Joseph Stiglitz was van 1993 tot 1997 economisch adviseur van de Amerikaanse president Bill Clinton en van 1997 tot 1999 als chef-econoom werkzaam voor de Wereldbank. De hoogleraar en Nobelprijswinnaar economische wetenschappen maakte van nabij mee hoe de Wereldbank en vooral het Internationaal Monetair Fonds (IMF) jammerlijk faalden bij het bestrijden van de financiële crises die Rusland en Oost-Azië aan het eind van de jaren negentig teisterden. Sterker nog: het ingrijpen van het IMF verergerde de recessies alleen maar. Hoe kan worden voorkomen dat de supranationale financiële instellingen in veel ontwikkelingslanden nóg meer schade aanrichten, zet hij uiteen in zijn pas verschenen boek met de veelzeggende titel Perverse globalisering.
...

Joseph Stiglitz was van 1993 tot 1997 economisch adviseur van de Amerikaanse president Bill Clinton en van 1997 tot 1999 als chef-econoom werkzaam voor de Wereldbank. De hoogleraar en Nobelprijswinnaar economische wetenschappen maakte van nabij mee hoe de Wereldbank en vooral het Internationaal Monetair Fonds (IMF) jammerlijk faalden bij het bestrijden van de financiële crises die Rusland en Oost-Azië aan het eind van de jaren negentig teisterden. Sterker nog: het ingrijpen van het IMF verergerde de recessies alleen maar. Hoe kan worden voorkomen dat de supranationale financiële instellingen in veel ontwikkelingslanden nóg meer schade aanrichten, zet hij uiteen in zijn pas verschenen boek met de veelzeggende titel Perverse globalisering. In enkele Amerikaanse kranten verschenen de afgelopen maanden artikelen met koppen als Stiglitz wordt het zwijgen opgelegd en Hoe de Wereldbank en het IMF Stiglitz de mond trachten te snoeren. De heisa die de voormalige topman van de Wereldbank veroorzaakt, heeft echter niets te maken met het openbaar maken van een complot. Hij beschuldigt de directie van de Wereldbank en van het IMF niet van het beramen en ten uitvoer leggen van een snood plan om de derde wereld te plunderen. Het is waar, schrijft Stiglitz, dat het IMF overdreven veel oog heeft voor de belangen van machtige westerse multinationals en banken en veel te weinig belangstelling heeft voor de voorstellen van regeringsleiders van de ontwikkelingslanden. De kern van het probleem is echter van ideologisch-academische aard: zowel de directeuren als de consultants van het IMF en zijn zusterinstelling, de Wereldbank, zijn al bijna twee decennia volledig in de ban van een uiterst rigide marktfundamentalisme. Stiglitz: 'De aanhangers van het marktfundamentalisme zijn in de jaren tachtig, onder het bewind van de Amerikaanse president Ronald Reagan en de Britse premier Margaret Thatcher, het IMF binnengekomen. Daar hebben ze snel een prominente positie verworven. Met als gevolg dat op den duur de aanhangers van alternatieve scholen van het economisch denken die instellingen begonnen te verlaten en er ook steeds minder andersdenkende economen werden gerekruteerd voor de leeggevallen posities. Aanvankelijk hebben de marktfundamentalisten overigens goed werk verricht. De crises waarmee het IMF in de jaren tachtig in Latijns-Amerika werd geconfronteerd, waren vooral te wijten aan het overdreven ruimhartige begrotingsbeleid van de regeringen op dit continent. Dat leidde tot hyperinflatie. Bovendien waren veel grote bedrijven in staatshanden en werden ze bijzonder slecht gemanaged. Een restrictief begrotingsbeleid en meer marktwerking waren inderdaad hard nodig in deze landen.' 'Sindsdien is er echter veel veranderd. De Zuid-Amerikaanse regeringen creëren tegenwoordig geen begrotingstekorten meer, maar overschotten. De inflatie is laag. Er is geen sprake meer van overregulering, maar eerder van een gebrek aan regulering. Toch komt het IMF bij elke crisis nog steeds met dezelfde oplossing: de belastingen moeten omhoog en de overheidsuitgaven omlaag; de rente moet worden opgetrokken om een kunstmatig hoge wisselkoers van de nationale munt in stand te houden; staatsbedrijven dienen te worden geprivatiseerd en maatregelen om kwetsbare sectoren van de binnenlandse markt te beschermen moeten worden opgeheven. De recessie waarin bijvoorbeeld Argentinië is beland, is daardoor niet opgelost, maar is verscherpt tot een depressie. In plaats van het land de financiële middelen te bezorgen om een tijdelijk liquiditeitstekort op te heffen - de oorspronkelijke taak van het fonds -, maken