Dat het zwartgallige werk van Thomas Bernhard grappig kan zijn, bewijzen Tg. Stan en Théâtre Ubu elk op hun manier.
...

Dat het zwartgallige werk van Thomas Bernhard grappig kan zijn, bewijzen Tg. Stan en Théâtre Ubu elk op hun manier.?WE HOUDEN van het leven en haten het tegelijkertijd,? verkondigt De Wereldverbeteraar met een diepe zucht in het gelijknamige toneelstuk van Thomas Bernhard. Over het tragikomische gevecht van de eenzaat tegen ?de door en door verruwde tijd? raakte de in 1989 overleden Oostenrijkse auteur maar niet uitgeschreven. De personages van zijn romans en toneelstukken, vaak intellectuelen of kunstenaars, fulmineren tegen familie, god, cultuur, kunst en vaderland dat het een lieve lust is. Dat maakt hen groots, maar ook belachelijk. Stoer en toch erg kwetsbaar. Hun oprechte klaagzang om het existentiële manco deint altijd verder uit en ontaardt in repetitieve tirades. Ja, Bernhard zet zijn kampioenen in de edele kunst van het kankeren wel eens voor schut. Vooral in zijn latere werk kan de pret niet op. Een echte dijenkletser zal de roman ?Alte Meister? (1985) in het Nederlands vertaald als ?Oude Meesters? daarom nog niet worden, maar het meesterlijke geëmmer van de 82-jarige Weense muziekfilosoof Reger is gekruid met een stevige dosis ironie. De bejaarde man is een krasse knar en kan zich nog behoorlijk opwinden over de stompzinnigheid van Weners en Oostenrijkers, leraren, ?staatskunstenaars? als Dürer, Goethe, Beethoven of de ?Zwarte-Woudfilosoof Heidegger? bijvoorbeeld. Geen kunst- of cultuurvorm is veilig voor de gal van dit genie. In elk kunstwerk, ook dat van de zogenaamde oude meesters, zoekt hij naar een mislukking en vindt die ook. De wereld is een cultuurwoestijn en nergens voelt de criticaster zich meer thuis. Of toch, in de zogenaamde Bordone-zaal van het Kunsthistorisch Museum van Wenen, waar hij al meer dan dertig jaar om de twee dagen op bezoek gaat. Daar neemt Reger steevast plaats op de zitbank voor het schilderij ?De man met witte baard? van Tintoretto. Niet zozeer om het schilderij te bestuderen, maar om te mediteren of te lezen : ?De Bordone-zaal is zowel mijn denk- als leeskamer?. Irrsigler, de dienstdoende suppoost, laat de oude meester begaan, is door de jaren heen bevriend met hem geraakt en kijkt zelfs naar hem op. In deze museumzaal leerde Reger ook zijn intussen overleden vrouw kennen. Na haar dood kwam de muziekfilosoof tot de pijnlijke vaststelling dat de kunst de aanwezigheid van haar persoon en haar liefde onmogelijk kon vervangen. Van dan af stinkt voor Reger elk kunstwerk als een rottend lijk. De onstuitbare monoloog van Reger verneemt de lezer niet uit eerste hand, in de ik-vorm dus. Een tweede personage, Regers geestesgenoot Atzbacher, geeft die weer en becommentarieert de onophoudelijke woordenvloed. Soms wordt het even ingewikkeld als Atzbacher Reger citeert die op zijn beurt de woorden van een derde (of omgekeerd) aanhaalt, maar Bernhard slaagt er meesterlijk in om het kluwen van directe en indirecte rede, verslag en commentaar te ontwarren en voor de lezer helder en overzichtelijk te houden. Daardoor ontstaat een complex geheel van meningen en ideeën die elkaar soms tegenspreken. Het gebeurt immers dat een melancholische Reger zijn eigen krasse uitspraken relativeert en daarbij ook de zelfironie niet schuwt. Om een gevleugelde uitspraak van Goethe te parafraseren : in Regers borst wonen niet twee, maar meerdere zielen. BROOSHEID.Die herinneringen aan zijn gesprekken met Reger haalt Atzbacher op in ?Oude Meesters?, terwijl hij hem stiekem gadeslaat. Als de eerste de beste voyeur begluurt hij vanuit de aanpalende museumzaal de muziekcriticus die, zoals bij zijn andere bezoeken aan het museum, natuurlijk voor ?zijn? Tintoretto in de Bordone-zaal zit. Die vertelsituatie heeft een onmiskenbaar theatraal karakter. Atzbacher, en met hem de lezer, kijkt als de eerste de beste theatertoeschouwer naar Reger, de monologen spuwende acteur. Het hoeft dan ook niet echt te verwonderen dat twee verschillende theatergroepen, die bovendien in verschillende werelddelen werken, ongeveer gelijktijdig met een theaterbewerking van de roman op de proppen komen. Aan de Europese kant is er de monoloogversie van Toneelspelersgezelschap Stan, die begin vorige maand tijdens ?De Zomer van Antwerpen? in première ging. Aan de Noord-Amerikaanse kant maakten het Canadese Théâtre Ubu en regisseur Denis Marleau er een middelgrote productie van die eind juli op het Festival van Avignon te zien was. Dat biedt natuurlijk enige stof tot vergelijking. De verschillen tussen beide ensceneringen zijn zo groot dat je als toeschouwer aangenaam verrast wordt door het feit dat één en dezelfde romantekst in staat is om twee totaal verschillende verbeeldingswerelden op te roepen. Tegelijkertijd valt het op dat Tg. Stan en Théâtre Ubu telkens andere aspecten van de tekst beklemtonen en uitvergroten. ?Maîtres