'Sommige mannen worden tot leven gewekt door de seksuele eruptie; mijn grootvader ervoer voor de eerste keer extase toen hij zijn broek liet zakken op de helling van een Frans duin, waarna hij, voorzichtiger, zijn onderbroek liet zakken en er toen uitstapte.'
...

'Sommige mannen worden tot leven gewekt door de seksuele eruptie; mijn grootvader ervoer voor de eerste keer extase toen hij zijn broek liet zakken op de helling van een Frans duin, waarna hij, voorzichtiger, zijn onderbroek liet zakken en er toen uitstapte.' De grootvader die in Carol Shields' verhaal Uitkleden de hoofdrol speelt, is een van de eerste Canadese naturisten. Zijn vrouw daarentegen moet van dat naaktlopen aanvankelijk niets weten. Net zoals hij alles wil ontbloten, probeert zij de wereld te verhullen in zelfgebreide, -genaaide of gehaakte kleedjes. Niet alleen overtrekt ze de rieten tuinmeubelen met hoezen, voor de wasmachine naait ze zelfs eigenhandig een soort rokje waarachter het apparaat verstopt kan worden. Maar uiteindelijk zal ze toch zwichten. Hoezeer onze cultuur is bepaald door de tegenstelling tussen tonen en verbergen of tussen de zelf gecreëerde schijn en de angstvallig verborgen werkelijkheid, dat is het thema van Shields' nieuwste verhalenbundel, Kleren voor Carnaval. Dit komt wellicht nog het best tot uiting in het titelverhaal dat, zoals meerdere van de verhalen in dit boek, niet echt voldoet aan wat we traditioneel van deze literaire vorm verwachten. Geen begin, midden en einde en geen echte plot. Shields durft verhalen af te leveren die beschrijvingen zijn van wat er op een bepaald moment gebeurt, zonder dat daar meteen een lijn in te zien is. Zo bestaat Kleren voor Carnaval uit een tiental portretten van mensen die zich op een of andere manier een identiteit aanmeten door kledij of accessoires. Er is de vrouw die 's ochtends bijzonder goed oplet welke kleren ze aantrekt om naar het werk te gaan, de man die een appel wou kopen, maar uit de fruitwinkel komt met een mango, en twee zusjes lopen met een speldje op hun revers rond waarop ' Ik was in Happy Mountain' te lezen staat. Voor de kinderloze Wanda wordt een korte wandeling met een lege kinderwagen een hemelse ervaring en meneer Gilman ondervindt dat een tachtigjarige man met een bos rozen in de hand overal vriendelijk toegelachen wordt. Uiteindelijk zijn het natuurlijk allemaal poses die hier opgezet worden, dat weten de personages ook, maar zoals de man denkt die in de beslotenheid van zijn slaapkamer en in de greep van het geluk ronddanst in het met kant afgezette nachthemd van zijn vrouw: zonder illusies kunnen we niet leven. Hoezeer onze identiteit wel bepaald wordt door externe, soms lullige factoren wordt mooi geïllustreerd in Het ontbreken waarin een schrijfster geconfronteerd wordt met een toetsenbord waarvan de letter i niet meer werkt. Ach, niet getreurd, zo denkt ze aanvankelijk, en ze vat het plan op in Perecs voetsporen te lopen en een Canadese La Disparation te schrijven. Maar hoe ze ook probeert, veel vorderingen maakt ze niet. Niet dat er te weinig woorden zonder i zouden zijn, maar zonder die letter zou ze niet vanuit haar ik kunnen schrijven, wat meteen betekent dat ze niet kan schrijven. POTIG BEEST Opvallend is dat Shields vooral vrouwelijke personages gevoelig maakt voor de factoren die hun identiteit bepalen. Sterven uit liefde is bijvoorbeeld en aaneenschakeling van drie vrouwenportretten. Alle drie zijn ze, op verschillende plaatsen en in verschillende tijden, door hun man verlaten en alle drie denken ze eraan zelfmoord te plegen. Maar uiteindelijk beseffen ze de povere symboolwaarde van het potige beest dat hen vroeger besprong en beslissen ze toch maar verder te leven. Wie echter wel een eind aan haar leven maakte, is de vrouw van literatuurwetenschapper Dick Wentworth uit Slag. Ze deed het toen hij op nog maar eens een congres een onbegrijpelijk praatje stond af te steken. Op de wetenschappelijke bijeenkomst waar het verhaal speelt, staat Dick tijdens de receptie aan te pappen met de aankomende theoretica Lucy. Maar veel meer dan in zijn abstracte verhaal over een of ander insiders-onderwerp blijkt zij geïnteresseerd in het woord dat zijn vrouw voor haar dood op een briefje heeft geschreven. Wat dat woord precies was en de zoektocht ernaar, zo beseft zij, dat is pas literatuur. En ze legt het ook uit aan Dick, in zijn eigen idioom: '...omdat narrativiteit ovariaal is en niet ejaculatoir'. Een goed verhaal is als een eitje, het draagt een hele wereld in zich. Met dit verhaal zitten we in een van de twee milieus waarin Shields zich thuis voelt als een vis in het water: de academie en de letteren. Zoals ze in haar roman Het Swann-symposium al bewees, schrikt ze er niet voor terug af en toe flink de draak te steken met die milieus en dat doet ze ook hier. In De sjaal maken we bijvoorbeeld kennis met de schrijfster van de roman Ik heb geen tijm meer, een bestseller, maar niemand weet waarom en wie het in feite koopt, is al evenmin duidelijk. Volgens haar uitgever zijn het wellicht 'jonge werkende vrouwen die gekweld worden door eenzaamheid en onzekerheid', maar als we uitgevers mogen geloven, kopen die zowat alle boeken. Wanneer de roman de populistische Offenden-Prize krijgt, is het aanzien ervan natuurlijk helemaal naar de knoppen. De daaropvolgende promotietournee is een ramp. De tv heeft geen interesse in debutanten en de radio wil alleen boeken over kanker en kindermishandeling. Als er al eens een journalist komt opdagen, vraagt die geheid wat ze met het prijzengeld gaat doen en of haar man het goedvindt dat ze romans schrijft. Het boek dat eens een droom was, is dus een verschrikkelijke nachtmerrie geworden. Maar daarin staat deze schrijfster volgens Shields niet alleen. Dat is gewoon het leven zelf: 'We zijn te aardig, te gewillig, en ook te onwillig en steken in den blinde een graaiende hand uit, maar weten niet hoe we moeten vragen om datgene waarvan we niet eens weten dat we het willen.'Marnix Verplancke Carol Shields, 'Kleren voor Carnaval', De Geus, Breda, 221 p., - 18,00.