Na het fatale schot in Sarajevo dat een aanleiding was voor de Eerste Wereldoorlog werd ook de Arabische wereld meegesleurd in de strijd tussen de Europese grootmachten. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk heersten immers over het grootste deel van Noord-Afrika, en in november 1914 verklaarden beide mogendheden het Duitsgezinde Ottomaanse Rijk de oorlog. Dat omvatte onder meer het kustgebied van het Arabische schiereiland tot aan de Middellandse Zee, en het huidige Irak. Een overwinning op de sultan kon voor Londen en Parijs dus een flinke gebiedsuitbreiding betekenen.
...

Na het fatale schot in Sarajevo dat een aanleiding was voor de Eerste Wereldoorlog werd ook de Arabische wereld meegesleurd in de strijd tussen de Europese grootmachten. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk heersten immers over het grootste deel van Noord-Afrika, en in november 1914 verklaarden beide mogendheden het Duitsgezinde Ottomaanse Rijk de oorlog. Dat omvatte onder meer het kustgebied van het Arabische schiereiland tot aan de Middellandse Zee, en het huidige Irak. Een overwinning op de sultan kon voor Londen en Parijs dus een flinke gebiedsuitbreiding betekenen. De Turken, die te velde vaak bevolen werden door ervaren Duitse officieren, bleken taaie tegenstanders. Hun herhaalde aanvallen op het Suezkanaal werden afgeslagen, maar bij Al-Kut, op 170 kilometer ten zuiden van Bagdad, brachten ze de Britten in april 1916 een van de zwaarste nederlagen uit hun geschiedenis toe. De weerklank van dat fiasco was zo groot dat emir Hoessein Ibn Ali, sjarif van Mekka en de belangrijkste Arabische leider, besloot het British Empire te hulp te komen. Het Verenigd Koninkrijk was weliswaar een koloniale én christelijke mogendheid, maar het gedroeg zich in elk geval beschaafder dan de Ottomaanse bezetter, redeneerde Hoessein. Op 9 juni 1916 gaf de 63-jarige emir in Mekka het startschot voor de Arabische Revolutie. Na bloedige straatgevechten werd de allerheiligste stad van de islam bevrijd van de Turken. Ook in de nabijgelegen havenstad Jeddah moest het Turkse garnizoen wijken voor de Arabische opstandelingen, die vuursteun hadden gekregen van een flottielje van de Royal Navy. Zowel emir Hoessein als de Britten beseften echter dat om de Ottomaanse militaire macht te breken, de samenwerking veel verder moest gaan dan wat occasionele hulp. Het Britse hoofdkwartier in Caïro leverde lichte vuurwapens, en stuurde ook officieren naar het Arabische schiereiland. Onder hen de ervaren cartograaf Stewart Newcombe en de explosievenexpert Henry Garland. Die leerde de Arabieren de knepen van de moderne oorlogvoering en ondernam zelf enkele succesvolle raids. Toch zou het grote publiek slechts één naam onthouden: die van de excentrieke kapitein Thomas Edward Lawrence. Hoewel hij geen gevechtservaring had en lak had aan de strakke legerdiscipline, werd Lawrence aangeduid als adviseur van Hoesseins derde zoon, prins Feisal. Als archeoloog had hij immers delen van Ottomaans Arabië doorkruist, en bovendien sprak hij behoorlijk Arabisch, met inbegrip van de lokale varianten. Wat zijn superieuren echter niet wisten, was dat hun verbindingsman ook eigen plannen had. Anders dan de generaals en de politici in Londen beschouwde Lawrence de Arabische Revolutie niet louter als een instrument in de strijd tegen het Ottomaanse Rijk maar als de weg naar een vrij Arabië. In zijn naoorlogse geschriften beweerde Lawrence dat hij al als student in Oxford droomde van de bevrijding van Arabië. Waar of niet, feit is dat Lawrence een grote belangstelling voor het Midden-Oosten had, lang voor hij vanaf 1910 de regio begon te bereizen. De aanstelling als adviseur van een van de belangrijkste Arabische leiders kwam dan ook als een geschenk uit de hemel. Het klikte meteen tussen Lawrence en Feisal. Over de eerste ontmoeting met de prins in oktober 1916 schreef Lawrence: 'Ik voelde al onmiddellijk dat dit de man was naar wie ik in Arabië op zoek was, de leider die de Arabische Revolutie tot een roemrijk einde zou brengen.' Van emir Hoesseins vier zonen was Feisal inderdaad de invloedrijkste. Bovendien beschikte hij over een flinke dosis politiek talent. Net als Lawrence koesterde de prins grootse plannen voor