Peter Ghyssaerts bedreigde wereld in ?Jubileum en andere gedichten?.
...

Peter Ghyssaerts bedreigde wereld in ?Jubileum en andere gedichten?.Paddestoelen zijn rare dingen. Ze worden bij voorkeur gekweekt in schaars verlichte, vochtige ruimtes en planten zich bijna oncontroleerbaar voort via sporen. Ze tieren welig op alles wat vergankelijk is. Daardoor lijken ze wel in zichzelf besloten. Ze zijn een metafoor voor de wereld die Peter Ghyssaert (1966) in zijn gedichten opbouwt. Vooral in zijn debuut ?Honingtuin? (1991) en in ?Cameo? (1993) schilderde hij met precies gekozen beelden bijna luchtdichte taferelen van met ziekte, verval en uitzichtloosheid doordrenkte levens. Die verschuilden zich wel achter fraai bijgeknipte tuinen en een dikke laag cosmetica, waarop Ghyssaert met mooi geformuleerde zinnen subtiele, ironische ingrepen pleegde. Achter die portrettengalerij kon je zo wel de betrokkenheid van het lyrische ik vermoeden, maar het bleef opvallend afwezig. In het lange titelgedicht van ?Sneeuwboekhouding? (1995) maakte hij duidelijk hoe in zichzelf gekeerd al beschrijft hij hoe zijn ouders voor het raam naar de sneeuw zitten te kijken en dus in zekere mate decadent dat schrijven wel is. ?Zo beweeg ik nu voor u / dit Lourdes onder een stolp?. Die houding blijkt ook uit ?Opdracht?, het slotgedicht van ?Sneeuwboekhouding?, waarin de dichter zich rechtstreeks tot de lezer richt en hem afschildert als iemand die zijn eigen leven geen vorm kan geven op papier. Daarin schuilt uiteraard superioriteit, maar ook bescheidenheid. De dichter is een meester in de taal, maar verder wordt hij door het gewone leven voorbijgestoken : ?u bent subliem / en ik ken slechts een enkel mooi moment / al is mijn haar niet altijd even goed gekamd.?EEN ZELFPORTRETTrouwens, wie Ghyssaerts toch al aanzienlijke poëtische oeuvre overschouwt, zal het bij het bezoek aan dat museum van verval geleidelijk aan duidelijk worden waarom hij zo gefascineerd is door vergankelijkheid : wanneer iets vergaat, wordt de essentie blootgelegd. Dat verklaart dan weer de visuele ingesteldheid die vooral uit zijn twee bundels blijkt. In ?Jubileum en andere gedichten? ruimt die visualisering stilaan plaats voor localisering en probeert Ghyssaert het verval in kaart te brengen, maar hij is er zich van bewust dat dit niet betekent dat je de dood daarmee definitief kan bannen. De angst voor het onbekende en het onverwachte beheerst de bundel, zoals in het openingsgedicht ?Mijn woning? : ?Ik hoorde heel de tijd mezelf, ik wilde / met die klank een berkenboom aanraken / of mijn kleine en ineengestuikte schouw / om op de dingen tekens aan te brengen en te zien / dat zij mij niet verlaten zouden uit / een droom waarin uiteindelijk / het angstige lantaarnlicht van mijn eigen / lichaam nog zou overblijven.? De gedachte sluit aan bij ?Herfstgedicht?, waarin het lyrische ik uitgebreid is tot een soort wij plurale majestaticum. die figuren hebben ?paddestoelen omgekeerd (...) het gif liet zich daar raden.?Door in de gedichten van deze bundel nauwgezet tewerk te gaan, lijkt alle gevaar bezworen ( ?Toen was het gereed, het moest wel want / het kookvocht was zo helder ingedikt / dat wij het gif in 't midden zagen schemeren / waar rond wij, moeiteloos, zouden gaan eten, / jubelend, zwaaiend met kruiderij?). Maar dan komt iemand aandragen met de onuitwisbare werkelijkheid : er blijken enkele paddestoelen over het hoofd gezien. Zo blijft de dichter met de vergankelijkheid aan de slag : ?koken, altijd roeren / in het duister van een late, / triest geworden herfst.? Dat is behoorlijk onheilspellend, zoals uit veel gedichten blijkt. In het titelgedicht maakt Ghyssaert een soort zelfportret. Het lyrische ik wordt belaagd door een snijmachine en hoopt dat er kortsluiting ontstaat, zodat de bedreiging op afstand kan worden gehouden. HET PEUKENVROUWTJEAan verdachtmaking geen gebrek. In ?Het herenhuis? schuiven de twee werelden van Ghyssaert over elkaar heen. In de rijkelijke beschrijving van de eetruimte worden de barokke decors van zijn eerste twee bundels weerspiegeld, maar die sierlijke wereld wordt doorkruist door wat er zich ondergronds afspeelt. ?Die van de kelder loerden / naar die van de zolder // en omgekeerd.? Vooral in het eerste deel Ghyssaert verdeelde de bundel in twee ?boeken? is er sprake van verraderlijkheid : een lichaam blijkt efemeer te zijn, een jongen wordt buiten de ervaringswereld van zijn leeftijdsgenoten gehouden, een staatshoofd wordt gevierd maar is eigenlijk vergeten, iemand wordt meegenomen op uitstap maar men zou zich liever van hem ontdoen, een zieke ?heeft een prachtig pak / waarin hij langzaam, pronkend doodgaat.?Het ziektebeeld duikt trouwens frequent op. Dat heeft niet zozeer met het decadente gevoel voor vergankelijkheid te maken, maar vooral met een verlangen naar zuiverheid waarvan het onmogelijke karakter wordt geschetst in ?Utopia?. De gedichten waarin de absurditeit van dat verlangen verdrinkt in een beangstigend grotesk decor zijn legio. Het wekt verbazing met hoeveel luciditeit en ironie Ghyssaert die wereld telkens weer inkleurt. ?Het peukenvrouwtje?, over een vrouwtje dat in de kinderwagen peuken verzamelt, is daarvan een schitterend voorbeeld en mag gerust een klassiek gedicht worden. De hele bundel neemt trouwens een bijzondere plaats in binnen het huidige poëzielandschap. Er zijn weinig dichters die zo'n vervreemdende, beangstigende wereld kunnen opbouwen zonder in bittere ernst, gemoraliseer of gepsychologiseer te vervallen. Daarbij komt nog dat de gedichten een grote helderheid vertonen, die door een talige, melancholisch stemmende, muzikale en precies daardoor juiste formulering wordt voortgebracht. En wie durft zijn poëtische bezigheden met zoveel zelfrelativering als in ?Kunstsalon? op te voeren ? ?Hij ging rond met zakdoeken / en troostte waar hij kon / en leende soms een schouder / aan een nichtje dat / een cyclus had verbrand. / Ten slotte kwam hij met / de noten en de dranken en hij nam / de lege kaften van zijn boeken / peinzend in de hand.?Paul Demets Peter Ghyssaert, ?Jubileum en andere gedichten?, Bert Bakker, Amsterdam, 103 blz. Peter Ghyssaert : zelfrelativering.