identiteitscrisis werd nog verergerd door de vaststelling dat het sociaal-economisch overleg niet langer de rol vervulde van weleer. "Het overleg floreerde in de periode 1960-1975", zegt Jozef Smits, auteur van het boek "Democratie op straat" (1984) en bezorger van de memoires van Gaston Eyskens, geestelijke vader van de Eenheidswet. "Er viel in de jaren zestig veel te verdelen. De economie groeide jaarlijks met 5 à 6 procent. Er kon dus probleemloos worden gepalaverd over de verdeling van de almaar groter wordende koek. De vakbond keerde nooit met lege handen terug van tafel. In de jaren tachtig kon er alleen nog maar worden gepraat over de verdeling van het verlies. En dat is zo gebleven." DE REGERING MOEST REGERENIn 1960 wist de vakbond nog tot wie ze sprak en hoeveel mensen ze op straat kon krijgen. De jaren zestig kondigden zich in ons land allesbehalve golden aan. De werkloosheid steeg, de rijksschuld ook. In maart 1959 orakelde Eyskens dat "de economische en sociale toestand van België niet goed (is), en ook de vooruitzichten zijn niet gunstig". Had België zich in de eerste jaren na de oorlog sneller hersteld dan zijn buurlanden, in de tweede helft van de jaren vijftig sputterde de motor. Het verlies van Congo op 30 juni 1960 betekende een bijkomende aderlating voor de staatskas. Eyskens broedde toen al langer op grootse plannen die voor de sociaal-economische elite van zijn tijd revolutionair klonken. Congo zorgde voor een breekijzer. Hij herschikte zijn regering en op 31 augustus 1960 probeerde hij via radio en televisie de geesten rijp te maken voor "een programma dat radicaal breekt met de gemakkelijke methodes van het verleden". Eyskens' wil was onverzettelijk, de confrontatie onvermijdelijk. "Hij zag te weinig vernieuwing in het economisch beleid van de naoorlogse Belgische regeringen", zegt Smits. "Hij was een aanhanger van Keynes en wilde de economie stimuleren door middel van overheidsinvesteringen. Zijn idee van Economische Expansie was ongetwijfeld radicaal vernieuwend. Het brak met de ideeën van de conservatieve economen die het in de jaren vijftig voor het zeggen hadden." Er werd in de Wetstraat 16 druk gezocht naar paardenmiddelen. In 1960 werd het Nationaal Comité voor Economische Expansie opgericht dat zich tot doel stelde: "nieuwe werkgelegenheid scheppen en de levensstandaard van de bevolking verhogen". Christen-democraten en liberalen voegden aan de regeringstafel hun voorstellen ter bestrijding van de crisis samen en zo werd de Eenheidswet geboren. Voluit, de wet "voor de economische expansie, de sociale vooruitgang en het financieel herstel". Hij werd op 4 november 1960 ingediend in de Kamer. Eyskens had haast. Het parlement moest er in één keer over stemmen, nog voor de kerstvakantie. De regering moest regeren. Smits: "Eyskens schakelde de mechanismen van pacificatie en overlegdemocratie uit als het ging over de gezondmaking van de publieke financiën en het vrijwaren van de economische groei. Hij wilde geen tijd verliezen. En bovendien geloofde hij heilig in de formele parlementaire democratie. Hij ervoer het als een geruststelling toen hij van de socialistische oppositie hoorde dat ze niet zozeer de Eenheidswet als wel zijn regering weg wilde. Dat was een legitieme parlementaire strijd. Maar dat de straat een regering zou laten vallen? Nee, dat vond hij ondenkbaar."DONDERPREKEN VANOP DE KANSELSHet maakte de patstelling des te groter en de confrontatie op straat des te omvangrijker. En de straat, dat hield voor het Belgische establishment in die dagen ook nog altijd de vrees voor de communisten in. Toen het ACOD op 20 december 1960 het startschot gaf voor de syndicale acties, heette het prompt een "politieke staking" te zijn. Of nog erger, een "revolutionaire stakingsbeweging". "In huidige termen moet je bij die dreiging denken aan D'Orazio tot de honderdste macht", zegt ACW-studax Gilbert De Swert. Achter het revolutionaire orderwoord van structuurhervormingen ging de wil schuil om te breken met het kapitalisme. De nationalisering van cruciale industriële