Schrijven over schrijven, tot daar aan toe. Maar praten over schrijven, brr! Dat is zoals Louis Couperus het over het geluk zei: het is een vlinder die je niet kunt vangen zonder hem te verpulveren. Je praat uren over thema's en motieven, over de lagen in de tekst, en op het einde heb je nog altijd niets gezegd over het schrijven zelf. Je keert de taal binnenstebuiten, ontrafelt de grammatica. En je komt nog altijd niet dichter bij het moment waarop de pen het papier raakt. Wat er dan in de schrijver omgaat.
...

Schrijven over schrijven, tot daar aan toe. Maar praten over schrijven, brr! Dat is zoals Louis Couperus het over het geluk zei: het is een vlinder die je niet kunt vangen zonder hem te verpulveren. Je praat uren over thema's en motieven, over de lagen in de tekst, en op het einde heb je nog altijd niets gezegd over het schrijven zelf. Je keert de taal binnenstebuiten, ontrafelt de grammatica. En je komt nog altijd niet dichter bij het moment waarop de pen het papier raakt. Wat er dan in de schrijver omgaat. Zijn we niets vergeten? "O ja, alles!" "De beleving van een kunstwerk is er de essentie zelf van. Maar hoe breng je dat plezier onder woorden?", vraagt Pol Hoste zich zelf af. Hij publiceert al twee decennia, heeft een stevige en standvastige reputatie. Maar interviews wimpelde hij tot nu toe af. Ook op een podium zag je hem nooit. Nochtans heeft hij er alle talent voor, zoals bleek op de voorstelling van zijn nieuwste boek "De lucht naar Mirabel", het eerste deel van een driedelig "Carnet". Een speelvogel is hij, een meerstemmige acteur die wellicht ook als enige zijn polyfone teksten kan voordragen zoals hij zelf zou willen dat de lezer ze hoort. Hostes geschriften zijn caleidoscopische kijkdozen. Of muziekdozen. Hij plukt scènes, plaatst brokken taal naast elkaar die je niet naast elkaar zou verwachten. Met een bedoeling!, heel zeker, met een functie!, een boodschap! Maar toch vooral omwille van de esthetische beleving. Het eerste zou niet zonder het laatste kunnen, want dan schreef hij niet. Zo simpel is dat. "Ik probeer er iets heel moois van te maken. Als ik dat zeg, kijken sommige mensen mij raar aan, want Hoste, dat is toch een van die geëngageerde schrijvers nietwaar? Welja, het veroorzaken van schoonheid is het sterkste sociaal engagement. Ik zweer bij l'art pour l'art, en dat meen ik. De wiskunde probeert ook schoonheid te creëren vanuit een formule. Ik doe dat vanuit mijn taal. In "De lucht naar Mirabel" zoek ik het in de muzikale ontwikkeling van thema's. Dat kost soms moeite, er wordt al eens gevloekt en gehuild tijdens het schrijven, maar als het lukt, geeft dat een ongelofelijke vreugde." "Als ik naar de polyfonische muziek van Lassus of Deprez luister, geniet ik onwaarschijnlijk van het moment waarop een bepaalde stem invalt. Maar hoe leg ik dat uit? Het is niet moeilijk om tienduizend gevoelens te ervaren die je niet kunt benoemen. De essentie van een kunstwerk overstijgt zijn formulering. Dat is zoals met seks. De zin vergaat je als je het zou willen definiëren aan de hand van wetenschappelijke literatuur. Het lijkt dan algauw zo saai." "Geef uw lezers misschien de raad mee om naar een cd van Lassus te luisteren. Dat zegt meer. Weet je wat Hoste wil? Dat zijn lezers zich amuseren als ze hem lezen. Dat ze er betekenis in vinden, maar op een prettige manier. Daar dient literatuur toch voor? Anders moet je maar sociologische studies gaan schrijven. Soms komt mijn vriendin de kamer binnen als ik aan het schrijven ben en dan zegt ze: Ik kan zien dat ge er plezier in hebt. Het staat op uw wezen te lezen. Daar gaat het over. Het plezier duurt net zolang tot de eerste drukproef van een boek op mijn tafel valt. Dan is het gedaan met schrijven en schrappen. Vroeger was een boek ook echt een Buch. Een kastje van beukenhout, een schrijn. Afgesloten, opgeborgen, dichtgemetseld." We proberen het toch maar: formuleren, vertalen. De slang op zijn staart trappen. Komt dus allen wat dichterbij, lezers. Zoekt u een plaatsje op de punt van