Noem het een ingeving: we zullen die papieren maar meenemen, zei ik nog tegen mijn medewerker!"
...

Noem het een ingeving: we zullen die papieren maar meenemen, zei ik nog tegen mijn medewerker!" Kolonel Luc Marchal herinnert zich de ontruiming in april '94 van zijn commandopost in de Rwandese hoofdstad Kigali alsof het gisteren was. "Onderweg naar het toestel dat ons naar Nairobi moest vliegen, kreeg ik echt het voorgevoel dat die paperassen over mijn bevelvoering ooit nog van pas zouden komen." Marchals intuïtie bleek juist. Twee jaar na zijn terugkeer uit Kigali stond hij voor het Krijgshof wegens "onopzettelijke doding door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg". De Brusselaar werd rechtstreeks verantwoordelijk gesteld voor het lot van de tien Belgische para's die in de ochtend van 7 april 1994 door losgeslagen Rwandese militairen werden vermoord. Vier jaar al leeft de intussen 54-jarige legerkolonel Marchal met deze affaire. In zijn kantoor op het legerhoofdkwartier in Evere hangt, naast talloze militaire memorabilia, de VN-vlag die in Kigali boven zijn commandopost wapperde. Bij elk boek of persartikel, bij elke tv-uitzending, maakt Marchal, veeleer voor zichzelf dan voor de buitenwacht, de inventaris van de tegenspraken, de feitelijke onnauwkeurigheden, flagrante onjuistheden en blunders die altijd weer terugkeren in de berichtgeving over het bloedige voorval in Kigali. Marchals overste in Rwanda, de Canadese generaal Romeo Dallaire, worstelt eveneens met de herinnering aan de Rwandese gruwel. Hoewel de opperste verantwoordelijkheid voor de United Nations Assistance Mission for Rwanda (Unamir) bij VN-verantwoordelijke Booh Booh lag, wordt de Canadese militair door sommigen rechtstreeks verantwoordelijk gesteld voor de desastreuze afloop van de VN-missie van 1994, en de genocide die daarop volgde. Zo oordeelde de Belgische Parlementaire Commissie van Onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda eind vorig jaar dat generaal Dallaire "onvoorzichtig" en "weinig professioneel" was geweest en "grote onverschilligheid" voor de dood van de tien Belgische para's aan de dag had gelegd. "Dallaire, die op het moment van het drama in de buurt van Camp Kigali was gepasseerd en daar Belgische soldaten op de grond zag liggen, leeft al die jaren met de herinnering aan de horror die de tien Belgen doormaakten", vertelt Marchal. "Ik hoorde het van een van zijn medewerkers: toen Dallaire, die onlangs als getuige moest optreden voor het Rwanda-tribunaal in Arusha, opnieuw voet zette op Afrikaanse bodem, rook hij plots weer de lijkengeur die vier jaar geleden boven Kigali hing. Die herinnering gaat nooit meer weg." "Het is alsof het ons niet wordt vergeven dat we levend uit het Rwanda-drama zijn gekomen", beseft Marchal.DE GESCHIEDENIS WERD HERSCHREVEN"Wellicht zou het velen goed zijn uitgekomen, mocht ik door de Krijgsraad zijn veroordeeld, al was het maar om de verantwoordelijkheid voor deze mislukking te kunnen afwentelen", zegt Marchal. De moord op de tien para's had de publieke opinie beroerd. "Die zou het niet nemen mocht deze zaak niet worden uitgeklaard", beweerde auditeur-generaal André Andries midden '96. Intussen was een boek verschenen, "10 Commandos vont mourir!" van A. Goffin, eigenlijk een verzamelnaam voor een aantal officieren die in de Rwanda-kwestie hun gelijk en vooral hun gram wilden halen en die daarom in het wilde weg schoten op alles wat te maken had met het VN-bevel in Rwanda en met de Belgische politiek. Er was het gestook van de liberale senator Alain Destexhe (FDF), later lid van Rwanda-commissie, wiens sympathie voor de Tutsi-rebellen voor niemand een geheim was. Maar eigenlijk was er vooral de schaamte en schande voor de manier waarop de Rwanda-missie in het honderd liep en de gruwelijke manier waarop tien Belgische paracommando's werden omgebracht. Omdat