?Het heilig uilke? van Gerard Walschap : een postume uitgave met een boodschap.
...

?Het heilig uilke? van Gerard Walschap : een postume uitgave met een boodschap. O, HET DOET DEUGD om van gene zijde die onverwisselbare stem en toon nog eens te horen ! Gerard Walschap schreef de eerste versie van ?Het heilig uilke?in 1955. In 1957 verscheen het in een tijdschrift, maar de tekst die nu in boekvorm werd gepubliceerd is veel langer en dateert waarschijnlijk uit de vroege jaren '60. Jos Borré leverde een nawoord, dat zakelijke gegevens verstrekt, enkele thema's aanduidt en verbanden legt met Walschaps leven en de rest van het oeuvre. Het verhaal handelt over een bosuil die alleen overdag ziet, en dus onbekwaam is om voor zijn levensonderhoud te zorgen. Daarom wordt hij kerkuil : hij treedt (zonder roeping) in het klooster van de Sint-Romboutstoren in Mechelen. Na briljante studies wordt hij een fanatieke ?onderparochie-uil? in Lier, en nadien een verwoede reizende predikant voor volksmissies. Omdat hij een zeer gegeerde biechtvader is, komt hij als zodanig opnieuw in Sint-Rombouts terecht. Inmiddels heeft hij een faam van heiligheid verworven, maar de omgang met de biechtelingen maakt hem nederig, en hij gaat grondig twijfelen aan de zin van zijn bezigheid. Zo raakt hij tot de rand van het ongeloof, en nog verder ; uiteindelijk zit hij met deze vraag : belanden de uilen na hun dood in de biechtstoel van een Lieve Heer die barmhartig alles vergeeft zonder te luisteren, of is Gods biechtstoel leeg ? Het uilke verwoordt zijn bespiegelingen voor zijn vriend de kloosterabt, met wie hij soms ook rondvliegt ?in het park van het gesticht Coloma?. Iemand zou Walschaps complexe houding tegenover diverse soorten belijdenis eens moeten bestuderen : het biechtsacrament, het verlossende zich-uitspreken voor een vriend, het autobiografische schrijven... DUBBELZINNIG.Het vervolg van 't verhaal vertel ik niet. Het eindigt slecht, maar het uilke behoudt wél zijn reputatie, zijn schijn van heiligheid. In een nevenintrige vernemen we de wederwaardigheden van de oorspronkelijk Braziliaanse papegaai Eulalul, die weggevlucht is bij zijn menselijke bazin en het na wat gezwalk tot ?broeder-hotelier? brengt in het uilenklooster : hij wordt belast met de opvang van trekvogels en reisduiven. Voor hem is de afloop beslist niet tragisch, maar toch minstens dubbelzinnig. Uiteraard gaat deze dierengeschiedenis over ménsen, maar Walschap maakte geen heel strakke fabel. Al heeft de tekst een heldere verhaallijn, hij zit vol grillen en uitweidingen. De verteller geeft bijvoorbeeld graag algemene pseudo-informatie over de uilen en hun samenleving, met formules als ?De lezer weet dat...? en ?Samenvattend kunnen wij zeggen...? Het genre geeft de kans om de vrije loop te laten aan sarcasme en fantasie, aan verhaal- en taalplezier ; dat merk je ook in bepaalde allusies (een Mallarmé-citaatje, ?de beroemde Franse equilibriste Françoise Maurial?...). Het hangt wellicht met die (mij dierbare) grilligheid samen dat de transpositie mens-dier niet altijd geslaagd lijkt : zo is de kerkelijke organisatie van de uilen me niet geheel duidelijk geworden, en sommige detail-omzettingen zijn een beetje flauw. De hoofdfiguur is een echte Walschap-held : iemand die ?uit de band springt? en het (mede daardoor) later ver schopt. Zijn anders-zijn en het besef ervan verheffen hem boven zijn herkomst ; maar de verheffing is een vervreemding (van volk en gewone leven) en leidt tot niets goeds, hoewel ze voor een waarde wordt aangezien (geleerdheid, heiligheid). Het uilke kent een Walschapiaans doodsverlangen en voelt zich ?alleen (...) in een donkere wereld?. De eenzaamheid doortrekt zijn hele leven. Zelfs in zijn diepe vriendschap met de abt wijkt ze niet helemaal. Want terwijl hij uitvoerig zijn eigenzinnig ?theologisch inzicht? uiteenzet, merkt hij plotseling de desinteresse van de luisteraar : die moet stiekem gapen, vindt zijn vriend een ?zageman?. BEVLOGEN.Ook deze kwelling typeert in hoge mate Walschap-helden : hun metafysische zorg en vlucht laat de ander (gelovig of ongelovig) in laatste instantie nogal koud. De ideeën van het uilke (een blind zienerke ?) herinneren overigens aan de ?boodschap? die Walschap vooral in zijn late romans expliciet verkondigde. Op een bepaald moment dreigen de beschouwelijke passages de tekst te overwoekeren. (Ach, misschien kan ook ik niet goed naar het uilke luisteren.) Het verhaal valt hard uit voor de hoog bevlogen vogel : er wordt sterk beklemtoond dat er ten slotte niets van hem zal overschieten. Enige zelfspot van Walschap op dit punt blijkt uit het feit dat hij de boodschap voor een stuk laat uitspreken door de papegaai Eulalul - in een vrij groteske, karikaturale situatie. Een merkwaardige kwast, die Eulalul. Ook hij is onaangepast en anders, zelfs uit een ander werelddeel afkomstig. Maar vergeleken met het uilke gedraagt hij zich behoorlijk grof, gemeen zelfs, opportunistisch en blufferig. We moeten hem zien als een slimmere tegenhanger van de held een alter ego, om het met een Walschap-titel te zeggen. Klanken en letters bevestigen dat : ?Eul? en ?lul? (tja) lijken op ?uil?. En de uil heet dan nog Louis (Walschaps tweede voornaam : Lodewijk). De vervreemding van ?ons uilke? is wezenlijk een vervreemding van de natuur. Door zijn nachtblindheid kan hij geen muizen vangen, zich niet voeden. Op de koop toe betoont hij zich abnormaal koel tegenover de andere sekse. Als geestelijke beoefent hij de onthouding en misgunt zijn parochianen ?dat ze vermaak vinden in de liefde? ; al biechthorend wordt hij vooral met zonden van onkuisheid geconfronteerd, en hij beseft gaandeweg dat die in de aard van een gezonde uil liggen. Er verschijnt een erg geile kerkuil ten tonele (een bizarre pastoorshistorie !), en naar het einde toe speelt een ?uilinneke van plezier? een belangrijke rol. Eigenlijk vallen de twee fysieke minderwaardigheden van het uilke samen, denk ik. De ?muis? (die ook de verboden vrucht was in het uilenparadijs) is immers een vertrouwde woord voor de vulva. En ?blindheid? kan makkelijk staan voor seksuele onmacht, eventueel als straf voor een overtreding men denke aan Oedipus. Daar is meer over te zeggen ; ik wilde alleen accentueren dat je het aandeel van het seksuele in Walschaps verhalen en in zijn antikerkelijkheid nauwelijks kunt overschatten. INTERPRETATIE.Wie zeuren wil, mag zich eraan storen dat Walschap in ?Het heilig uilke? alweer (of nog steeds) met het katholicisme vocht ; maar in zoverre de tekst geslaagd is (en grotendeels amusant, met pakkende én geestige passages), blijft dat inderdaad gezeur. Mijn eigen reserves tegen dit boekje wegen niet erg zwaar. Er valt nog te wijzen op kleine slordigheden of onafheden maar ja, blijkbaar heeft Walschap deze tekst nooit voldoende geschikt geacht voor publicatie. Naar het waarom kun je gissen ik zie voorlopig geen werkelijk doorslaggevende reden. Op twee willekeurig aandoende plaatsen hebben de uitgevers (wie precies ?) woordverklaring toegevoegd. Dat is vreemd, want een hoop andere dingen hebben voor menige hedendaagse lezer evenzeer uitleg nodig dialectische termen, maar ook typisch katholieke, en (kerk)latijnse woorden en zinnen. Men had van alle toelichting moeten afzien ofwel mijn voorkeur een uitgebreid glossarium opnemen. En nog iets. Vermoedelijk had het slechts luttele franken meer gekost om de oude, moeilijk vindbare tijdschriftversie bij in de uitgave te zetten ; dat was nuttig geweest bij de interpretatie, en had wat inzicht verschaft in Walschaps werkwijze en misschien ook in zijn evolutie rond 1960. Het is nog altijd mogelijk om deze auteur gewoon te lezen, maar tegelijk dient men zijn werk als literaire geschiedenis te behandelen. Laat deze opmerkingen niet tot misverstand leiden : ik ben content met dit levendige postume boekje. Het behoort niet tot Walschaps meesterwerken, maar het is zeker meer dan een interessant document : niemand dan deze meester had het kunnen schrijven. Waarvoor dank. Joris NoteGerard Walschap, ?Het heilig uilke?, Nijgh & Van Ditmar/Dedalus, Amsterdam/Antwerpen, 95 blz., 499 fr.Gerard Walschap : alleen in een donkere wereld.