zijn pen. Want het is dààr dat alles samenkomt, de klanken die hij tapt en de scènes die hij plukt van Daknam tot Canada. Schrijven als een omgekeerde big bang. Ziehier wat wij lazen op zijn gezicht. WAT MEETBAAR IS, NIET WAAR ISHet is geen toeval dat er in Hostes werk zoveel landkaarten en treintabellen voorkomen. Of dat er veel taalgebruik wordt geëtaleerd dat pretendeert de werkelijkheid vast te leggen. Hij toont die taal, en ontkracht ze. Wat mensen vastpinnen, zet hij weer los, doorprikt hij. "Het mooiste compliment voor een schrijver, vind ik deze: Artiesten meneer, gaat daarmee naar den oorlog! Inderdaad, je kunt met literatuur niet naar de oorlog. Mag ik daar fier op zijn? Aan boord van een F16 is mijn boek totaal nutteloos. Dat is één meetbare kwaliteit van mijn werk. Je kunt een samenleving niet artistiek organiseren, of alles loopt in het honderd. Dat is het schone van de kunst. Het is een strijd tegen de finaliteit, tegen wat wij meten en menen te weten. Tenminste, daar is het mij om te doen." Pol Hoste heeft in zijn leven te vaak moeten horen dat iets waar was omdat het zo gezegd werd. Of omdat het nu eenmaal een "feit" was. Hij heeft er een allergie door ontwikkeld. Hij werd een tegenstribbelende natuur, een embêtant manneke. Iemand die altijd contrarie moet zijn. Hij werd van kindsbeen af om de oren geslagen met "feiten" die zijn vader uit De Rode Vaan spelde. Communisten, zijn ouders. Atheïsten. In het Vlaanderen van de jaren vijftig en zestig. En hij, een jongetje alleen. "Ik stond erbij en ik keek ernaar. Ik was niet in de jeugdbeweging, maar ik ging wel altijd naar de Wolfjes kijken. Ik keek als kind hoe de kinderen op de kermismolentjes zaten. Zelf stortte ik mij daar nooit in. Altijd al is er die afstand in mij geweest. Dat de buurjongens ouders hadden, dat wist ik wel. Maar waren mijn ouders wel de mijne? Bestond ik zelf wel? Dat klinkt heel absurd, maar zo heb ik het wel beleefd." "Zo werd ik later ook gevoelig voor kunstwerken die ten opzichte van zichzelf een afstand inbouwden. Voor taal die naar zichzelf verwees, vragen die bevraagd werden. Ik ben opgevoed in een verbale cultuur die hoofdzakelijk rationeel was. Ik ontwikkelde van de weeromstuit antennes voor een taal die het denken op losse schroeven zet. Taal wordt afgevlakt, in reclame en soaps. Dat werkt esthetisch en ideologisch beperkend. Als schrijver beoefen ik een tegenbeweging. Ik wil tonen tot wat die taal wel in staat is." "Toen ik negen jaar was, wist ik al perfect waar het om ging. En wat er schortte aan de taal die ik rondom mij hoorde. Het intuïtieve kwam er in dat milieu niet aan te pas. Het werd niet alleen ingeperkt door de rationaliteit, het werd gewoonweg in zijn bestaan ontkend. Schaken doe je met 32 stukken op 64 velden. En wil jij een andere beweging proberen, I'm sorry, maar we hadden afgesproken om te schaken." "'Objectiviteit' was voor mijn vader een stopwoord. Alleen wat je kon waarnemen, bestond. En daarmee werd de werkelijkheid geordend. Als je kwam aanzetten met iets wat buiten dat carcan viel, stortte de wereld in elkaar. Al als kind ervoer ik dat als een verschrikkelijke belemmering. Ik herinner me nog dat ik mijn vader vroeg of de maan er dan niet was, als je ze niet zag? Of waarom je het warm zou hebben omdat het achttien graden Celsius is? Temperatuur is toch relatief?" "Ik ben beginnen te schrijven om uit dat carcan te breken. Dat was niet alleen een mentaal keurslijf, het materialiseerde zich ook in het gedrag dat ik te volgen had. Het was de marsrichting en het was niet vrijblijvend om uit de pas te lopen. Ik heb de beperking van de vrije meningsuiting aan den lijve ondervonden. Het was voor mijn vader een feit dat er melk was, dat het warm was als het achttien graden was, dat de geneeskunde genas. Dé geneeskunde. Dat er zestien soorten geneeskunde bestaan, je moest er niet mee afkomen! In de DDR had je één boek over bevallen. En datzelfde boek stond in elke boekenwinkel. In Vlaanderen neemt de diversiteit in de boekhandels ook af, maar dat is