niemand de rol van de VN en die van de Belgische overheid wilde onderzoeken, moest een zondebok worden gevonden, oordeelde Afrika-specialist Filip Reyntjens. En dus verscheen Marchal voor het Krijgshof. Hem werd verweten dat hij bijzonder onvoorzichtig was geweest door meteen nadat onbekenden de Falcon 50 Mystère van de Rwandese president Juvénal Habyarimana met twee Sam-16 raketten hadden neergehaald, de escorte van de gematigde premier Agathe Uwilingiyimana toe te vertrouwen aan Belgische para's. Want vrijwel meteen liep onder de lokale bevolking het gerucht dat de Belgen achter de aanslag op de president zaten. Er was een probleem. In Rwanda stond Marchal niet onder Belgisch bevel, maar onder dat van de Verenigde Naties. En die oordeelden dat de Belgische kolonel zijn taak keurig had vervuld. Toenmalig adjunct-secretaris-generaal Kofi Annan zette die bevinding met zoveel woorden op papier, in zijn brief van 19 juli 1996 aan de Belgische minister van Buitenlandse Zaken Erik Derycke (SP). "De opdracht om eerste minister Agathe op 7 april 1994 te escorteren, maakte deel uit van het VN-mandaat", schreef Kofi Annan. "Die opdracht viel binnen de taak die sedert oktober 1993 aan het Belgische contingent was toebedeeld. De Verenigde Naties oordelen dat kolonel Marchal handelde binnen het mandaat van de VN-macht en in volledige overeenstemming met de instructies van zijn bevelhebber, in het andere geval zou hij de bevelen van de Force Commander hebben genegeerd." Eind 1996 kwam het Krijgshof tot dezelfde bevinding. "De beklaagde had de plicht dit bevel uit te voeren. Een weigering viel niet te rechtvaardigen", zo stond het in het arrest waarin de militaire rechtbank Marchal van alle schuld vrijsprak. De families van de vermoorde para's, die naderhand hun leed voegden bij dat van de ouders van de verdwenen en vermoorde kinderen, weigerden de uitspraak van het Krijgshof te aanvaarden. Ook de politieke agitatie rond de Rwanda-affaire bleef aanhouden. Daarom stond Marchal na zijn proces voor de onderzoekscommissie van de Belgische senaat, een rechtbank waar geen echte rechtsregels golden en waar getuigen zich noodgedwongen en onder het oog van de televisiecamera's moesten onderwerpen aan de willekeur van enkele commissarissen die een aparte politieke agenda koesterden. "Toen ik in een antwoord op zijn vraag opmerkte dat ik al door het Krijgshof was vrijgesproken, maakte VU-senator Bert Anciuax een minachtend wegwerpgebaar. Alsof de uitspraak van een rechtbank zonder enig belang was", herinnert Marchal zich. "Toen ik tijdens mijn getuigenis achter gesloten deuren van voorzitter Frank Swaelen (CVP) de zekerheid vroeg dat niets van wat ik wilde vertellen, naar buiten zou komen, moest de senaatsvoorzitter bekennen dat hij niet in staat was mij die garantie te geven. In die sfeer heeft de onderzoekscommissie gewerkt en heeft ze zonder verpinken, en onder groot applaus, een deel van de Rwanda-geschiedenis her-schreven." DE AALMOEZENIER VERTELDE ONZIN"Getuigenissen van militairen die op het ogenblik van de moord op de tien para's amper drie weken in Rwanda vertoefden, kregen van de onderzoekscommissie hetzelfde gewicht als de getuigenissen van hen die al maanden in Rwanda en Kigali verbleven", zegt Marchal. "Legeraalmoezenier Michel Quertemont mocht, op eigen verzoek, een onsamenhangend en onzinnig verhaal komen afsteken, terwijl hij op het moment van de moord op de para's van het detachement van luitenant Thierry Lotin niet eens in de buurt was van de plaats waar het drama zich voltrok. Hij was ook niet aanwezig op de commandopost. Als ik me niet vergis, vertoefde de aalmoezenier op dat moment in de Don Bosco-school. Wat hij beweerde te weten, wist hij van horen zeggen. Drie officieren die al die tijd bij mij op de commandopost bleven, kolonel Pochet, luitenant-kolonel Provinciael en majoor Puffet, en die over