de maatregelen die het IMF oplegt het de ondernemers bijna onmogelijk om aan krediet te komen om nieuwe banen te creëren. Het gevolg is massale werkloosheid en in landen zonder adequaat sociaal vangnet is dat voor veel mensen een absolute ramp.' Joseph Stiglitz: Inderdaad. China is nagenoeg ongeschonden uit de Oost-Aziatische crisis van 1997-98 gekomen. Als het land de adviezen die het IMF de jaren voordien had gegeven had opgevolgd, zou het zijn financiële markt overhaast hebben gedereguleerd, zijn staatsbedrijven hebben geprivatiseerd en zijn wisselkoers hebben laten zweven. De crisis die landen als Thailand en Zuid-Korea in haar greep kreeg, zou in dat geval ook naar China zijn overgewaaid, met massale werkloosheid en grote sociale onrust als gevolg. Nu is China juist een stabiliserende factor geweest. De ongebroken kracht van deze economie heeft de regio geholpen de recessie achter zich te laten. China kon het zich veroorloven de adviezen van het IMF naast zich neer te leggen, omdat het geen beroep hoefde te doen op het kapitaal van het Fonds. De ironie van de zaak is echter dat uitgerekend de Verenigde Staten - het land dat toch de drijvende kracht achter de huidige koers van het muntfonds is - die adviezen evenmin opvolgen. Toen ik nog maar kort adviseur van president Clinton was, kwam het IMF met de waarschuwing dat de inflatie in de VS zou stijgen, doordat de werkloosheid sterk daalde. De rente moest daarom dringend worden opgetrokken. Onze economische adviesraad was het daarmee absoluut oneens. Onze modellen wezen er juist op dat de werkloosheid nog veel verder kon dalen zonder dat de inflatie daardoor ook maar enigszins zou stijgen. De geschiedenis heeft ons gelijk gegeven, want de Verenigde Staten bevonden zich op dat moment aan het begin van de langste periode van hoogconjunctuur ooit. De groei is jarenlang hoog gebleven, de werkloosheid uitzonderlijk laag en de inflatie eveneens. Hadden we toen het advies van het IMF opgevolgd, dan zouden we de economische groei in de kiem hebben gesmoord. Stiglitz: Het IMF heeft in hoge mate een ivoren-torenmentaliteit. Als er een advies moet worden uitgebracht over een land, gaat er lang niet in alle gevallen een medewerker naar dat land toe, en als dat wél gebeurt, sluit die zich enkele weken op in een vijfsterrenhotel in de hoofdstad. Zeker in Afrika krijg je dan een uiterst beperkt beeld van de situatie. Ik heb zelf uitvoerig gereisd en veel gesprekken gevoerd, niet alleen met overheidsfunctionarissen, maar ook met ondernemers, boeren, fabrieksarbeiders en werklozen. Ik was echter een uitzondering. Soms wordt er een externe consultant in de arm genomen, maar net als bij de werving van nieuwe medewerkers heeft het IMF bij het inhuren van externe krachten sterk de neiging mensen te kiezen die eveneens het marktfundamentalisme aanhangen. In veel gevallen wordt niet werkelijk een nieuw advies geformuleerd, maar gewoon het advies voor een ander land gekopieerd. Soms gebeurt dat ook letterlijk. Ik heb gehoord dat een medewerker ooit een rapport klakkeloos had overgeschreven, maar daarbij vergeten had de naam van de oorspronkelijke staat te wissen en te vervangen door die van het land in kwestie. Of het verhaal echt waar is, kan ik niet met zekerheid zeggen, maar dat zo'n anekdote de ronde doet binnen het hoofdkantoor is veelzeggend voor de mentaliteit. De directie vindt het hoe dan ook geen probleem dat het ene advies sprekend lijkt op het andere. Het IMF schrijft immers toch overal dezelfde standaardoplossing voor. Stiglitz: Inderdaad. Neem nu het voorbeeld van Ethiopië, een land dat ik in de jaren negentig intensief heb leren kennen. Het beleid van de regering om de duurzame ontwikkeling te stimuleren, was destijds voorbeeldig. Na meer dan een decennium communistische dictatuur en burgeroorlog was het van belang een goede economische en bestuurlijke infrastructuur op te bouwen. Scholen, wegen, ziekenhuizen waren daarbij evenzeer nodig als banken waar de kleine boeren aan goedkoop krediet konden komen om zaaigoed en gereedschap te kopen. De banksector van Ethiopië was slagvaardig, maar klein. Bijzonder klein zelfs, als je nagaat dat de hele sector evenveel vermogen had als één bank in een voorstad van Washington D.C. Toch vond het IMF het nodig deze broze en piepkleine financiële markt te liberaliseren. Het gevolg was dat de binnenlandse