het Arabische subcontinent. Maar eerst moest er natuurlijk een oorlog worden gewonnen. Omdat Lawrence het ruige Arabische krijgsvolk kon enthousiasmeren en een kundig tacticus bleek, kreeg hij een aantal troepen onder zijn bevel. Aan het hoofd van zijn woestijnlegertje nam de als een inheemse chef uitgedoste Brit deel aan de verovering van de Arabische westkust. Zowel voor Feisal als voor Lawrence was het einddoel van de campagne het verre Damascus. De Syrische hoofdstad was immers een belangrijk militair bolwerk én het vertrekpunt van de Hejazspoorweg, de voor de Turken vitale verbinding met Medina. Een belangrijke etappe op de weg naar Damascus was de verovering van Akaba, vandaag de enige havenstad van Jordanië. Vandaar uit zouden de Britten hun Arabische bondgenoten gemakkelijk kunnen bevoorraden en konden verdere operaties in noordelijke richting worden ondernomen. De snelle inname van Akaba op 6 juli 1917 verbaasde vriend en vijand, en was in grote mate het resultaat van het leiderschap van Lawrence. De studie van de militaire geschiedenis tijdens zijn Oxfordjaren had gerendeerd: als een twintigste-eeuwse Hannibal had Lawrence zijn tegenstanders volkomen verrast. Samen met zijn ruiters was hij niet via het hooggebergte gekomen, maar via de Arabische woestijnen, waarvan geen enkele weldenkende Turkse militair geloofde dat ze als aanvalsroute konden dienen. De Turkse artillerie in Akaba stond dan ook naar de Rode Zee gericht. Akaba was een mijlpaal in de oorlog én in de carrière van Lawrence. Voortaan stond de door collega's-beroepsofficieren misprezen zonderling onder de hoge bescherming van generaal Edmund Allenby. Die veteraan van het westelijke front was in juni 1917 aangesteld als bevelhebber van de multinationale Egyptian Expeditionary Force, en zorgde ervoor dat Lawrence op zijn wenken bediend werd telkens als hij om wapens en ander materieel vroeg. In november 1917 kreeg de intussen tot majoor bevorderde woestijnstrijder zelfs gloednieuwe pantserwagens ter beschikking. Ook had Lawrence koffers geld nodig, want van nogal wat stammen moest de loyauteit worden afgekocht. Emir Hoessein en zijn zonen mochten dan wel tot een van de belangrijkste families in de Arabische wereld behoren, het betekende niet dat alle clanleiders zonder meer bereid waren vrije doorgang te verlenen of troepen te leveren. Na de inname van Akaba koos Lawrence, in navolging van kapitein Garland en andere waaghalzen, resoluut voor de guerrilla. De mobiliteit en onverschrokkenheid van zijn op kamelen en paarden gezeten krijgers leenden zich uitstekend voor dit soort oorlogvoering. Met Akaba en de nabijgelegen Wadi Rumwoestijn als uitvalsbasis trokken de irreguliere strijders eropuit om treinen, bruggen en viaducten op te blazen. Ook Turkse posten werden geregeld aangevallen. De raids hadden tot doel een eventuele Turkse aanval op Akaba te ontraden en het logistieke systeem van de vijand te ontwrichten. Precies in die avontuurlijke periode kreeg Lawrence het bezoek van de Amerikaanse journalist en fotograaf Lowell Thomas. Die had aan de fronten in Europa vergeefs gezocht naar goede oorlogsbeelden. De heroïsche taferelen van de door een blonde Europeaan in exotische klederdracht aangevoerde krijgers waren inderdaad wat anders dan de grauwe massa frontsoldaten in de loopgraven van Vlaanderen en Frankrijk. Het thuispubliek was verzot op Lowells fotoreportages, die - samen met de vele geschriften van de ijdele Britse officier - de Lawrencelegende creëerden. Toch was de oorlog die Lawrence voerde ook een ' dirty mess'. Bij de aanval op een legertrein in november 1917 werden verscheidene Turkse militairen en bemanningsleden de lucht ingeblazen en raakte Lawrence besmeurd met de ingewanden van een van hen. Een andere keer gaf hij een zwaargewonde vriend het genadeschot omdat hij wilde voorkomen dat de Turken de jongeman zouden doodfolteren. Verscheidene malen moordden de soldaten van de sultan hele dorpen uit, wat altijd resulteerde in bloedige wraakacties. Bij het gevecht in Tafileh, de enige geregelde veldslag die Lawrence leverde, kregen de Arabische rebellen de hulp van honderden Armeniërs. Die waren aan de volkerenmoord van 1915 ontsnapt en hielpen gewapend met messen en hooivorken enthousiast