de gebeurtenissen van 7 april 1994 een getuigenis uit de eerste hand konden brengen, werden door de commissie nooit gehoord." In Kigali, dat na het neerhalen van het vliegtuig van president Habyarimana stilaan in beroering geraakte, moest Marchal de situatie onder controle houden met de hulp van 1 200 manschappen, onder wie een zending Bengalezen die volstrekt onbruikbaar bleken. Eigenlijk kon Marchal alleen rekenen op de 350 Belgen, een kleine groep Ghanezen en een aantal Tunesiërs. "De onderzoekscommissie fixeerde zich van bij de aanvang op de moord op de tien para's, alsof dat het enige incident was waarmee we die dramatische dag na de moordaanslag op Habyarimana moesten afrekenen", herinnert Marchal zich. "Voor haar verhaal van de moord op de tien para's hanteerde de commissie naar eigen zeggen het rapport van 8 mei 1996 van de auditeur-generaal van het Krijgshof. Eigenlijk ging het om de opsomming van de feiten door de auditeur-generaal in de akte van beschuldiging tegen mij. Het ontging de onderzoekscommissie dat als deze opsomming juist was geweest, ik allicht in 1996 door het Krijgshof zou zijn veroordeeld." "De commissie bleef stilstaan bij de tien doden", gaat Marchal door. "Ik en andere militairen hadden gehoopt dat zij ook zou napluizen hoe het kwam dat we in die chaotische situatie slechts tien doden betreurden. Mocht de commissie haar opdracht naar behoren hebben vervuld, ze zou vastgesteld hebben dat alles in het werk werd gesteld om het verlies aan mensenlevens te beperken. Want we hadden net zo goed dertig of zelfs vijftig doden kunnen tellen. Op die bewuste dag zaten niet alleen Lotin en zijn manschappen in de problemen. Enkele uren eerder al werden op de vlieghaven een twintigtal Belgische militairen door opgezweepte Rwandese militairen vastgehouden. Net als de manschappen van Lotin waren sommigen onder hen al ontwapend. Het was een bijzonder verontrustende situatie waarbij de minste vonk een haat- en moordcampagne tegen de Belgische militairen kon doen ontbranden. Door omzichtig onderhandelen en palaveren, ook via Rwandese militairen, hebben we uiteindelijk onze manschappen vrij gekregen. Er waren problemen bij het stadion van Kigali. Intussen zaten Tunesische VN-waarnemers geklemd tussen vechtlustige bataljons van de presidentiële garde en van het Rwandees Patriottisch Front (RPF). Even vreesden we dat de Tunesiërs er allemaal aan gingen." "Toen het incident met Lotin begon, was het objectief gezien niet eens prioritair, gelet op de bijzonder explosieve situaties elders in de stad waar we talloze doden vreesden", legt Marchal uit.EEN MAN MET AFRIKA-ERVARINGNiettemin kwam de Rwanda-commissie tot de volgende vaststelling: "Kolonel Marchal, sectorcommandant, heeft de toestand op het ogenblik van de tragische gebeurtenissen verkeerd ingeschat. Hij bleef vertrouwen in de medewerking en de goede trouw van de Rwandese strijdkrachten en de gendarmerie om het incident met het peloton-Mortieren van luitenant Lotin op te lossen, ook al bleek reeds vroeg in de ochtend van 7 april 1994 dat dit vertrouwen ongegrond was en dat de manschappen in ernstig gevaar verkeerden." Na het verslag van Rwanda-commissie richtte minister van Defensie Jean-Pol Poncelet (PSC) een informatiecommissie op om de rol uit te pluizen van de officieren, onder wie Marchal, die door de commissarissen met de vinger werden gewezen. Voor Marchal was dit de vierde keer al dat zijn optreden in Rwanda werd onderzocht. Ook deze commissie kwam tot de vaststelling dat de kolonel niets kon worden aangewreven. Al die tijd heeft Marchal gezwegen. Ook toen tijdens een Panorama-uitzending de band van een radioboodschap werd afgedraaid waarop een van de Belgische manschappen iets zegt in de aard van: "De C-130 om Marchal te ontzetten staat al klaar." De makers van het programma hadden kunnen weten dat Marchal, ondanks de nadrukkelijke