Ze noemen het Centraal-Azië, maar eigenlijk heeft de onherbergzame zuidelijke rand van de voormalige Sovjet-Unie niet echt een naam. Toch strijden de grootmachten al sinds de 19e eeuw om invloed in het gebied dat zich ruwweg tussen Turkije en China uitstrekt. In de literatuur over het Britse Rijk wordt dat The Great Game genoemd. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie is dat spel volop hervat. Want de ondergrond is er rijk aan gas en olie en republieken zoals Oezbekistan, Turkmenistan, Tadzjikistan en Kirgizië zouden wel eens broeihaarden kunnen zijn van radicaal islamisme. Afghanistan en Iran liggen vlakbij.
...

Ze noemen het Centraal-Azië, maar eigenlijk heeft de onherbergzame zuidelijke rand van de voormalige Sovjet-Unie niet echt een naam. Toch strijden de grootmachten al sinds de 19e eeuw om invloed in het gebied dat zich ruwweg tussen Turkije en China uitstrekt. In de literatuur over het Britse Rijk wordt dat The Great Game genoemd. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie is dat spel volop hervat. Want de ondergrond is er rijk aan gas en olie en republieken zoals Oezbekistan, Turkmenistan, Tadzjikistan en Kirgizië zouden wel eens broeihaarden kunnen zijn van radicaal islamisme. Afghanistan en Iran liggen vlakbij. Voor politiek wetenschapper Bruno De Cordier is de regio geen witte vlek op de kaart. Hij werkt nu voor de Conflict Research Group van de Universiteit Gent maar heeft vroeger jarenlang door het gebied gereisd, gewapend met een rugzak en een oprechte belangstelling. Hij schreef enkele jaren geleden ook een boek over Centraal-Azië, dat sinds kort in een geactualiseerde versie op de markt is. 'Het begon ermee dat ik aan de universiteit een eindverhandeling schreef over moslims in de Sovjet-Unie. Dat er in de zuidelijke rand van dat land traditioneel moslims leefden, wisten maar weinig mensen in het begin van de jaren negentig. Dat was voor mij genoeg om ze beter te willen leren kennen. Ik woonde er later enkele jaren in het kader van een humanitaire opdracht voor de Verenigde Naties, maar eerst reisde ik er gewoon op mijn eentje rond. Je kunt veel leren als je gewoon het openbaar vervoer gebruikt, de lokale markten bezoekt, de eethuisjes, met de mensen praat. Met je ogen en oren open. De kennis over de regio kwam in die jaren vooral van denktanks en salonanalisten, die ver bleven van de realiteit op het terrein.' De onderzoeker nuanceert de verhalen over 'balkanisering' en 'talibanisering', waar al die analyses toen voor waarschuwden. 'Maar ik kan die paniek wel begrijpen. In Joegoslavië was een oorlog aan de gang. De Sovjet-Unie viel uiteen, er ontstonden nieuwe staten. De mensen hoorden over obscure moslimvolkeren. Het scenario lag snel klaar. Ter plekke zie je hoe de mensen leven. Je leert ook een andere kant van de islam kennen. De moskee zorgt mee voor sociale samenhang en schept een kader voor sociale voorzieningen. Eigenlijk is de zuidrand van de voormalige Sovjet-Unie nog altijd een regio in volle dekolonisering. In Moskou horen ze het niet graag, maar Rusland was zowel onder de tsaren als onder de communisten in wezen een koloniaal rijk.' 'Eerst probeerden de grootmachten - Rusland, het opkomende China en de Anglo-Amerikaanse as - om er economisch aan invloed te winnen. De voorbije vijf, zes jaar werden ze ook militair actiever. Ze willen hun stempel op de toekomst van de regio drukken. Als er zich een botsing van beschavingen voordoet, is dat tussen die drie - niet tussen het Westen en de islam. Centraal-Azië zal een frontlijn zijn in die strijd. Maar dat geldt ook voor Sudan en toch nog altijd de Balkan. Dat is mijn indruk.' Aan de basis van die grote politiek proberen mensen te overleven, zoals ze dat overal doen. 'Wat opvalt, is een sterke sociale mobiliteit', vertelt Bruno De Cordier. 