Wessel te Gussinklo, 'Aangeraakt door goden', Querido, Amsterdam, 282 blz., euro 18,95.
...

Wessel te Gussinklo, 'Aangeraakt door goden', Querido, Amsterdam, 282 blz., euro 18,95.Ooit was hij een onhandelbaar jongetje dat drie keer het tweede middelbaar moest overzitten. Maar toen zijn leraar net voor de zomervakantie een verhaal voorlas van Jean-Paul Sartre, vielen Wessel te Gussinklo (°1941) de schellen van de ogen. Ook al had hij voor Frans al jaren een onvoldoende, hij moest en zou meer van Sartre te weten komen. Wat de Franse existentialist schreef en dacht, was het antwoord op de puberteitscrisis die Te Gussinklo toen meemaakte. Eindelijk had hij zijn goeroe gevonden om als perfecte poseur door het leven te gaan: 'Want als niemand zichzelf was, niemand 'echt' kon zijn (...) maakte het niet meer uit hoe je ook deed: als het maar zoveel mogelijk effect en succes had.'Te Gussinklo schreef jaren geleden over die jeugdige geblaseerdheid twee romans ( De verboden tuin en vooral De opdracht) die haarfijn (soms té) en aandoenlijk het zelfbedrog van een dergelijk esthetisch credo aanschouwelijk maken. Het is immers niet omdat het leven na de dood van God geen aantoonbare zin heeft, dat het daarom kil en koud wordt en de mens zich maar beter wapent in een superieure onverschilligheid. Nee, wie zich als schrijver respecteert, moet durven kijken naar wat zich achter de façade van de absurditeit zou kunnen bevinden. Dat besefte Te Gussinklo pas vele jaren later en nadat hij kennis had gemaakt met andere filosofen en schrijvers: 'Waarover men niet spreken kan, juist daarover moet men hakkelen, stotteren; want daar zit het geheim, het raadsel: het ene en onzegbare dat alles verzoent.' Het is misleidend dat Te Gussinklo Aangeraakt door goden, zijn reflecties over zijn schrijverschap en over literatuur in het algemeen, als een roman kwalificeert. Eigenlijk gaat het hier immers om een autobiographie raisonnée. Te Gussinklo gaat op zoek naar de roots van zijn schrijverij door zich rekenschap te geven van zijn lezende en schrijvende leven van puberale tiener tot de zestiger die hij vandaag is. Hoe Sartre hem wakker schudde en hoe Simon Vestdijk en vooral Harry Mulisch hem toonden hoe het echt moest. Het is knap hoe een auteur open en bloot durft te laten zien dat schrijven niet alleen een zaak is van woorden, en woorden alleen, maar ook van visie. Het is ook lang geleden dat iemand de voedingsbodem van de naoorlogse Nederlandse literatuur op zo een persoonlijke en treffende wijze in beeld heeft gebracht. Het jonge werk van de Grote Drie is immers ondenkbaar zonder het existentialisme. De avonden van Gerard van het Reve, De donkere kamer van Damocles van Willem Frederik Hermans en Het stenen bruidsbed van Mulisch baden volop in die vervreemdende atmosfeer van het absolute niets en de al even absolute eenzaamheid: 'Niets voelen (...), behalve het grote en absolute: de eenzaamheid, de dood, de verlorenheid van het menselijk bestaan in de ruimte en de eeuwigheid (en wat was de mens? - onkenbaar was hij).' Het is eveneens interessant om zien hoe Arnon Grunberg, het boegbeeld van de modieuze Nix-ers uit de jaren '90, met zijn nieuwste roman, De asielzoeker, eigenlijk weer aanknoopt bij deze existentialistische poëtica uit de jaren '50. Grunberg: een retro-artiest? Het is maar een van de vele verrassende inkijkjes die dit autobiografisch zelfonderzoek voor de lezer van vandaag opleveren. Te Gussinklo vertelt hoe hij zich met vallen en opstaan geleidelijk aan losmaakt uit dit verstikkende, negativistische cocon. In het voetspoor van zijn idool Mulisch - die soms iets te veel wordt bewierookt in dit boek, ook al is Te Gussinklo niet blind voor het 'stripachtige', het gemaakte van diens oeuvre - ontwikkelt hij een meer romantische zienswijze. Kunstenaars hebben een zesde zintuig voor het raadsel van het bestaan en zij moeten dit raadsel niet pedant ontkennen maar precies uitvergroten. Ook al blijft de zin van het leven een mysterie, de literatuur kan het suggestief omcirkelen en daardoor tastbaarder maken. Te Gussinklo sluit zijn essay af met een vergelijkend artistiek warenonderzoek. Welke kunsttak heeft het in zich om de onpeilbare diepte van het leven het best op te roepen? Te Gussinklo bekent dat hij ooit viel voor de directe expressiekracht van de muziek en nu nog plaatst hij aarzelend de muziek op dezelfde hoogte als de literatuur en alleszins boven de film en de plastische kunsten: 'De film toont het, maar niet van binnenuit - koud en van buitenaf; de muziek laat het horen, maar alleen de hoop, het verlangen of de woede, de razernij, de verslagenheid - niet het denken, het piekeren, het wikken en wegen.'Te Gussinklo is in dit boek een onweerstaanbare denker-piekeraar, een wikker en weger van de eigen voor- en afkeuren, die hoopt dat de schrijver de lezer een glimp kan laten zien van het chaotische, pulserende leven onder de oppervlakte. Vandaar zijn nogal romantische slotsom in verband met schrijven: 'Wij zijn de maat, de zieners van het mateloze.'Jammer dat de autodidact Te Gussinklo in zijn bevlogen enthousiasme voor het existentialisme, het Frans zelf blijkbaar niet altijd helemaal onder de knie heeft. Of dat de redacteur van uitgeverij Querido heeft zitten slapen bij de eindredactie van Te Gussinklo's werkstuk. Hoe verklaar je het anders dat keer op keer Franse woorden verkeerd worden gespeld en nog niet de minste. La mauvaise foi - 'de kwade trouw' uit het existentialistische gedachtegoed - wordt hier abusievelijk la mauvais fois en les extrêmes se touchent wordt verminkt tot les extremes se touches! Het accent op à la staat verkeerd en musée verliest de eind-e als het over het imaginaire museum van André Malraux gaat. Moet het dan verbazen dat plots ook Nederlandse errata opvallen: veherenter in plaats van vehementer, amalgaan in plaats van amalgaam en Combrowicz in plaats van Gombrowicz. Kortom, aangeraakt zijn door goden is mooi, maar het is wel zaak je niet te laten verblinden. Frank Hellemans