Karnatische liederen uit Zuid-India.
...

Karnatische liederen uit Zuid-India.In India wonen drie grote groepen volkeren. Er is de oorspronkelijke (donkere) Dravidische bevolking die in stamverband in het binnenland leeft. Er zijn de volkeren van Hindoe-oorsprong van wie de geschiedenis in de veda's staat geboekstaafd. En in de 10de-11de eeuw kwamen de volkeren van Turkmeens-Perzische herkomst. De klassieke muziekcultuur heeft alleen betrekking op de laatste twee groepen. De muziek uit het noorden dat is de muziek die in Europa meer bekend is heet Hindoestanimuziek, die uit Zuid-India (de deelstaten Tamil Nadu, Kerala, Karnataka en Andra Pradesh) noemt men Karnatische muziek. Het hoogtepunt van die muziektraditie situeert zich rond het einde van de 18de, begin 19de eeuw. Vooral de componisten Muttuswami Dikshitar (1775-1834), Shyama Shastri (1762-1827) en Thyagaraja (1767-1847) leverden een aanzienlijke bijdrage. Algemeen is de Karnatische muziek minder gericht op het uiterlijke, op het virtuoze, maar schenkt ze meer aandacht aan de inhoud. Centraal staan de kîrtanam of kriti's, liederen opgedragen aan de Hindoegoden. Een hymne opent vaak met een âlâp, een inleiding waarin de te gebruiken râga (toonpatroon) en tâla (ritme) schematisch worden voorgesteld. De musici brengen de belangrijkste tonen bij herhaling tot klinken, al dan niet voorzien van versieringen en omspelingen. Volgt dan een eerste thema ( pallavi of kern) met aansluitend de anupallavi of ?na-kern?. Een derde deel ( caranam) verwerkt vervolgens motieven van beide themata. Met een terugkeer naar het eerste thema en een slot op de grondtoon of de bovenliggende kwint eindigt de kîrtan. Aruna Sayeeram is afkomstig uit Bombay, een belangrijke stad in de Tamilcultuur. Haar moeder gaf haar de eerste lessen. Daarna volgde ze tien jaar les bij S.M.T. Bhida, de muzikale erfgename van Veena Dhanamal. Sayeeram begeleidt zichzelf op tampura, een langhalsluit zonder frets, met vier snaren gespannen over een licht convexe toets. Die snaren worden met de rechterhand voortdurend betokkeld. Hierdoor ontstaat een zoemend, doorklinkend en ruisend klankbeeld, een soort bourdon die fungeert als achtergrond voor de zangstem. Het tweede begeleidingsinstrument is de mridangam, een tonvormige en tweevellige trommel. De zwelling in de klankkast is asymmetrisch aangebracht, zodat de twee vellen een verschillende diameter hebben. Op het vel met de kleinste diameter wordt in het midden een pasta in verschillende lagen aangebracht. Het andere vel wordt bedekt met een laag deeg die na het musiceren wordt verwijderd. De spanning op beide vellen wordt verkregen door het aandraaien van leren riemen aan de buitenzijde. Tot slot is er de viool, door de Portugezen in India geïntroduceerd, en vanaf de 17de eeuw in de Karnatische muziektraditie ingepast. Hierbij werd niet alleen de stemming aangepast, maar ook de speelwijze. Ze plaatsen de viool tussen voet en borst in, zodat men met snelle handbewegingen glissandi, oscillaties en andere typische versieringen kan uitvoeren. Tijdens de kîrtanam fungeert de viool ook als melodie-instrument, alternerend met geimproviseerde zangsolo's. Johan Van Acker Karnatische liederen uit Zuid-India op 8/1, 20.00, in de theaterzaal van Vooruit, Sint-Pietersnieuwstraat 23, Gent. Aruna Sayeeram : in de oude traditie.