sectoren betekende toen nog iets. Het duurde niet lang of het gerucht werd verspreid dat de stakingskas van het ABVV gespijsd werd door "de Russen". Er wás buitenlandse steun, maar die kwam vooral van Nederlandse en Duitse zusterorganisaties die een kredietlijn openden van maar liefst 40 miljoen frank. Het moet gezegd dat de felste vuurhaarden in Wallonië het eerst opflakkerden op die plaatsen waar communisten het voor het zeggen hadden. Kardinaal Van Roey donderpreekte vanop de Vlaamse kansels tegen het rapaille dat op straat kwam. Tot grote verlegenheid van de christelijke vakvereniging die de stakingen niet steunde. Nochtans slikte ook het ACV en zelfs een deel van de CVP Eyskens' nieuwlichterij niet zonder morren. Alleen bleef die kritiek binnenskamers. P.W. Segers, topman van het ACV en minister in de regering Eyskens, heeft de Eenheidswet nooit publiek verdedigd. In het parlementaire debat kwam hij niet tussen. De Eenheidswet raakte namelijk ook voor katholieke arbeiders aan een aantal heilige huisjes. Zo zette hij het mes in werkloosheidsuitkeringen en ambtenarenpensioenen. Dat waren allemaal thema's die in principe het onderwerp moesten uitmaken van de nog prille traditie van het sociaal-economisch overleg. Eyskens negeerde dat. De Vlaamse centrales deelden de lakens uit in het ACV, in de socialistische vakbond waren dat de Waalse centrales van André Renard. Ook omdat het Vlaanderen sociaal-economisch snel beter begon te gaan dan Wallonië - nota bene dankzij de expansiepolitiek - had het ACV meer redenen om "braaf" te zijn. Eerder dat jaar was overigens een zogenaamd programmatieakkoord afgesloten, het eerste Belgische interprofessioneel akkoord, waarbij de vakbonden zich ertoe hadden verbonden om mee te helpen aan het "behoud van de sociale vrede". Met andere woorden, de aanvaarding van het overlegde en sociaal gecorrigeerde vrije marktsysteem. Maar Renard en de zijnen hadden de katholieken niet nodig om het land vier weken op stelten te zetten. Eyskens nam in de winter van 1960 nog zijn toevlucht tot een beproefde tactiek: hij verdaagde de stemming over de Eenheidswet tot na de kerstvakantie. In de hoop dat de vechtlust zou bekoelen. Maar het baatte niet. Vooral in Wallonië bleef het verzet ongebroken. Kerstmis werd gevierd bij kaarslicht omwille van veelvuldige stroomonderbrekingen. Het vuilnis hoopte zich op in de straten. Brussel werd een bezette stad. De rijkswacht sloeg haar tenten op in het Koninklijk Park. De hulp van het leger werd ingeroepen, wat de Luikse syndicalisten ertoe inspireerde om pamfletten te verspreiden die opriepen tot geweldloosheid. "Soldaten, verraad uw klasse niet. Wij rekenen op U." Tussen 19 december en 22 januari kwam een half miljoen betogers op straat en legden maar liefst vijf miljoen werknemers het werk neer. Er vielen drie doden. Achter de schermen ondernamen de koning, de socialisten en de vakbonden informele pogingen om de scherpe kantjes van de Eenheidswet af te ronden. Laken was vooral bezorgd omdat de stakingen de eenheid van het land bedreigden. BSP-voorzitter Leo Collard drong aan op onderhandelingen. Eyskens negeerde ook dat. Op kerstavond 1961 verketterde hij op radio en televisie de "antidemocratische staking". Toen de Eenheidswet uiteindelijk door een parlementaire meerderheid was goedgekeurd, en de koning enige aarzeling vertoonde bij de ondertekening, was Eyskens naar verluidt oprecht geshockeerd. GEEN OOGST ZONDER MOEITEDe euforie overheerste nog toen in de derde week van januari 1961 de socialistische vakbond de strijd staakte. "Het werk werd hervat, de mensen gingen in groep terug naar binnen, dikwijls onder het zingen van de Internationale." De strijd was niet voor niets geweest, als we Georges Debunne, gewezen topman van de ABVV, mogen geloven. In het ACOD-blad Tribune schreef hij: "Het gevecht dat we geleverd hebben is vol beloften. Geen oogst zonder moeite... Het zaad is gezaaid, de eenheid van allen in de rangen van de ACOD zal zorgen voor de rest..." Zoveel pathos kon niet verhullen dat de kater achteraf stilletjes