Het lag voor de hand dat de bijeenkomst plaats zou vinden in het huis van de stamvader. De nu 75-jarige Edward Carmeliet was zijn leven lang hoogleraar fysiologie aan de faculteit Geneeskunde van de Katholieke Universiteit Leuven. Als student boog hij zich al over de elektrische activiteit in de hartspier. Het onderwerp zou hem niet meer loslaten. Enkele jaren geleden bundelde hij zijn inzichten nog in een academisch naslagwerk.
...

Het lag voor de hand dat de bijeenkomst plaats zou vinden in het huis van de stamvader. De nu 75-jarige Edward Carmeliet was zijn leven lang hoogleraar fysiologie aan de faculteit Geneeskunde van de Katholieke Universiteit Leuven. Als student boog hij zich al over de elektrische activiteit in de hartspier. Het onderwerp zou hem niet meer loslaten. Enkele jaren geleden bundelde hij zijn inzichten nog in een academisch naslagwerk. En hoewel hij zich na zijn pensionering toelegde op de zang, als oudste lid van het personeelskoor van de universiteit, blijft hij ook wetenschappelijk actief. Hij publiceert nog steeds wetenschappelijke bevindingen, soms in samenwerking met zijn zoon Peter die aan de absolute wereldtop staat wat betreft onderzoek naar de factoren die de vorming van bloedvaten sturen. De 46-jarige Peter is de derde van de vier kinderen die vader Edward en zijn vrouw Joanna (een licentiate lichamelijke opvoeding) in vijf jaar tijd kregen. Drie van hen werken als wetenschapper aan de KU Leuven. De oudste, Bart, kwam niet in het wetenschappelijk onderzoek terecht - hij werd jurist, maar pent wel essays neer over onopgeloste vragen uit zijn vakdomein. Geert, de enige dochter, doet onderzoek naar beencellen. Ze heeft al experimenten meegestuurd met de spaceshuttle om de gevolgen van gewichtsloosheid op de botvorming te bestuderen. De jongste, Jan, werd ingenieur-architect, maar verzeilde ook in het wetenschappelijk onderzoek. Hij spitst zich toe op de studie van factoren die de aftakeling van bouwmaterialen in de hand werken, zoals zout en vocht. Waarmee hij wat in de voetsporen van zijn vader lijkt te treden, die als geen ander het transport van zouten en vocht door de membraan van hartcellen in kaart wist te brengen - een transport dat de elektrische activiteit genereert die nodig is om de hartspier aan de praat te houden. Elke twee weken blaast de voltallige familie verzamelen in het ouderlijk huis. Dan wordt er weinig over wetenschap gepraat - of toch minder dan vroeger. Ze zouden elkaar niet altijd kunnen volgen. Moeder Joanna kan uitleggen waar haar man zijn leven aan gespendeerd heeft, maar de precieze technische details gaan aan haar voorbij. Niemand in de familie ligt daar wakker van: de band is hecht, en de sfeer is goed. Het wel en wee van de kleinkinderen primeert in de gesprekken. 'Ik weet niet of ik iets in mijn genen heb dat voorbestemt tot wetenschappelijk onderzoek', vertelt vader Edward. 'Maar het observeren, het analyseren, zit blijkbaar toch in ons bloed. Ik ben een boerenzoon, hoewel mijn vader ook elektricien was, en ik heb altijd graag in de tuin gewerkt. Nu plant ik bijvoorbeeld zelf zaden van mijn eigen tomaten, en stel ik vast dat die snel terug evolueren naar kleinere tomaatjes met soms heel vreemde lichte en aparte kleuren. Over zoiets blijf ik mij verbazen. Maar ik heb niet het gevoel dat ik mijn kinderen in een bepaalde richting beïnvloed heb. Ze mochten doen wat ze wilden. En ik heb mijn dochter zeker niet anders behandeld dan mijn zonen, hoewel het in mijn tijd geen traditie was dat vrouwen in het wetenschappelijk onderzoek terechtkwamen.'De drie kinderen Carmeliet overwogen alledrie aanvankelijk om iets anders te doen dan wetenschappelijk onderzoek. Geert specialiseerde in kindergeneeskunde, maar koos later toch voor vorswerk. Jan was altijd met tekenen bezig, wou absoluut als architect aan de slag, maar ook dat mocht niet zijn. Peter was een begenadigd klassiek fluitist, maar zocht uiteindelijk zijn heil in de geneeskunde. 'Onze beide ouders hebben ons altijd erg gestimuleerd om creatief te zijn', zeggen de drie in koor. 