In een week tijd zijn ze drie keer bijeen geweest, in totaal een uur of tien. Daarmee hielden de leiders van de werkgeversverenigingen en de vakbonden het voor bekeken: er komt geen centraal akkoord 2003-2004 voor de 2,5 miljoen werknemers uit de privésector. De sociale partners van de Groep van Tien zijn verzuurd uiteengegaan, met de vage verwachting dat de regering hen tot een extra zitting dwingt om alsnog een compromis te vinden over de maximale loonkostenstijging in de komende twee jaar.
...

In een week tijd zijn ze drie keer bijeen geweest, in totaal een uur of tien. Daarmee hielden de leiders van de werkgeversverenigingen en de vakbonden het voor bekeken: er komt geen centraal akkoord 2003-2004 voor de 2,5 miljoen werknemers uit de privésector. De sociale partners van de Groep van Tien zijn verzuurd uiteengegaan, met de vage verwachting dat de regering hen tot een extra zitting dwingt om alsnog een compromis te vinden over de maximale loonkostenstijging in de komende twee jaar. De vorige keren betoonden de sociale partners meer doorzettingsvermogen en geloof in sociale akkoorden, in even moeilijke economische tijden. Nu was de mislukking als het ware aangekondigd. Voorzitter Luc Vansteenkiste van het Verbond van Belgische Ondernemingen - als topman van de schuimrubbergroep Recticel de enige 'werkende' sociale partner - waarschuwde al maanden: beter geen akkoord, dan een slecht akkoord. Dat was een risicovolle opmerking. Want uitgerekend geen akkoord is een slecht akkoord: zonder algemeen ordenend centraal akkoord voor het hele bedrijfsleven daalt het sociaal overleg tot het niveau van de bedrijfstakken en zelfs van de ondernemingen. Overleg degenereert daar snel tot machtsstrijd, met onvermijdelijk sociale conflicten. Het is niet onwaarschijnlijk dat sectoren en bedrijven straks de vakbondseisen (en zelfs meer) aanvaarden, die hun nationale vertegenwoordigers hebben afgewezen. Over niets gaan de onderhandelaars van werkgevers en vakbonden in de Groep van Tien akkoord. Niet over het brugpensioen, niet over het tijdskrediet, niet over de toenadering van de statuten van arbeiders en bedienden en het minst van al over de loonsverhogingen. Dat laatste werd dan ook het breekpunt. Wettelijk moeten de sociale partners een norm opstellen voor de maximale loonkostenstijging in de komende twee jaar. De werkgevers stellen 5,3 procent voor, de vakbonden 6 procent, voor 2003 en 2004 samen. Aangezien de automatische indexaanpassing en de contractuele loonschaalverhogingen vast staan, beloopt de kloof tussen de twee partijen niet meer dan zo'n half procentje koopkrachtstijging per jaar. Het bewijst dat de economische zenuwen gespannen staan. Het bedrijfsleven wacht paniekerig op het herstel dat allerlei autoriteiten aankondigen, maar dat er vooralsnog niet komt. Het Verbond van Belgische Ondernemingen wil daarom zijn leden volgend jaar helemaal geen nieuwe loonlasten opdringen, want 2003 wordt naar zijn verwachting even troosteloos. Volgens de wet moet de regering nu zelf een loonnorm opleggen. Dat heeft de voormalige premier Jean-Luc Dehaene (CD&V) ooit eens gedaan, maar het is twijfelachtig of zijn opvolger Guy Verhofstadt (VLD) het zal kunnen. Het is een heikele karwei om aan de vooravond van de verkiezingen hetzij in de richting te gaan van de quasi loonstop van de werkgevers, hetzij in die van de matige loonsverhoging van de vakbonden. De Waalse socialistische coalitiepartner, minister van Werkgelegenheid Laurette Onkelinx voorop, liet al verstaan geen liberale keuze pro werkgevers te aanvaarden. Misschien toont Verhofstadt zich toch kranig, want er staat veel op het spel. Met name de toekomst van de loonnorm, die de Belgische loonkostenstijging laat sporen met de stijging bij de belangrijkste handelspartners Nederland, Duitsland en Frankrijk en aldus de concurrentiekracht van de Belgische economie beschermt. De vakbonden zijn dit - in geen ander Europees land bestaande - keurslijf ronduit beu. De regering dwingt de werknemers tot matiging, terwijl zij alle andere inkomens (van zelfstandigen en vrije beroepen) en de kapitaalopbrengsten ongemoeid laat, heet het in vakbondskringen. Om dezelfde reden verwerpen de bonden de belastingverlaging als een extra voordeel: dit is geen voordeel voor de werknemers, maar voor alle inkomensgroepen. En bovendien is volgens recente berekeningen het sop de fiscale kool niet waard. Anderzijds blijkt, zoals in de voorbije vette jaren, dat als de werknemers in hun collectieve akkoorden matigen, de werkgevers hun kaderleden verwennen en hoge lonen hanteren in de nieuwe technologische bedrijfstakken - soms gaande tot regelrechte salarisoorlogen tussen bedrijven. Managementdeskundigen ontdekken intussen dat de loonnorm zeer rigide is in een economie die steeds meer soepelheid nodig heeft. Voor goed werkende bedrijfstakken en nieuwe beroepen is de loonnorm te laag, voor zwakke sectoren te hoog. De norm blokkeert mobiliteit op de arbeidsmarkt. Dat dit soort discussies opgang maakt, komt mede door het feit dat de paars-groene regering na drie jaar nog steeds niet overweg kan met het sociaal overleg. Vakbonden noch werkgeversvertegenwoordigers vertrouwen de ploeg van Guy Verhofstadt. Beloften, zoals die voor bijkomende sociale lastenverlaging, worden ingetrokken, nieuwe initiatieven als het Rosetta-plan of antipestwetten vallen uit de lucht. Minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke (SP.A) weet wat hem te doen staat. Hij is de enige die discreet de brokken kan lijmen in dit sociaal-overlegwereldje. G.D.