mee bij het afslachten van gewonde en krijgsgevangen Turken. Het deerde Lawrence niet. In de tribale samenleving van het Arabische schiereiland heersten andere opvattingen over oorlogvoeren dan in Europa, zo verantwoordde hij zich tot afgrijzen van andere Britse militairen. Bovendien claimde hij (terecht) dat ook de Turken geen genade toonden jegens gevangengenomen Arabieren. Wat Lawrence wel danig verontrustte, was dat hij almaar meer een pion leek te worden in de Britse Midden-Oostenpolitiek. Generaal Allenby, die eind oktober 1917 een grootscheeps offensief in Palestina was begonnen, maakte er geen geheim van dat hij de Arabische ruiterscharen als een hulpleger ter bescherming van de Britse rechterflank beschouwde. En inderdaad, Lawrence' irreguliere strijdmacht en de troepen van Feisals broer Abdullah, die Medina belegerden, hielden verscheidene Turkse divisies op een afstand. Als blijk van erkentelijkheid mocht Lawrence de generaal vergezellen tijdens diens triomfantelijke intocht in Jeruzalem op 11 december 1917. Hoewel hij zichtbaar genoot van de eer, koesterde Lawrence geen enkele illusie meer omtrent de bedoelingen van de Britten en hun Franse bondgenoten ten aanzien van de Arabische kwestie. Eind 1917 waren immers de bepalingen van het geheime Sykes-Picotakkoord uitgelekt, waarin Londen en Parijs afspraken hadden gemaakt over de verdeling van 'de buit' na de oorlog. Frankrijk had de Britten immers flink geholpen tijdens de grootschalige operaties op het Turkse schiereiland Gallipoli, en had ook militairen en wapens naar Arabië gezonden. Door het gesjacher op hoog niveau zat Lawrence geprangd tussen zijn plichten als Brits officier, en zijn diepste persoonlijke overtuigingen en trouw aan Feisal. Hij meende dat de Arabische Revolutie alleen nog kans op slagen had indien zijn krijgers Damascus zouden bereiken vóór de troepen van Allenby. Verbeten vocht zijn guerrillalegertje zich een weg naar de Syrische hoofdstad. Op 1 oktober 1918 trok Lawrence de stad binnen... gelijktijdig met een Australische cavaleriebrigade. De Australiërs vormden de voorhoede van Allenby's grote multinationale strijdmacht, die het Turkse leger ruim een week eerder vernietigd had bij Megiddo (in het huidige Israël). Die veldslag had in één klap duidelijk gemaakt wie de nieuwe meesters in het Midden-Oosten waren. Eind oktober legde het Ottomaanse Rijk de wapens neer. De pragmatische Feisal begreep dat hij zich zou moeten schikken naar de wil van de oppermachtige Britten. Lawrence kon zijn verbittering echter niet verbergen en vertrok al op 4 oktober naar het Verenigd Koninkrijk. Allenby had zijn ondergeschikte met tegenzin laten gaan en had hem nog vlug beloond met de kolonelsrang, die gaf recht op een treinticket eerste klasse en een eigen scheepscabine. Ook ver van de woestijn bleef Lawrence dromen van een vrije Arabische wereld. Tijdens de vredesconferentie van Versailles begin 1919 maakte hij deel uit van de door Feisal geleide Arabische delegatie. Hij kon er alleen maar vaststellen dat de delegatie pro forma was uitgenodigd. De Arabische leider werd later dan wel koning van Irak, maar dan wel onder supervisie van de Britten, die het land in naam van de Volkenbond bestuurden. Feisals broer Abdullah kreeg dezelfde rol toebedeeld in Jordanië. Ook Palestina en nagenoeg de hele oost- en zuidkust van het Arabische schiereiland kwamen onder Brits gezag, terwijl Syrië en Libanon werden ingepalmd door Frankrijk. Alleen het dunbevolkte Hejazkoninkrijk, ongeveer het huidige Saudi-Arabië, werd effectief onafhankelijk, maar het land begon pas mee te tellen vanaf de jaren veertig, toen het zijn gigantische oliereserves begon aan te boren. Lawrence stond erbij en keek ernaar. Nadat hij enige tijd had gewerkt als adviseur van minister van Koloniën Winston Churchill, trok hij zich in 1922 terug uit het openbare leven. In mei 1935 maakte een motorongeval een einde aan zijn leven. Nauwelijks een jaar later namen in Palestina duizenden Arabieren de wapens op tegen de Britten en hun Joodse medestanders. De opstand werd bloedig onderdrukt. Maar rust zou de regio sindsdien nooit meer kennen.GERAADPLEEGDE LITERATUUR: A GREAVES. LAWRENCE OF ARABIA. MIRAGE OF A DESERT WAR. LONDEN, 2007. DOOR FRANK DECAT