'In de wetenschap of in eender welke andere discipline. Ons moeke had altijd enorm veel inspiratie. We werden aangemoedigd om na te denken en oplossingen te zoeken. We mochten ook regelmatig mee naar vaders laboratorium, waar we naar de kikkertjes voor de proeven mochten kijken, of naar cellen onder de microscoop. Tussen zes en negen 's avonds was hij altijd bij ons; daarna toog hij weer aan het werk. Dat is een voorbeeld dat wij nu volgen. We gingen ook mee als hij op sabbatjaar naar het buitenland vertrok, en dan zagen we hoe hard wetenschappelijk onderzoek kan zijn. We waren dus in ieder geval voorbereid op wat komen ging toen we zelf ook in de wetenschap stapten.' Een bindend element in de wetenschappelijke loopbaan van de vier Carmelieten, is het toeval. 'Ik was na mijn studie geneeskunde bijna voor een paar jaar naar Congo vertrokken', vertelt vader Edward, 'maar toen waren er nog omnipotente rectoren, en monseigneur Van Waeyenbergh besloot om me een positie aan te bieden. Als die man niet tussenbeide gekomen was, had ik misschien een heel ander leven geleid, en mijn kinderen misschien ook. In 1949 - ik zat toen in mijn tweede kandidatuur geneeskunde - verscheen er in een Amerikaans vakblad een publicatie over het maken van micro-elektroden. Je kon toen als student al in het onderzoek stappen, en mijn mentor zei me: lees dat artikel eens goed en maak dan zo'n elektrode om op de hartspier toe te passen. Dat was het begin.'Wordt het nooit vervelend, vijftig jaar lang met de hartspier bezig zijn? 'Nee hoor', zegt Edward met grote stelligheid. 'Het onderwerp verandert voortdurend. Ik heb de evolutie meegemaakt van het orgaan naar de cellen, vervolgens naar één cel, naar de membraan van die cel en naar één enkel ionenkanaal door die membraan. Dat is dus een heel grote schaalverandering, en telkens opnieuw een nieuwe complexe wereld die zich aandient. Om de tien, vijftien jaar was er een bijna totale vernieuwing van concepten. En ons werk had relevantie voor de ontwikkeling van geneesmiddelen die hartritmestoornissen bestreden.'Als je de vaderlijke lijn van afdaling in de hartstructuur zou doortrekken, zou je terechtkomen bij het moleculaire en het genetische aspect, net die domeinen waarin zoon Peter als een van de grootste experts ter wereld wordt beschouwd. 'Toch ben ik daar eerder toevallig in terechtgekomen', stelt Peter. 'Ik twijfelde lang tussen muziek- of ingenieurstudies. Maar ik heb uiteindelijk bewust voor geneeskunde gekozen, omdat ik inzag welke mogelijkheden daar nog open lagen. Ik wist meteen dat ik onderzoek wilde doen. Vroeger kon je dat makkelijk combineren met een klinische specialisatie, maar beide op topniveau doen is bijna onmogelijk geworden. De druk is veel groter dan vroeger. Ik doe nu zelf bijna geen experimenten meer, maar ben vooral in de weer met het runnen van mijn laboratorium.''Het is allemaal veel ingewikkelder geworden', bevestigt vader Carmeliet. 'In mijn tijd kon je met wat geluk als student al een publicatie hebben. Ik heb nog regelmatig als eenzaat gepubliceerd, maar dat is onmogelijk geworden - je bent nu bijna verplicht in een groep te werken om originele resultaten te behalen. Mijn kinderen zijn gelukkig van jongs af met anderen in contact gekomen, ook met andere culturen, want mijn vrouw hield zich actief bezig met de opvang van buitenlandse studenten in Leuven. Die mensen hadden het hier niet altijd gemakkelijk.'Als je de naam Peter Carmeliet intikt op een zoekmachine van het internet, krijg je meer dan zesduizend hits. Bij de naam Edward Carmeliet kom je niet verder dan een dikke tweehonderd. Maar dat kan vader Carmeliet niet storen: 'Ik ben trots op wat hij allemaal kan, maar in mijn tijd werkte het gewoon anders. Er was nog geen traditie van internationaal werk of van wetenschappelijk publiceren. Als je toen één deftige publicatie per jaar had, was je goed bezig.''Nu is het aantal publicaties belangrijker geworden' vult Jan aan, 'en het aantal keren dat die publicaties geciteerd worden. Vroeger kon je rustig onderzoek doen zonder de druk van het publiceren, maar dat is gedaan. Als je in een klein domein zit, waarin weinig gepubliceerd wordt, word je ook weinig geciteerd. Dat kan vervelend zijn.'Jan verzeilde ook per toeval in het onderzoek, omdat hij op een cruciaal moment de mogelijkheid kreeg een doctoraat te maken, en later een laboratorium te runnen. 'Dat krijgt minder aandacht dan dat van Peter, maar in ons domein behoren ook wij tot de top', stelt hij. 