anciens? van de Quebecqse groep heeft meer oog voor de zowel letterlijke als figuurlijke veelstemmigheid van Bernhards tekst en de vaak tegenstrijdige opvattingen van Reger. Er valt inderdaad wat voor te zeggen om de personages van Reger, Atzbacher of Irrsigler daadwerkelijk op de bühne gestalte te geven door telkens andere acteurs. Ondanks het overwegend monologische karakter van Bernhards tekst, komen ze als aparte karakters naar voren die hun eigen kleine idee hebben over wat Reger denkt en beweegt. Regisseur Marleau splitste bovendien het personage van Reger en Atzbacher op in twee rollen. Daardoor zet hij de gespletenheid van de twee hoofdfiguren verder in de verf en dat misstaat hier zeker niet. In het geval van Reger blijkt die verdubbeling ook dramaturgisch te kloppen : terwijl de ene Reger, bijvoorbeeld, even een stil toonbeeld van zwijgzame broosheid is, raast zijn driftige wederhelft er maar op los. Op de koop toe heeft Théâtre Ubu twee oudere acteurs in huis die op een aanstekelijke manier tonen dat ze voeling hebben met hun materiaal. ?Maîtres anciens? bezit bovendien vaart en ontsluit de onderhuidse humor van Bernhards tekst, wat kan een toeschouwer nog meer wensen ? De andere kant van de medaille, van dezelfde tekst bijvoorbeeld. En daarvoor kunnen we terecht bij Tg. Stan. SPRAAKWATERVAL.In tegenstelling tot hun Canadese collega's ligt het Antwerpse collectief niet bepaald wakker van de gespletenheid van de Reger-figuur. Damiaan De Schrijver, Jolente De Keersmaeker en Thomas Walgrave voelden merkbaar meer voor de taalkundige bravoure van Regers tirade, de razende spraakwaterval van zijn gekanker. De Stan-leden zetten het mes in Bernhards tekst. Ze sneden de bespiegelingen van Atzbacher en daarmee het hele personage weg evenals de slotdialoog tussen de twee hoofdfiguren, tot enkel het bot van Regers directe monoloog overbleef. Dat is natuurlijk een serieuze ingreep en daardoor slankt de oorspronkelijke, veelmazige thematiek van de tekst drastisch af. Op zich is dat nog geen argument om het kind van Tg. Stan met het badwater weg te gooien. Het heeft alvast het voordeel dat de overblijvende tekstfragmenten volledig op maat gesneden zijn van de dienstdoende acteur, Damiaan De Schrijver, die kunst- en cultuurpessimist Reger zowel van zijn sterke als zijn zwakke kanten laat zien. De herhalingen en het drammerige karakter van Regers monoloog, die door Atzbachers tussenkomst in het origineel minder in de kijker lopen, legt de acteur met veel zelfironie bloot. In zijn burgerlijk kostuum stapt hij met wijde passen door de lange, centrale gang van het op zich al imponerende St. Felix Pakhuis in Antwerpen, waar de première plaatsvond. Brede gebaren doen de rest. Vergroting, opstapeling en overdrijving, daar is het De Schrijver om te doen. Toch begint het smalle regieconcept zich na een tijd te wreken, ook al slagen de kleine pauzes met klassieke muziek er bij momenten wel in om het peil van de voorstelling weer op te krikken. De Schrijver weert zich als een duivel in een wijwatervat, en dat is knap. Maar of dat volstaat om de hele productie tot op hetzelfde niveau te tillen, is nog maar de vraag. Zo blijven ook nog twee andere vragen over deze ?Oude Meesters? onbeantwoord. In het begin van de voorstelling duwt Jolente De Keersmaeker een enorm houten paard, met De Schrijver erop, van de ene kant van de lange gang naar de publiekstribune aan de andere kant. De acteur start zijn monoloog vanop het enorme paard, glijdt er daarna vanaf en laat het voor de rest van de voorstelling links liggen. De functie van het paardenbeeld in het stuk Reger als Don Quichote ? Reger als een standbeeld dat van zijn paard en zijn voetstuk zakt ? wordt er niet duidelijker op. Een andere vraag die onbeantwoord blijft, is de rol van Jolente De Keersmaeker in het geheel. Met haar donkergrijze stofjas aan kan ze voor een kleurloze studiomeester in een groot stadstheater doorgaan. Of met wat meer moeite zou je haar als een doordrukje van de plichtbewuste ja-knikker en suppoost Irrsigler kunnen beschouwen. Dat moet je er bij wijze van spreken even bijdenken, want in de voorstelling zelf is er nauwelijks een aanwijzing voor die interpretatie. De Keersmaeker blijft letterlijk en figuurlijk aan de zijlijn staan en als voor De Schrijver de nood het hoogst is, heeft de souffleuse haar tekstboek bij de hand. Een iets te doorzichtig handigheidje. Paul Verduyckt Eerstkomende voorstellingen van ?Oude Meesters? door Tg. Stan op 12, 13 en 14/9 in Kortrijk (op locatie). Inlichtingen over de verdere tournee : tel. 03/227.13.81.Thomas Bernhard, ?Alte Meister?, 1985, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main. Nederlandse vertaling, ?Oude Meesters?, 1991, De Arbeiderspers, Amsterdam. Damiaan De Schrijver in Oude Meesters : het tragikomische gevecht van de eenzaat tegen de verruwde tijd. Damiaan De Schrijver : als een duivel in een wijwatervat.