'De oude Sovjeteconomie klapte ineen. De nieuwe grenzen vallen niet samen met etnische of lokale realiteiten. De samenleving heeft een extreem aanpassingsproces doorgemaakt. Er is het fenomeen van de gastarbeid naar Rusland. Je kunt dat vergelijken met de arbeidsmigratie uit Turkije en Noord-Afrika naar Europa in de jaren zestig. Het geld dat de migranten uit Rusland naar huis sturen, is daar een vitale levenslijn geworden. Een plattelandsgebied in Tadzjikistan dat ik bezocht, was tevoren totaal verpauperd. Toen de roebels van de migratie toestroomden, kregen de gezinnen geld. Er is nu aanbod op de markten. Er staan tweedehandse Europese auto's op het erf. Satellietantennes op de daken. Die inkomsten betekenen voor de lokale bevolking meer dan alle westerse ontwikkelingshulp samen.' 'De mensen die naar Rusland gaan, komen daar in een andere omgeving terecht. Ze worden er met allerlei verlokkingen geconfronteerd, maar er is ook meer informatie dan ze thuis gewoon zijn. Literatuur over de islam en over wat er in de wereld gebeurt. In Rusland staan ze onderaan de ladder, maar thuis zijn zij rijk. Ze zijn soms jaren weg en beginnen daarna een zaak in hun dorp. Als ze een economische rol spelen, eisen ze ook macht. Ze stellen het gezag van de lokale machthebbers ter discussie. Er groeit dan een spanningsveld. Het gebrek aan economische democratie is belangrijker en wordt scherper aangevoeld dan het gebrek aan wat een liberale, westerse democratie wordt genoemd. Er zijn verschuivingen aan de gang die tot conflicten zullen leiden, maar die ook kansen creëren.' Het is dus niet helemaal een herhaling van de strijd in de 19e eeuw tussen koloniale grootmachten en stammen in de bergen. Er is ook geen vergelijking mogelijk met de Koude Oorlog. Er staan nu drie grootmachten tegenover elkaar, die alle drie een kapitalistisch model aanhangen. Het is ze om de toegang tot grondstoffen te doen, om de controle over de transportwegen van olie en gas, om afzetmarkten. En wat Rusland betreft, zeker ook om de toegang tot een reserve aan goedkope arbeidskrachten. De Amerikanen en Britten zijn, volgens Bruno De Cordier, in de eerste plaats in olie en gas geïnteresseerd. 'In het begin van de jaren negentig dachten ze dat er in de Kaspische kuip een nieuwe Perzische Golf was aangeboord. Op het glanspapier van investeringsbrochures zag het er ook goed uit. Maar daar zit niet meer dan een aanvullende reserve onder de grond, die nuttig kan zijn als het in de Golf helemaal fout gaat. Dat geldt trouwens ook voor, bijvoorbeeld, Sudan.' Dat wil niet zeggen dat die reserve niet wordt aangeboord. Of dat ze niet belangrijk is. Dat blijkt, bijvoorbeeld, uit de strijd om de controle over de pijpleidingen. Bruno De Cordier: 'Veel van de export loopt nog altijd over Russisch grondgebied, onder controle van Russische multinationals. Als het over multinationals gaat, denken veel mensen nog altijd aan westerlingen met dikke sigaren. Er zijn nu ook andere spelers. De Chinese staatsbedrijven zijn zeer actief. Het Russische Gazprom stuurt een groot deel van de gasproductie. De tijd dat het Westen economisch, cultureel en militair het centrum van de wereld was, is voorbij.' Ondertussen profiteert de lokale bevolking zelf nog altijd niet of nauwelijks van de nieuwe olie- en gasrijkdom. Dat komt, volgens De Cordier, omdat de energiesector in de meeste van die landen door buitenlandse multinationals wordt gecontroleerd of door joint ventures van buitenlandse multinationals met lokale bedrijven. En die zijn doorgaans in handen van de entourage van de president. 'De inkomsten blijven dus meestal op een bepaald niveau steken. Ze sijpelen niet door naar bredere lagen van de bevolking. Veel gaat op aan bombast en zogenaamde witte olifanten. Kazachstan gebruikt een deel van het oliegeld, bijvoorbeeld, wel om boeren aan goedkope kredieten te helpen, maar over het algemeen is de kloof tussen rijk en arm breder geworden.' De Gentse onderzoeker vindt het overigens niet zo problematisch dat die landen nu misschien wel te afhankelijk zijn van een paar grondstoffen. Dat was met Nederland en Noorwegen in de jaren zestig per slot van rekening ook het geval. De Centraal-Aziatische republieken hebben alleen niet dezelfde reflex om nu te investeren in economische diversificatie en sociale dienstverlening. 