'Wij bestuderen het wooncomfort. Mensen brengen negentig procent van hun tijd binnenshuis door, dus is het belangrijk dat er aandacht is voor thermisch comfort, voor luchtkwaliteit en nu, in het kader van het broeikaseffect, voor efficiënte omgang met energie: laag verbruik en lage emissie van verbrandingsgassen. Het puur economisch denken uit de jaren zeventig heeft ondertussen plaatsgemaakt voor een ecologisch denken. Wij kijken onder meer naar de manier waarop stoffen door bouwmaterialen sijpelen. Wat niet alleen nuttig is voor het wooncomfort, maar ook voor het behoud van het cultureel erfgoed.'Is er dan helemaal geen parallel met dit werk en dat van zijn vader? 'De fysica is natuurlijk dezelfde', beaamt Jan, 'en wij zakken ook af van een grote schaal naar een kleine, nu zelfs tot op nanoniveau. Het gaat in se ook om transport van materialen gekoppeld aan chemische processen, zoals met ionen in hartspiercelwanden. Het grootste verschil is dat wij met stabiele, dode materialen werken in plaats van met levende. Een hartvat verandert voortdurend, terwijl dat met de meeste van onze materialen niet het geval is, beton uitgezonderd: dat reageert op zijn omgeving. Wij werken ook meer met modellen dan in de geneeskunde. We moeten ontwerpen, dus we moeten echt kunnen voorspellen wat er gebeurt.''Bij ons is het veel moeilijker om met modellen te werken', vertelt Geert. 'Er zijn in ons werk gewoon te veel dingen die we niet weten.' Ook Geert verzeilde in het onderzoek omdat er zich toevallig mogelijkheden aandienden, zoals de proeven met het beenweefsel van astronauten in gewichtloze toestand. Ze kon al enkele succesvolle experimenten in ruimtestations uitvoeren, maar verloor jammer genoeg gegevens toen de ruimteshuttle Columbia in februari 2003 bij zijn terugkeer in de aardatmosfeer ontplofte. Ze reageert rustig op de opmerking dat ruimteonderzoek toch veel kost om relatief weinig op te leveren: 'De experts van de Amerikaanse en Europese ruimtevaartorganisaties kunnen heel overtuigend zijn in hun verantwoording van wat we doen, want ze zijn er echt van overtuigd dat de aarde ooit ontvolkt zal moeten worden. Je moet natuurlijk altijd de beperkingen van eenvoudige experimenten kunnen zien, en je mag nooit te ver gaan in de conclusies die je trekt. Maar bepaalde processen lopen duidelijk anders in de ruimte dan op aarde, zeker in de botbiologie waarop ik me concentreer. Het lijkt erop dat individuele beencellen gevoelig zijn voor de zwaartekracht, en niet alleen een organisme in zijn geheel.'Sinds kort is ook Geert betrokken bij het onderzoek naar de bloedvatvorming waarin Peter excelleert. Een kwestie van de wagon aan een succesvolle trein hangen? 'Nee,' zegt Geert. 'We wilden het belang van vitamine D bij de ontwikkeling van beenweefsel onderzoeken en hebben daarbij gebruikgemaakt van een techniek uit Peters laboratorium. Waarmee ik niet wil ontkennen dat die evolutie naar bloedvatvorming er misschien niet geweest zou zijn zonder de expertise uit zijn laboratorium.'Ook Peter en Geert publiceren samen, maar net als met de publicaties die hij met zijn vader maakt, loopt dat probleemloos. De ene schrijft het werk samen met een student, de andere leest na en suggereert verbeteringen. 'Wij werken maar een paar honderd meter van elkaar, in hetzelfde gebouw' zegt Geert, 'dus ook dat maakt het makkelijk. Ik praat met Peter op dezelfde manier als met andere collega's, maar omdat je elkaar goed kent gaat dat natuurlijk wat vlotter. Je weet meer van elkaar en je moet niet altijd afwachten. Wij praten met elkaar niet anders over het werk dan dat we tijdens onze familiebijeenkomsten over de kinderen praten. Voor ons is wetenschap iets normaals.'Het prijsbeest van de familie is ontegensprekelijk Peter, maar hij voelt zich niet ongemakkelijk omdat hij zo veel aandacht krijgt: 'Ik ben niet ongelukkig om de prijzen en erkenning die ik krijg, maar dat is niet het doel van mijn werk. Ik leef voor het onderzoek, het zoeken naar het onbekende, het oplossen van vragen. Die motivering is nog lang niet weg. Zeker omdat ik besef dat ons werk naar een therapie kan leiden, voor bijvoorbeeld amyotrofe laterale sclerose (ALS): een verlammende en dodelijke spierziekte waar geen enkele efficiënte behandeling voor bestaat.'Weet Peter al waar hij met zijn baanbrekende werk naartoe wil? 