werd verwerkt. De staking van '60-'61 maakte geen verschil uit voor het eigenmachtige optreden van de regering. De laatste noot van de Internationale was nog niet uitgezongen, of de Eenheidswet werd quasi onversneden toegepast. Bovenop die nederlaag kregen de stakers ook nog eens morele verwijten naar hun hoofd geslingerd. Politiek en patronaat beijverden zich om de syndicalisten te demoniseren. Appellerend aan de brave inborst van de doorsnee Belg werden de oproerkraaiers met de vinger gewezen voor hun "onverantwoord" gedrag. Er werd gegromd over het stakingsrecht. En over de syndicale aansprakelijkheid voor verloren werkuren en vernielingen. Werkgevers en politici dreigden met het Nederlandse voorbeeld. Daar hebben de vakbonden rechtspersoonlijkheid en kunnen ze voor de rechtbank worden gedaagd bij stakingen. Erkennen vakbondskringen vandaag dat de staking de Eenheidswet niet heeft kunnen voorkomen, nog altijd beweren ze fier dat er toch maar vervroegde verkiezingen van kwamen. En dat de liberalen de plaats moesten ruimen voor de socialisten in de regering Lefèvre-Spaak. Het is wel die regering die prompt het stakingsrecht inperkte. Dat gebeurde indirect, door de wetten op de ordehandhaving te herschrijven op maat van de actiemiddelen die tijdens de winterstaking waren aangewend. Ook in 1993 openden de werkgevers het debat over wie de schade moest betalen voor de dagenlang door piketten geblokkeerde industriezones. Het is een debat dat in de jaren negentig almaar scherper zou worden en dat culmineerde in het proces tegen Roberto D'Orazio.VERGIFTIGD DOOR HET COMMUNAUTAIREDe staking tegen de Eenheidswet markeert meer dan één keerpunt in de geschiedenis van België en van de syndicale strijd. Het versneld economische uiteendrijven van Vlaanderen en Wallonië bepaalde mee de tweespalt binnen de socialistische vakbond. De staking werd daardoor ook cruciaal voor de slag tussen voorstanders van het strijdsyndicalisme en het overlegsyndicalisme. De Vlaamse syndicalisten, en zeker het ACV, hadden er vanaf 1961, toen de economische boom zich begon af te tekenen, steeds meer materiële baat bij om de voeten onder de overlegtafel te schuiven. Ordewoorden voor stakingen konden makkelijker als een stok achter de deur blijven staan. Ook de Vlaamse ABVV-topman Louis Major, een parlementair in hart en nieren, was geneigd die weg te volgen. In een slabakkend Wallonië lag dat anders. André Renard, adjunct-algemeen secretaris van het ABVV, werd door al die factoren al op 14 december 1960 veel steviger in de rug geduwd dan de Vlamingen toen hij in Brussel kwam oproepen voor een radicale algemene staking. De vakbondsleden konden kiezen tussen Renards radicalisme of het meer gematigde standpunt van Dore Smets, voorzitter van de Algemene Centrale. Smets haalde het op het nippertje, maar Renard had de twijfel gezaaid. En met die twijfel had hij ook het federalisme in de vakbond binnengehaald. Debunne, die in 1960 toch voor Renards radicalisme had geopteerd, blijft tot op de dag van vandaag de "communautarisering" betreuren. Van het land en a fortiori van de syndicale strijd. Het leidde na de staking tot een breuk in het socialistisch front. Renard richtte het Mouvement Populaire Wallon op, de Waalse FGTB-gewesten klitten strijdbaar samen. Toen Eyskens in 1968 weer op het politieke voorplan kwam, en een regering vormde met Merlot, betreurde Debunne dat "alleen de communautaire standpunten van die regering aanleiding (gaven) tot betwistingen in het parlement". Vanaf dat jaar, zo schreef Debunne, zou de communautaire kwestie "voortaan alle discussies die ik met de opeenvolgende regeringen had vergiftigen". Ironisch, want het was mede een resultaat van de strijd die in de winter van '60-'61 op straat had gewoed. Van het Renardisme dat vrij snel omarmd zou worden door de Waalse regionalisten in de PS, die veelal hun strepen hadden verdiend in die stakingswinter. Socialistisch Wallonië legde de eis voor meer economische autonomie op tafel. De grondwetsherziening van 1970 was er de verlate vrucht van. Bijna