'Terwijl de inkomsten uit olie en gas wel verwachtingen creëren. Voorlopig kunnen ze de mensen nog wijs maken dat ze in een Kaspisch Koeweit leven. Als over enkele jaren blijkt dat niet iedereen daarvan profiteert, wordt de rekening gepresenteerd.' Bruno De Cordier heeft het in zijn boek ook over Georgië en Azerbeidzjan, twee landen die niet echt tot Centraal-Azië kunnen worden gerekend. Maar wat in de Kaukasus gebeurt, kan niet los worden gezien van de strijd om olie en gas uit Kazachstan en Turkmenistan naar het Westen te krijgen. Zeker Georgië is een belangrijk doorvoerland. De geplande uitbreiding van de NAVO naar de Kaukasus heeft met het energievraagstuk te maken. Ook het verzet van Rusland tegen die operatie moet op dezelfde manier worden begrepen. Dat verklaart ook de toenemende militarisering van de regio, waar een markt ontstaat voor de grootmachten om met knowhow en materiaal vrienden en cliëntstaten te maken. Landen zoals Georgië en Azerbeidzjan zijn daar gevoelig voor. Ze worstelen met de nasleep van interne conflicten of hebben een geschil met Rusland. Toch is de kans klein, zegt hij, dat het in de regio tot een open machtsstrijd komt tussen de grote spelers. 'Zoals tijdens de Koude Oorlog, zullen ze hun meningsverschillen via tussenpersonen uitvechten. Een grootmacht die een regime steunt, geeft het legitimiteit. China stelt in Sudan geen vragen over mensenrechten of over Darfur. Gazprom kijkt wel uit in de politiestaat Turkmenistan. Maar ook de manier waarop het Westen de revoluties in Oekraïne en Georgië van een afstand heeft gestuurd, is een manier om de tegenstand uit evenwicht te brengen.' De Cordier vreest niet dat de nieuwe Centraal-Aziatische republieken zich uiteindelijk te buiten zullen gaan aan extreme vormen van nationalisme of dat ze in een radicaal islamisme zullen vervallen. 'De echte breuklijn loopt niet meer tussen verschillende etnische groepen of religies. Ze loopt tussen diegenen die profiteren van de olie- en gasboom en diegenen die daar niet van profiteren. Wel zie je dat er zich in landen die aan China grenzen een anti-Chinese xenofobie ontwikkelt. Het is een oude vrees dat China het met de lokale, corrupte overheden op een akkoordje gooit om de dunbevolkte steppen in te palmen. Ze hebben het idee dat de Chinezen niet alleen alles opkopen, maar dat ze ook hun eigen arbeiders meebrengen en de lokale economie kapot maken met de import van goedkope massaverbruiksgoederen.' 'Centraal-Azië wordt ook niet de volgende islamistische brandhaard. Het is wel zo dat grote groepen in de samenleving een nieuwe, actieve belangstelling aan de dag leggen voor de islam. Het geeft hen een soort van identiteit. Een kader voor normen en waarden. Het is ook een misvatting dat het vooral of uitsluitend om conservatieve dorpelingen gaat. Het zijn zelfs vaak jonge mensen uit niet-religieuze families of kleine en middelgrote ondernemers met toegang tot het internet. Dat is een ontwikkeling die wij in Europa onderschatten omdat de secularisering hier een feit is. Maar je ziet hetzelfde gebeuren onder christenen in sommige delen van Afrika.' Dat wil niet zeggen dat die mensen extremisten zijn, zegt Bruno De Cordier. 'Er is niets mis mee om meer als moslim te willen leven. Om daar een bepaalde waardigheid in te zoeken en te vinden. Een regime zoals dat in Oezbekistan gebruikt het islamisme wel als een alibi en verkoopt zijn eigen repressieve optreden als een onderdeel van de oorlog tegen de terreur. Maar het radicale islamisme heeft in de regio geen draagvlak. We hebben niet te maken met een Centraal-Aziatische variant van zoiets als de Groupe Islamique Armée in Algerije. Geweld kan hooguit de proporties aannemen van het extreemlinkse geweld van de Duitse Baader-Meinhofgroep of het Franse Action Directe in de jaren zeventig en tachtig in Europa. Groepen zonder veel basis bij de bevolking, maar met spectaculaire acties