een ander verhaal." "Het eerste boek dat ik ooit geschreven heb, heette "Het Einde". Zestig pagina's, één lange zin. Bijzonder warrig. Ik schreef dat met de hand en een vriendin tikte het over, met carbonpapier. Rosa heette ze. Jamaar Pol, zei Rosa, dat kan toch niemand lezen! Dus had ze die stroom in paragrafen en zinnen gegoten. Ze was lid van de Kommunistische Partij. Ik wist niet wat ik meemaakte. Dat was de inperking, het keurslijf dat over alles heen hing." Of waarom Louis Paul Boon problemen kreeg op De Rode Vaan. En waarom Hoste zelf bijna werd gemolesteerd toen hij kanttekeningen plaatste bij de brieven van Charles Ducal en Kamiel Vanhole. "Ze hadden mij gevraagd om die correspondentie in te leiden. Om daar mijn mening eens over te zeggen. Ik deed dat natuurlijk. Ik zei dat ik het moeilijk had met het Grote Gelijk dat uit hun brieven spreekt. O la la! Dat werd daar tieren en roepen." DE GOELAG IN OOST-VLAANDERENIn 1993 schetste stalinist Ludo Martens in een manifest het profiel van "de revolutionaire dichter". Ook die dichter is volgens Martens een ontregelaar, die onderdrukkende sjablonen en clichés te lijf gaat. Op Hostes mondhoeken staat het afgrijzen te lezen. "Ik weet wel dat de kunst tijdens revolutionaire momenten grote sprongen kan maken. Het is heilzaam om ook de bestaande dichterlijke vormen een neus te zetten, als men elders bezig is met de sjablonen van de samenleving overboord te gooien. En ik weet ook dat een schrijver meer moet doen dan de bestaande samenleving representeren. Hij moet bijdragen tot de verbetering van de wereld. Zo is dat. Tot daar ga ik nog mee met Martens, maar geen stap verder." "Want je moet vragen blijven stellen, en dat doet Martens niet. Alles wat teert op of leeft bij gratie van zogenaamd objectieve kaders, moet worden vervangen door de discussie. En de praktijk van de discussie op zich, niet de uitkomst, geeft vorm aan de samenleving. Wat ik vertel, staat haaks op de revolutie van Martens. Het staat haaks op Hugo Franssen die een dronken havenarbeider schrapt uit een boek van Marcella Baete. Daar wordt niet over gediscussieerd met de auteur, nee, het wordt geschrapt wegens 'niet revolutionair'. Vreselijk." "Ik heb Martens meegemaakt toen hij in 1968 vanuit Leuven naar Gent kwam om ons te vertellen wat we moesten doen. De wereld die hij bij mij opriep, was er één van boterhammen met confituur en colleges. Die gasten hadden het licht gezien, ze wisten perfect waar ze heen moesten. Zoals slimme bommen. Ja, dan moogt ge wel opkramen hé. Als die revolutionaire hervormers ooit hun zin krijgen, zul je het potverdomme geweten hebben. Dan kun je maar beter echt uitwijken, want wat ze willen, zullen ze vestigen te land, ter zee en in de lucht." "Dat is dus het gevaar van het weten, van de rechtlijnigheid. Van de revolutionaire rol van de dichters. Wie dan nog eens zijn vinger opsteekt, is hem kwijt. Toen de Berlijnse Muur viel, begon iedereen te jeremiëren over zaken die ik al lang wist, want ik had de goelag al meegemaakt in Oost-Vlaanderen, in mijn eigen tuin. Ik ben mij in mijn schrijven blijven verzetten tegen dat rigoureuze denken dat mij als kind al zo onwaarschijnlijk ergerde." "Als ik mijn venster openzet, zie ik een heel ingewikkelde wereld. Die complexiteit is overweldigend, en hoe langer je kijkt, hoe meer je ziet. Ik wil op zo'n manier schrijven dat ik dat complexe kan weergeven. Een mimetische relatie aanleggen tussen taal en wereld, dat is het project. Dat heb ik duidelijk voor ogen. De uitvoering is natuurlijk iets anders. Als je er zo over praat, lijkt het zo... af. En dat is het natuurlijk niet. Integendeel, hoe verder je die weg opgaat, hoe trager je vordert. Hoe groter de macro- en de microkosmos, hoe uitgebreider het detail. Het rechtlijnige verhaal doet de werkelijkheid geweld aan." "Ik ben altijd al verschrikkelijk nieuwsgierig geweest naar andere geluiden, naar de polyfonie van de werkelijkheid. En naar de gelijktijdigheid die ik dan probeer te vatten in tekst. Vandaar dat ik het zo vaak zoek