'Ik denk daar veel over na. Ik blijf veel tijd spenderen aan het stellen van vragen. Ik durf al eens een stap achteruit zetten om te kijken of het nog altijd belangrijk is waar we mee bezig ben. Het onderzoek heeft natuurlijk openingen gecreeerd om nieuwe geneesmiddelen te ontwikkelen. Die stap willen we nu zetten, maar dat kunnen we niet alleen, daarvoor moeten we samenwerken met de industrie.'Was er dan helemaal geen stimulus van vaders werk om ook onderzoek in de hartsfeer te gaan doen? Peter: 'Nee, echt niet. Ik heb onderzoek in de Ver-enigde Staten gedaan, aan de universiteiten van Harvard en MIT waar de sfeer heel competitief was. Als er iets is wat ik daar geleerd heb, was het wel: hou je bezig met belangrijke zaken en doe nooit een experiment waarvan je het antwoord al op voorhand kent. De sfeer was daar zo competitief dat je niet anders kon dan belangrijke vragen stellen. Waarbij je natuurlijk risico's moet durven nemen, want als het misloopt heb je niks, zelfs geen kleine publicatie. Toen ik terug in Leuven was en moest beslissen wat ik ging doen, heb ik veel nagedacht en gelezen, en heb ik me de vraag gesteld: waar ga ik me mee bezighouden en waarom? De vorming van bloedvaten was toen nog geen echte topic, dus dacht ik: laten we daarvoor gaan.'Edward: 'De goede vraagstelling, dat is het belangrijkste in de wetenschap.'Peter: 'Ik heb enkele studenten die vanaf het begin zeiden: ik wil me niet met de details bezighouden. Dat is de goede mentaliteit. Veel Vlamingen durven niet echt creatief denken, staan er zelfs niet om te springen in het buitenland ervaring te gaan opdoen. Soms komen er studenten langs die niet weten wat onderzoek is, en die schrikken als ze zien wat het inhoudt. Ik daag mijn studenten altijd uit: het eerste jaar zeg ik wat jullie moeten doen, vanaf het tweede jaar moeten jullie mij zeggen waar het laboratorium zich mee bezig moet houden. Ik dwing hen om creatief te zijn, om zotte ideeën te durven lanceren. Verstand hebben is niet genoeg, je moet ook karakter hebben, tegen frustraties kunnen. Het is een mix van kenmerken die van iemand een goede wetenschapper maakt.'Jan: 'Toen ik Peter ooit in de VS bezocht, lukte er niks en was hij heel gefrustreerd. Hij zette door en uiteindelijk werkte het toch. Het blijft een groot nadeel dat de universiteiten vandaag niet staan te springen om risicovol onderzoek te steunen, dat niet per definitie iets zal opleveren. Je moet zelf héél erg overtuigd zijn van wat je doet als het jaren gaat duren voor je werk iets zal opleveren. Maar het is wel zo dat er doorbraken gerealiseerd worden.'Edward: 'Mijn kinderen hebben zich ook allemaal met kunst beziggehouden, grafische kunst en muziek. Dat stimuleert de creativiteit.'Peter: 'Wetenschap en kunst, dat is hetzelfde. Een goed wetenschappelijk artikel is als een mooi schilderij of een mooi muziekstuk. Veel mensen leven graag met mooie dingen om zich heen.'Edward: 'Het doet me plezier te zien dat ook de kleinkinderen creatief bezig zijn. De voorlaatste in de rij, bijvoorbeeld, is nog maar elf jaar maar al heel creatief in de keuken.'De kleinkinderen, de volgende generatie Carmelieten, een lange rij foto's tegen een muur van het grootouderlijke huis. Zitten er potentiële wetenschappelijke succesnummers tussen? 'Het is nog een beetje te vroeg om dat te zeggen', stelt een altijd bescheiden grootvader Edward. 'De oudste studeert nu wel elektrotechniek aan de universiteit...'Elektrotechniek? Dat neigt toch weer naar potentialen en grootvaders levenswerk? 'Nogmaals, ik heb nooit iemand in een richting geduwd', haast Edward zich te zeggen. 'Maar ik ben natuurlijk altijd blij dat ze het goed doen. Ik zie dat ook de volgende generatie de drang naar het experiment in zich draagt. Een van hen wilde ooit bij wijze van proef zijn eigen buskruit maken, stel je voor. Misschien zit het niet echt in de genen, die creativiteit, die onderzoeksmentaliteit, maar ik denk dat het in ieder geval mee door de omgeving gestuurd wordt. Een stimulerende sociale omgeving is enorm belangrijk voor de vorming van kinderen.'Door Dirk Draulans'Verstand hebben is niet genoeg, je moet ook karakter hebben en tegen frustraties kunnen.'Een bindend element in de wetenschappelijke loopbaan van de vier Carmelieten is het toeval.