veertig jaar later is de communautaire discussie veel actueler in de vakbond dan die tussen strijd- en overlegsyndicalisme. Dat laatste debat wakkert nu en dan nog eens op in achterhoedegevechten, zoals in de strijd om Forges de Clabecq. Maar eigenlijk werd dat debat al in de winter van '60-'61 beslecht. In de jaren die volgden, kreeg het gebouw van het Belgische overleg stilaan vorm. Het is in die periode dat de meeste adviesorganen het licht zagen.NIEUWE BEWEGINGEN OP STRAATDe mobilisatie was in 1960 nog te machtig om op dat moment over verschillende communautaire of syndicale snelheden te zitten kniezen. Na vier jaar paarse regering Van Acker, en dus periodieke onthouding van het ABVV, jeukte de strijdlust. Zo rood had de horizont nog nooit gegloeid. Wat Debunne van die gloed neerpende in zijn memoires, is kenschetsend voor de kering in de tijdgeest: "Weinigen hadden geloofd in dit soort opstand, in deze vloedgolf! Toen al werd gezegd dat de arbeiders niet meer in staat waren actie te voeren, dat ze geïntegreerd waren in het systeem. Men zei dat ze verslaafd waren, dat hun belangstelling niet verder ging dan de aanschaf van een tv-toestel, een bromfiets of een autootje. Moesten ze niet nauwgezet de aflossingen betalen van de elektrische huishoudapparaten die ze op krediet hadden gekocht? Het ontwaken uit deze illusie was voor niet weinigen brutaal. (...) Voor het eerst sinds lange tijd kwamen honderdduizenden arbeiders in beweging, niet voor een onmiddellijk financieel voordeel, maar om hun waardigheid als mens te verdedigen. En daarbij keken ze verder en hoger dan dat onmiddellijke belang." In het vervolg van de jaren zestig zou de macht om de straat te beroeren verglijden van de vakbonden naar nieuwe pressiegroepen die inderdaad verder keken dan het onmiddellijke belang, en al helemaal verder dan het louter sociaal-economische belang. In het maatschappelijk discours werd welvaart steeds vaker vervangen door welzijn. Het noopte de vakbonden tot een zeer moeizame herbronning. Met wisselend succes, zoals ABVV'er Luc Vanneste getuigde ten tijde van de mislukte 24-urenstaking van 1996: "Eerst en vooral zijn we al lang niet meer de enige belangrijke pressiegroep in de samenleving. Sommigen leven nog met die illusie, maar dat beeld klopt niet langer. Onze bijdrage is veeleer bescheiden. We zullen de wereld niet meer veranderen. In de jaren vijftig hadden we ongetwijfeld een grotere impact, zo ook tijdens de staking van '60-'61. Desondanks waren de resultaten niet echt spectaculair." Toen Debunne op 1 mei 1968 secretaris-generaal van het ABVV werd, bestelde hij prompt een aantal universitaire studies over "de mutaties in de moderne samenleving" en de impact daarvan op de vakbond. Het mondde uit in het buitengewoon congres van 1971. Op dat moment was Debunne al veel minder zeker of de vakbond nog wel opkon tegen de materiële "verslavingen" van de werknemers. Hij had het dan over "een maatschappijmodel dat van de mens een ding maakte dat gemanipuleerd werd door reclame en consumptiedrang, dat de arbeiders in het bedrijf in een ondergeschikte positie hield, dat egoïsme en begeerte aanwakkerde, en daardoor het geweld in zich droeg." Het is dus zeker niet alleen te wijten aan het succes van het sociaal overleg, laat staan aan het aanvaarden van de vrije markt, dat de vakbond vanaf 1960 steeds minder op straat komt. Smits: "Tot dan toe hadden de klassieke zuilorganisaties, de traditionele partijen en de vakbonden, de sleutel voor de mobilisatie op zak. Dat verandert door de opkomst van nieuwe sociale bewegingen. Ze mobiliseren rond milieu, vrede en veiligheid, derde wereld. Er waren toen meer betogingen dan voor 1960, maar de omvang was wel kleiner. De rakettenbetogingen van de jaren tachtig vormen daar een uitzondering op, maar dat kwam dan ook omdat de socialistische vakbond en de christelijke arbeidersbeweging mee op de kar sprongen." Nog andere trends in de samenleving veranderen de vakbonden. Maes: "De mei '68'ers dringen door in het kader van de vakbeweging in de jaren zeventig. Dat