in technieken uit andere kunstgenres: dans, fotografie, muziek. Wat mij boeit in de schilderkunst is de overgang van figuratief naar abstract. Het intrigeert mij om na te gaan of je dat ook in taal kan. Niet omwille van de abstractie zelf, maar omdat het juister is. Omdat het beter beantwoordt aan een levensgevoel in de tijd." DE AVERECHTSE DEMOCRATISERINGVijf fans houdt hij aan zijn monnikenwerk over. Zegt hij zelf. "Ik kan je hun namen en adressen geven." Hevige fans soms. "Ik voel me wel eens als de renner die een kermiskoers heeft gewonnen en die dan om de hals wordt gevlogen door een schoon meiske dat tegen de ongelovige omstaanders zegt: ziedet wel, hij heeft weer gewonnen!" Maar naar kermiskoersen komt nog volk kijken. In "De lucht naar Mirabel" valt de naam van Daniël Robberechts. Ook zo'n schrijver die ontregelde, doorprikte wat anderen vastpinnen. Ook een schrijver die, hoe langer hij naar de dingen keek, almaar meer dimensies en stemmen ontwaarde. Tot hij geen uitgever meer vond, want dat kan toch niemand lezen! Tot hij zichzelf schrapte. Ook voor Hoste is uitgegeven worden minder evident dan zijn stevige literaire reputatie doet vermoeden. Hij weet wat leuren is. "Ik wil het niet op mijn boterham krijgen dat ik elitair zou zijn. Ik vind dat zo'n cynische omkering. Wat de goegemeente democratisering noemt, vind ik juist anti-democratisch. De VTM is ondemocratisch. Geef de mensen een simpel verhaal, meneer Hoste. Maar de werkelijkheid is potverdomme complex! En mogen de mensen dat dan niet weten misschien? Hebben ze daar geen recht op? Moet je kernfysica gestudeerd hebben om je te mogen informeren over radioactiviteit?" "Democratisering betekent voor mij juist dat zoveel mogelijk mensen kunnen genieten van het complexe bericht. Want die verzameling van mensen beantwoordt zélf aan die complexiteit. Maak de mensen dus geen blaasjes wijs! Ik heb nooit geworsteld met het idee dat ik voor iedereen moest schrijven. Integendeel, als ik dat moet doen, knoop ik mij op. Want dan mag ik het voortaan nog maar over drie onderwerpen hebben. Dan mag ik het niet langer over de ervaring van temperatuur hebben, maar moet ik schrijven: het was achttien graden. Sorry, maar daar heb ik geen literatuur voor nodig. Je komt zo terecht in het patroon van de Hollywood-films. Dat zijn ook koekebakkenvlaaien. Altijd hetzelfde deeg, dezelfde vorm, één soort hamburgers. En die massaproductie, die verschraling, is juist de omkering van wat democratisering zou moeten zijn. We moeten leren zappen in de diepte. Als je dieper ingaat op één onderwerp, verwerf je een onwaarschijnlijk inzicht in zoveel meer zaken waarvan je het bestaan amper vermoedde." Anders dan Tom Lanoye en anderen blijft Hoste toch binnen de beslotenheid van het boek, tussen een voor- en een achterplat. "Ik zou het veel aangenamer vinden om met muziek bezig te zijn dan met literatuur. Misschien. Maar aan de andere kant is dat juist de hele arbeid van het schrijven, om het binnen die beperkingen te proberen. We hebben alleen maar onze taal. De hele ideeëngeschiedenis van West-Europa bestaat uit woorden. De filosofie reflecteert over de werkelijkheid door zichzelf in taal te formuleren." "Onze wetten zijn talig. Het is de taal die de dingen regelt, die de treinen op tijd of niet op tijd laat rijden, die de seksualiteit vastlegt, die kinderen in gevangenissen laat opsluiten. En met die taal werk ik ook. Dat is eigenlijk afschuwelijk. Als je met die taal probeert de kunstbeleving te vatten, doe je precies datgene waarvan de literatuur voor mij het tegendeel is: je legt vast, je lijft in." "Het is dus gevaarlijk om erover te praten. Voor je het weet, draai je de essentie mee in de mallemolen. Het lijkt zo welomlijnd allemaal. En dat is het net niet. We hebben het nu al uren over mijn struggle for language en over het schrijven als gevecht tegen finaliteiten. Dat is allemaal wel waar, maar het zegt nog altijd niet genoeg." Pol Hoste, "De lucht naar Mirabel. Carnet.", Prometheus, Amsterdam, 112 blz., fr.Filip Rogiers