Ik zou willen sterven als de mannetjesbijen die, als ze alles gegeven hebben, niet levend op de aarde terechtkomen". Dat schreef de Franstalige Vlaamse schrijver André Baillon in een van zijn laatste brieven aan een vriend. Hij zou vijf dagen later sterven in een Frans ziekenhuis, zonder evenwel alles gegeven te hebben. Hij had toen al enkele verblijven in het Parijse krankzinnigengesticht Salpêtrière en een zelfmoordpoging achter de rug. Zijn roman "Un homme si simple" (1925), waarvan de vertaling "Een doodeenvoudig man" hem zestig jaar later enige bekendheid opleverde in het Nederlandse taalgebied, vatte het drama van deze man al vrij goed samen: "De geest is gewillig, het vlees is zwak en het verstand is broos".
...

Ik zou willen sterven als de mannetjesbijen die, als ze alles gegeven hebben, niet levend op de aarde terechtkomen". Dat schreef de Franstalige Vlaamse schrijver André Baillon in een van zijn laatste brieven aan een vriend. Hij zou vijf dagen later sterven in een Frans ziekenhuis, zonder evenwel alles gegeven te hebben. Hij had toen al enkele verblijven in het Parijse krankzinnigengesticht Salpêtrière en een zelfmoordpoging achter de rug. Zijn roman "Un homme si simple" (1925), waarvan de vertaling "Een doodeenvoudig man" hem zestig jaar later enige bekendheid opleverde in het Nederlandse taalgebied, vatte het drama van deze man al vrij goed samen: "De geest is gewillig, het vlees is zwak en het verstand is broos". Enkele pittige krenten in een verder oneetbaar brood. Dat is, om zijn stijl even te persifleren, het zelfbeeld van Baillon. Zijn gitzwarte zelfspot maakte dat beeld niet beter verteerbaar. Een misantroop was hij, maar met te weinig lef om de mensheid stijlvol uit te dagen. Te gewillig om niet uit de band te springen. "Zegt u mij eens: u loopt over straat, u hebt een stevige wandelstok in uw hand; bekruipt de lust u niet om er de vent die ginds komt aanzetten de hersens mee in te slaan? Maar als die vent, nog voor uw wandelstok, een bananenschil op zijn weg vindt en valt, dan snelt u hem te hulp, nietwaar?" In de jeugdherinneringen die hij neerschreef in "Het neefje van Mademoiselle Autorité" (1930) komt die gespletenheid telkens weer. We zien een pientere knaap opgroeien in een verstikkend katholiek milieu. Na de dood van zijn moeder, van liberalen huize, wordt hij door een kwezel van een tante, Louise ofte Mademoiselle Autorité, van het kosmopolitische Antwerpen naar het provincienest Dendermonde verpot. De kleine André - Henry in het boek - heeft scherpe inzichten over het leven zoals het werkelijk is, maar tegelijkertijd laat hij begaan. Laat hij zich gewillig inkapselen, letterlijk en figuurlijk met lintjes en strikjes omhangen. Eén keer maar komt het op de schoolbanken bij de jezuïeten tot een geloofscrisis, maar hij capituleert vrij snel. MET DE GLIMLACH GEBORENDeze passage vat zijn gespletenheid vrij goed samen. "Als u me in de catechismusles vroeg: 'Wat is de mens?', zou ik bij mezelf schertsend denken: 'De mens is een dikke pens', maar zonder één woord verkeerd te zetten antwoorden: 'De mens is een schepsel Gods, begiftigd met een sterfelijk lichaam en een onsterfelijke ziel'." Ook van tante Louise heeft hij een tegenstrijdig beeld. Zij ontfermt zich over de meisjes om hen te behoeden voor "de gevaren die hen op zondagmiddag belagen". "Het staat vast dat ze nooit zal trouwen. Ze moet zich wijden aan haar vader en aan de Goede God, die van maagden houdt. Deze maagd is veertig. Droog, overal plat, opgetakeld volgens de regels van de volmaakte bescheidenheid, lijkt ze ouder". Ze heeft kleine gaatjes in de huid van haar neus, en glimlachen kan ze niet omwille van een grote mond en vooruitspringende lippen ("vanwege een slecht passend kunstgebit"). Natuurlijk lijdt ze aan migraine. Pagina's lang leert de lezer haar kennen als een onuitstaanbaar pokkenwijf. En toch bezweert Baillon ons naar het einde van het boek dat ze geen helleveeg was, maar "een en al goedheid, liefdevol, zachtaardig voor zover haar principes en haar gezagsgetrouwheid dat toestonden. Die goedheid zat aan de binnenkant. Nu en dan vroeg ze om eruit te mogen". De kleine Baillon ziet overal redenen tot rebellie, maar schuldgevoelens, zwakte en - au fond - desinteresse laten hem verder in de pas lopen. Dit is zowat de saaiste literaire autobiografie die een mens zich kan indenken. Baillon geeft voortdurend de indruk een man te zijn geweest die het zijne dacht van de mensen en de gebeurtenissen rond hem, maar altijd zweeg. En omdat ook het schrijven niet zo lekker liep, was zijn neurasthenie verzekerd. Vechten deed hij al lang niet meer, deze doodeenvoudige man die toevallig ook een pen kon vasthouden, toen hij in 1930 "Het neefje van Mademoiselle Autorité" schreef. Het moest uitgroeien tot de cyclus getiteld "Des vivants et des morts". Er groeide niets meer. En het eerste deeltje geeft zelf al de indruk dat het met veel verveling geschreven is. Alsof Baillon tijdens het schrijven zelf begon te twijfelen aan de zin van zijn onderneming. Een jaar later probeerde hij zichzelf van het leven te beroven. Hij stierf zonder alles gegeven te hebben. Zijn dood in 1932, in een Frans ziekenhuis, had dan ook niets weg van die van de mannetjesbij. En dan te bedenken dat hij met een bevroren glimlach op zijn gezicht werd geboren. Begin maar eens te schoppen als iedereen op je gezicht meent te lezen dat je het leven best te pruimen vindt. "Wanneer ik op mijn doodsbed lig, zullen ze nog zeggen: 'Hij is tenminste gelukkig gestorven. Kijk maar, hij glimlacht.'"André Baillon, "Het neefje van Mademoiselle Autorité", Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 144 blz.Filip Rogiers