bankjes niet konden concurreren en de buitenlandse geen interesse hadden in goedkope kredietverlening aan arme boeren. De rente ging omhoog en het krediet werd onbetaalbaar voor veel landbouwers. De economische schade was groot, de sociale nog een stuk groter. Eigenlijk was niemand hierbij gebaat. Stiglitz: Het IMF heeft tientallen miljarden dollars in Rusland gepompt. Elke bankier had destijds kunnen vertellen dat de voorwaarden waarop Rusland die leningen kreeg niet deugden en het land het geld onmogelijk zou kunnen terugbetalen. Toch heeft het IMF niet geluisterd, omdat de regering-Clinton meer bezorgd was over de herverkiezing van president Boris Jeltsin dan over de economische ontwikkeling van de vroegere Sovjet-Unie. Het enige wat de IMF -miljarden deden, was de situatie tijdelijk stabiliseren. Inderdaad lang genoeg om te voorkomen dat de communist Gennadi Zjoeganow tot president verkozen werd. Daarna volgde toch nog een crash. De Amerikaanse regering had in die jaren oogkleppen op. Jeltsin en zijn kliek waren evengoed ex-communisten als de leiders van de officiële communistische partij en op dat moment evenmin geïnteresseerd in werkelijke hervormingen als de meeste andere apparatsjiks. De schoktherapie die de Russische regering op aanraden van het IMF heeft toegepast, heeft tot een wildwest-privatisering geleid. Door het ontbreken van een sluitend wettelijk kader, van mededingingsautoriteiten en afdoende democratische structuren, hebben de ex-communisten zich niet alleen van de macht, maar ook van het bezit van talloze staatsbedrijven kunnen verzekeren. Duurzame ontwikkeling interesseerde hen niet, wel zelfverrijking. Ik spreek daarom ook liever van de 'bolsjewistische therapie'. Als het IMF politiek onafhankelijker was geweest en had opengestaan voor kritiek en alternatieve beleidsvoorstellen, had dit drama zich nooit hoeven te voltrekken. Stiglitz: Ik ontwaar zowel retoriek, slechts bedoeld om de gemoederen te sussen en de continuïteit in het beleid te maskeren, als aanzetten tot werkelijke hervormingen. Het is nog te vroeg om te kunnen zeggen welke kant de ontwikkelingen binnen het IMF zullen uitgaan. Om een voorbeeld te geven: grootscheepse financiële reddingsoperaties, zoals ten tijde van de Oost-Aziatische crisis en de crash in Rusland, zullen tot het verleden behoren. Het IMF is voorzichtiger geworden met zijn geld. De aanpak van de depressie in Argentinië laat echter zien dat de essentie van het beleid dezelfde is gebleven. Het marktfundamentalisme ligt onder vuur, maar het blijft de heersende opvatting. Stiglitz: De marktfundamentalisten lijken in veel opzichten op de economen vóór Keynes. Ze zijn zo heilig overtuigd van de perfecte werking van markten dat een verschijnsel als werkloosheid in hun ogen enkel kan worden veroorzaakt door te hoge lonen. Werkloosheid is volgens hen nooit onvrijwillig. Voor wie wil werken, is er altijd een baan. Zo bezien was de massale werkloosheid van de jaren dertig gewoon het gevolg van een merkwaardig en plots algemeen verlangen naar vrije tijd. Keynes heeft destijds al afgerekend met dit blinde geloof in de markt. Omdat zijn theorie echter geen passend antwoord gaf op de inflatie van de jaren zeventig is ze in diskrediet geraakt en vervangen door de neoklassieke aanpak, die nu het IMF zo overheerst. Natuurlijk kun je de concepten van Keynes niet klakkeloos toepassen op deze tijd, maar intussen hebben zijn aanhangers ook niet stilgezeten. Zijn ideeën zijn verder uitgewerkt, aangevuld en veranderd. Er bestaat ondertussen een bloeiende neo-Keynesiaanse school, waarvan ikzelf een van de exponenten ben. Ik verwacht dat onze invloed de komende jaren zal toenemen. Dat zal er hopelijk toe leiden dat het beleid van het IMF niet alleen effectiever wordt, maar ook socialer. De marktfundamentalisten zijn niet altijd blind voor de desastreuze sociale consequenties van hun beleid, maar rechtvaardigen dat met de bewering dat het op de lange termijn allemaal wel goed zal komen. Dat is een dooddoener, soms zelfs letterlijk. Tegenover die uitspraak plaats ik er dan ook graag een van Keynes, die in de jaren dertig tegen de marktfundamentalisten van zijn tijd zei: 'Heren, op de lange termijn zijn we allemaal dood.'Jeroen Kuypers Piet de Moor'In veel gevallen wordt niet werkelijk een nieuw advies geformuleerd, maar het advies voor een ander land gekopieerd.'