bevelen vanuit Brussel, tot drie keer toe weigerde Kigali vroegtijdig te verlaten. Pas nadat hij het bevel over de Kigali-sector officieel had overgedragen, verliet hij zijn post met een van de laatste Belgische vluchten naar Nairobi. Toen hij werd uitgestuurd om de Canadese Unamir-bevelhebber Dallaire te assisteren, werkte Marchal op het ministerie van Defensie. Toch is hij niet een van die militairen die hun strepen achter een bureau verdienden. Marchals Afrikaanse ervaring is in legerkringen gekend. Vijf jaar lang verbleef hij in de Zaïrese brousse, als adviseur in het kader van de militaire samenwerking. In de loop van dat verblijf voerde hij twee jaar lang het bevel over een Zaïrees troepenonderdeel dat werd ingezet om de eerste inval van de ex-Katangese gendarmes te stuiten. Wat later, in 1978, bij de tweede poging van Katangese gendarmes om de afscheiding van de Zaïrese provincie Shaba te forceren, maakte Marchal deel uit van de Belgische interventiemacht die boven de mijnstad Kolwezi werd gedropt.JE VERTREKT NAAR CLUB MEDITERRANEEWat Marchal in heel de Rwandese kwestie, en in de aantijgingen tegen hem en Dallaire, nog het meest stoort is de onderliggende minachting voor Afrika. Minachting die achteraf de woede en schaamte om de tien vermoorde para's nog vergrootte. "Vandaar de onmiddellijke reactie van de Belgen die erop neerkwam: we stappen op en dat die zwarten elkaar maar uitmoorden", zegt Marchal. Dat was volgens hem al te merken voor het vertrek van het Belgische contingent. De minimale uitrusting, het beperkt aantal manschappen dat naar Rwanda werd gestuurd, het getuigt volgens Marchal allemaal van onderschatting en minachting. Een van de Belgische officieren zou achteraf zelfs getuigen dat de Rwandese situatie vanuit militair oogpunt "totaal oninteressant" was. Een andere had het over "de vakantiestemming" waarin de Belgische para's naar Kigali vlogen. Marchal herinnert zich: "Toen ik een officier van de generale staf opmerkzaam maakte op het verschil tussen de zware bewapening voor de Belgische VN-soldaten in ex-Joegoslavië en de uiterst lichte uitrusting van de para's die naar Kigali vertrokken, kreeg ik als antwoord: Wat maakt het uit; je vertrekt naar de Club Méditerannée." "In Kigali heb ik de Belgische para's, die zichzelf graag als de elite beschouwden, meermaals op het hart gedrukt de soldaten van het Rwandese leger vooral niet te onderschatten. De Forces Armées Rwandaises (FAR) waren uitstekend uitgerust en werden door Franse militaire adviseurs in uiterste staat van paraatheid gehouden." Dat zijn vertrouwen in de Rwandezen hem door de senaatscommissie wordt euvel geduid, neemt Marchal niet. "Daar heb je weer die minachting. Alsof Rwandezen per definitie onbetrouwbaar zijn. De commissie ging zonder meer voorbij aan de inzet van tal van Rwandese militairen. Dat we de Belgische militairen die op de vlieghaven werden vastgehouden opnieuw vrij kregen, was te danken aan de interventie van Rwandese militairen. Dat kolonel Dewez zijn sectie recupereerde die in Rutongo geïsoleerd geraakte, was de verdienste van Rwandese officieren. Het is juist dat we de ware intenties van de moordzuchtige kolonel Théoneste Bagosora niet tijdig hebben doorzien. Maar voor één Bagosora waren er tal van Rwandese militairen die het wel goed meenden met de vredesmissie." "Enkele van de officieren die in de nacht van 6 op 7 april aanwezig waren op de crisisvergadering na de moordaanslag op Habyarimana, hebben naderhand het manifest van 12 april ondertekend waarin zij afstand namen van het extremistische Hutu-regime en resoluut kozen voor de vredesakkoorden van Aru-sha. Sommige officieren zijn nadien overgestapt naar de troepen van het Tutsi-gezinde RPF. Het interesseerde de Rwanda-commissie blijkbaar geen bal dat enkele van de officieren, die op de crisisvergadering aanwezig waren en die het manifest