en veel aandacht in de media.' Bruno De Cordier ziet in die zuidrand van de voormalige Sovjet-Unie dus ook niet meteen een nieuwe taliban ontstaan, die het de NAVO in het belendende Afghanistan weer bijzonder moeilijk maakt. Toen de oorlog tegen de taliban na de aanslagen van 11 september 2001 begon, had hij een veldkantoor in het grensgebied tussen Kirgizië en Tadzjikistan. Hij moest er voor rekening van de Verenigde Naties opvang organiseren voor eventuele vluchtelingen. Hoe reageerden de mensen daar op die oorlog? De Cordier: 'Verrast en afwachtend. Ze voelden in eerste instantie mee met de Amerikanen, voor wat er in New York was gebeurd. Die houding veranderde niet door Afghanistan, maar door Irak. Zoals dat ook bij ons het geval was. Bovendien bleek snel dat de Amerikanen financieel en militair met het crapuleuze regime in Oezbekistan in zee gingen. Dat snapten ze niet. Wat bleef er dan nog over van dat hele discours over mensenrechten en democratie?' Nieuw is, volgens De Cordier wel, dat de taliban in Afghanistan niet meer zo homogeen zijn als tevoren. De oude groep rond Mullah Omar heeft nog wel de bovenhand in de zogenaamde raad van Quetta, de stad in Pakistan waar ze onderduiken en regelmatig bijeenkomen. Maar hij ziet, bijvoorbeeld, ook hoe de enkele honderden overgebleven strijders van Al-Qaeda wegen op de ideologie en de militaire technieken die worden gehanteerd. De gore zelfmoordaanslagen en het gebruik van westerse gijzelaars, die vooral publicitair interessant zijn. 'Maar er zijn ook tendensen die te vinden kunnen zijn voor een bestand met de regering in Kabul en met de NAVO. Aan de ene kant heeft de NAVO een proces doorgemaakt. Wat begon als een wraakoefening voor 11 september is een les in bescheidenheid geworden. Aan de andere kant wil een meerderheid van de Afghanen ook niet dat de NAVO vertrekt. Ze hebben geen zin in een terugkeer naar het terreurbewind van de tientallen krijgsheren die in de jaren negentig in Afghanistan de plak zwaaiden. Ze hebben vaak meer slechte ervaringen met geloofsgenoten en met de extreem brutale Russische bezetting uit de jaren tachtig dan met de westerse troepen. De NAVO mag dat krediet niet verspelen.' De alliantie heeft in Afghanistan een bijzonder breed mandaat. Ze vervult er ook opdrachten die traditioneel tot de ontwikkelingssamenwerking of de humanitaire hulpverlening behoren. De Cordier is ervan overtuigd dat de NAVO vooral een meerwaarde heeft met de wederopbouw van het Afghaanse leger en de politie. 'Onderzoek leert dat het leger een grote legitimiteit bij het volk heeft. We moeten daarin investeren. Als er een fatsoenlijk niveau van veiligheid is, kan er in die landen veel. Het is een ondernemende bevolking. Ondanks de aanslagen en de oorlog is er een dagelijkse economie die werkt. De mensen trekken hun plan. Je moet ze niet overstelpen met massale hulp. Je moet ze niet verplichten om onze democratische instellingen te kopiëren. Je moet de realiteit in de gaten houden. Wat willen de mensen? Veiligheid. Wie kan daarvoor zorgen? Het leger en de politie. Het leger en de islam zullen hoe dan ook een sleutelrol spelen in de toekomstige Afghaanse staat. De islam is niet genoeg om het land bijeen te houden. Er is meer nodig. Maar dat is niet de westerse liberale democratie, want daarvoor is er in Afghanistan maar een beperkt draagvlak.' Bruno De Cordier beseft natuurlijk ook dat het Afghaanse leger niet is wat in de progressieve salons als een democratisch middenveld wordt beschouwd. Maar het sluit, volgens hem, wel beter aan bij de realiteit van het land dan op westerse leest geschoeide niet-gouvernementele organisaties, waarvan het draagvlak niet verder reikt dan enkele intellectuelen in de steden. 'Zeker bij veel Amerikanen leeft nog het gevoel dat de islamisten moeten worden aangepakt. Maar bij de officieren aan het front hoor je een heel ander verhaal.'BRUNO DE CORDIER, BLINDE REGEN. CENTRAAL-AZIë IN DE FRONTLIJN, ACADEMIA PRESS, GENT, 213 BLZ., 20 euroDOOR HUBERT VAN HUMBEECK