leidde tot een ideologische radicalisering van de programma's. We geloofden in planning en de maakbaarheid van de samenleving. Maar vanaf 1980 keert het tij. Dan blijkt dat de vakbond te weinig rekening heeft gehouden met de materiële effecten van de crisis die zich al in de jaren zeventig aftekende. De syndicale strijd wordt pragmatischer. Men ziet in dat de realiteit weerbarstiger is dan in mei '68 werd geloofd, en er wordt meer rekening gehouden met gegevens zoals de crisis van de publieke financiën. Vooral de instabiliteit van de regeringen aan de vooravond van de jaren tachtig en de devaluatie onder Wilfried Martens nopen tot meer realisme." Ook de atomisering en individualisering van de maatschappij zet aan tot een meer pragmatische vakbondswerking. Smits: "De ideologische banden tussen de vakbond en zijn leden kalven af. Er wordt naar iets anders uitgekeken en men zoekt het meer in cliëntelisme. De arbeidersbewegingen evolueren in een zekere mate naar dienstverlenende organisaties. Om een nieuwe ideologische binding te vinden, zoeken ze hun terrein van belangenbehartiging uit te breiden naar nieuwe thema's." Een vorm van welbegrepen sociaal opportunisme. TERUG NAAR DE STRAATSamen met de tegenvallende economische conjunctuur onder de regeringen Martens krijgen de vakbonden ideologische tegenwind. Het neoliberale denken doet met Guy Verhofstadt zijn intrede in de Belgische politiek. De vakbonden liggen onder permanent spervuur. Dat is vandaag in sommige kringen nog altijd zo. Toch begint de crisis van de politieke democratie, met Zwarte Zondag van 1991 als eerste katalysator, de slinger stilaan in een andere richting te duwen. "Het ontzuilingsdebat is passé", zegt Marc Maes. "Die ontzuiling heeft zich voltrokken. Zeker ideologisch, structureel heb je natuurlijk nog altijd vele banden. Maar het debat is gewijzigd. Je merkt een duidelijke herwaardering van het middenveld. Het inzicht is gegroeid dat de politieke crisis juist samenhangt met de teloorgang van allerlei sociale netwerken, vooral in de steden. Ook Oost-Europa heeft ons dat geleerd. Na de val van de Muur neemt de maffia het over bij gebrek aan middenveld. De democratie is het gezondst op die plaatsen waar je een veelzijdig verenigingsleven hebt. Welke plaats de vakbonden in dat middenveld in de toekomst zullen innemen, is een andere vraag." De verovering van de straat krijgt hiermee ook voor de vakbonden een totaal andere connotatie dan in '60-'61. Het gaat niet meer alleen om economische democratie maar om democratie tout court. In die zin is de actuele strijd van de vakbonden tegen links en rechts extremisme in de eigen rangen en daarbuiten veeleer een politieke strijd dan een voortzetting van het aloude conflict tussen straatvechters en onderhandelaars. In de kamp die vandaag tussen het ABVV en de PvdA woedt, komen de twee conflicten samen. In de beweging om de straat te heroveren door netwerken te herstellen, dient zich de laatste jaren toch ook weer een nieuwe sociaal-economische niche voor de vakbonden aan. De arbeidswereld slaat creatievere wegen in, onder andere die van de buurteconomie en de sociale economie. Misschien vinden de vakbonden op hun aloude terrein, arbeid en tewerkstelling, dus toch nog een nieuwe reden van bestaan en strijd. Het zorgt er in elk geval vandaag al voor dat de soms wat krampachtige zoektocht van de vakbonden naar andere thema's en allianties met nieuwe bewegingen, zoniet is afgebroken dan toch minder rusteloos wordt. Alleen de D'Orazio's van deze wereld dragen nog fier het oude kleed van '60-'61. Het is het kleed van een syndicale strijd die geënt was op de grootschalige industrie en op de notie van een homogene arbeidersklasse. Bijna voltooid verleden tijd.Met dank aan Jozef Smits, Marc Maes, Gilbert De Swert. Geraadpleegde lectuur. "Ik heb mijn zeg gehad", memoires van Georges Debunne, Kritak, 1988. "Democratie op straat", Jozef Smits, Acco, 1984. "Sociaal-economisch overleg in België sedert 1918", Dirk Luyten, VUBPress, 1995. Volgende week: Congo wordt onafhankelijk.Filip Rogiers