van 12 april tekenden, hun inzet met hun leven bekochten."DE AMERIKANEN WISTEN WEL BETERMarchal betwist ook de bewering dat de moord op de Belgen gepland was als een ontsteking van de genocide die achteraf plaatsgreep. "Waarom de tien para's van luitenant Lotin en niet de twintig militairen die enkele uren eerder op de vlieghaven vastzaten?" vraagt de kolonel zich af. "Trouwens, ook een aantal Ghanezen kregen het in Camp Kigali zwaar te verduren, maar zij slaagden erin zich op het nippertje uit hun benarde positie te palaveren." "In haar eindverslag merkte de commissie terecht op dat ze in het duister tast omtrent de verantwoordelijkheid voor de aanslag op de president van de Rwandese republiek. Wat de beoordeling van de gebeurtenissen nadien, zoals de moord op de tien para's, ernstig bemoeilijkt", merkt Marchal op. "Jammer genoeg legde de commissie, na ze te hebben geformuleerd, meteen deze bedenking naast zich en ging gewoon door met het ronddelen van blaam en schuld." De aanslag op Habyarimana blijft intussen ook voor Marchal een raadsel. Zoals velen verdacht hij meteen na de aanslag de extremistische Hutu's ervan de presidentiële Falcon te hebben neergeschoten. "Uiteraard beseften we dat een extremistische factie van de presidentiële entourage, onder wie een deel van zijn familie, uit was op een confrontatie met de Tutsi's. We zaten voortdurend op het scherp van de snede tussen vrede en chaos. De gewelddadige gebeurtenissen van begin 1994 hadden iedereen de bloedige ernst van de situatie doen inzien. Daarom werden de inlichtingen van de informant Jean-Pierre over geheime wapenarsenalen en de moordpartijen die werden voorbereid, met de nodige aandacht behandeld. Alleen interventies vanuit het VN-hoofdkwartier in New York verhinderden dat we de verborgen wapens in beslag gingen nemen." "Er is destijds veel te doen geweest over de hatelijkheden die door Radio Libre des Mille Collines werden gespuid", zegt Marchal. "Die waren evenzeer tegen de Unamir-missie als tegen de Belgen gericht. Trouwens, de taal van de RPF-radio was niet minder vijandig. Het was duidelijk dat de extremisten in beide kampen bij het uitvoeren van hun moordplannen geen pottenkijkers wilden." "De informatie die we inzamelden, was veelal fragmentair", geeft Marchal toe. "De VN gaf geen toestemming om een heuse inlichtingendienst uit te bouwen, want dat paste niet in de vredesmissie. Belgische officieren, onder wie luitenant Marc Nees, deden hun uiterste best om de noodzakelijke informatie bijeen te harken, maar ze waren niet opgeleid voor de verwerking en evaluatie ervan." "Contact met de inlichtingendiensten, die in en rond Kigali opereerden, moest, op last van de VN, worden afgehouden. De Fransen beschikten evenwel over een belangrijke luisterpost. Tot grote ergernis van het RPF. Het is dan ook geen toeval dat meteen na de aanslag op Habyarimana, bij het losbarsten van de eerste moordpartijen, de twee Franse onderofficieren die de post bemanden, werden omgebracht." "Een tweetal dagen voor de aanslag op Habyarimana was een hoge Rwandese officier me komen melden dat de troepen van het RPF zich in gereedheid brachten en een groot offensief voorbereidden. Naderhand is gebleken dat RPF-troepen minder dan 24 uur na het neerhalen van het presidentiële vliegtuig aan hun opmars begonnen. Zo'n snelle reactie kan alleen wijzen op een zeer grote paraatheid. Ook de Amerikanen waren op een en ander voorbereid. Op het moment van de aanslag in Kigali hielden zij in de Burundese hoofdstad Bujumbura 250 Rangers klaar, voorzien van gevechtshelikopters. Die waren daar niet toevallig. Blijkbaar wisten de Amerikanen meer dan wij.""De beklaagde had de plicht dit bevel uit te voeren." "De aalmoezenier was niet eens in de buurt toen het drama zich voltrok." "We zaten voortdurend op het scherp van de snee tussen vrede en chaos."Rik van Cauwelaert