Bij het aantreden van de regering leek het vertrouwen onbegrensd. Vóór alle anderen kreeg de zwarte ex-generaal Colin Powell zijn ambt toegewezen. En toen de president zijn nieuwe minister van Buitenlandse Zaken aan het publiek voorstelde, werd hij zowaar emotioneel: 'Dit is een Amerikaanse held', zei George W. Bush. 'Net als ikzelf vindt hij dat we met vrienden en bondgenoten nauw zullen moeten samenwerken.'
...

Bij het aantreden van de regering leek het vertrouwen onbegrensd. Vóór alle anderen kreeg de zwarte ex-generaal Colin Powell zijn ambt toegewezen. En toen de president zijn nieuwe minister van Buitenlandse Zaken aan het publiek voorstelde, werd hij zowaar emotioneel: 'Dit is een Amerikaanse held', zei George W. Bush. 'Net als ikzelf vindt hij dat we met vrienden en bondgenoten nauw zullen moeten samenwerken.'Algauw bleek echter dat het buitenlandse beleid niet voor Powell alleen was voorbehouden. De president werd bijna uitzinnig toen hij vernam dat zijn nieuwe secretary of state het Clinton-beleid van het 'voorzichtige engagement' ten aanzien van Noord-Korea wilde voortzetten. Powell moest openlijk bijdraaien. Vreemd genoeg kreeg hij later toch zijn zin. Ook in de discussie over de omstreden plannen voor de bouw van een raketschild kon Powell zijn visie er niet doordrukken. Volgens hem was een diplomatiek vergelijk met Rusland absoluut noodzakelijk. Maar deze benadering beviel zijn tegenstanders binnen de regering niet. Haviken als vice-president Dick Cheney, minister van Defensie Donald Rumsfeld en nationaal veiligheidsadviseur Condoleezza Rice wilden het liever eenzijdig spelen. Laten we het ABM-verdrag van 1972 unilateraal opzeggen, beslisten ze. Dit anti-ballistic-missile-verdrag dat de bouw van een rakettenafweersysteem door Washington en Moskou verbiedt, was 'een anachronisme', vond president Bush. De meeste tegenkanting kende Powell nog in de kwestie Irak, een dispuut dat vandaag in alle hevigheid woedt. Met zijn pleidooi voor een herziening van de sancties tegen het land, stond hij meteen lijnrecht tegenover Rumsfeld en Cheney. Saddam Hoessein kan voor hen niet snel genoeg van de macht worden verdreven. En de haviken houden voet bij stuk. Wat Thomas Friedman van The New York Times al meteen omschreef als een interne strijd tussen 'koele internationalisten' zoals Powell en 'ideologische hardliners' als Rumsfeld en Cheney wordt hoe langer hoe meer op de spits gedreven. Na de aanslagen van 11 september was Powell nochtans duidelijk uit de schaduw getreden. Als eerste had hij de aanslagen omschreven als 'oorlogsdaden', waarop de Verenigde Staten met een eigen oorlog zouden antwoorden. Een strijd tegen het terrorisme, die ze niet alleen, maar binnen een wereldwijde coalitie zouden aanbinden. Who's not with us, is against us, dreigde president Bush in zijn gebruikelijke agressieve stijl. Wie anders dan een verzoener als Powell zou een coalitie voor steun aan deze regering op de been kunnen brengen? De verwachtingen ten aanzien van Powell waren bijzonder groot. De bombardementen op Afghanistan zouden niet lang uitblijven. De optie van Rumsfeld en zijn vice-minister Paul Wolfowitz om met de VS alleen een brede militaire aanval in te zetten op Afghanistan, Irak en delen van Libanon had hij weten af te wenden. De militaire actie zou slechts een onderdeel vormen van een brede aanpak met interventies via banken, de internationale justitie en politie en de inzet van veiligheidsdiensten, had hij geargumenteerd. Zijn grootste zorg was echter dat deze aanval niet zou zijn verlopen volgens zijn legendarische Powell-doctrine. Ruw geschetst luidt die als volgt: je doet geen militaire interventies tenzij ze van vitaal belang zijn voor het land. De politieke doeleinden moeten duidelijk en bereikbaar zijn. Het aanvallende land moet beschikken over een duidelijke militaire overmacht. Met die elementen in het achterhoofd was Powell in 1991 Koeweit binnengevallen. 'De man die de Golfoorlog gewonnen heeft', werd hij nadien genoemd. Maar op basis van die zelfde principes weigerde hij in 1992 Amerikaanse troepen in te zetten in Bosnië. 'Amerikaanse soldaten zijn geen speelgoedsoldaatjes die je naar believen kunt verschuiven op een wereldkaart', antwoordde Powell op een uitval van toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright. 'Waarom heb je zo'n superuitgeruste legereenheden nodig, als je ze niet gebruikt?', fulmineerde zij op haar beurt. Powell (65) is een man van het veld. Hij is de zoon van Jamaicaanse immigranten uit Harlem in New York. In de jaren zestig was hij tot tweemaal toe in Vietnam. Tijdens een eerste missie in 1962 raakte hij gewond en kreeg hij een onderscheiding, een Purple Heart. Zijn tweede opdracht was vooral getekend door de gruwelijke gebeurtenissen in My Lai in 1968. Amerikaanse soldaten hadden er honderden burgers verkracht, gemarteld en vermoord. In een onderzoekscommissie moest Powell uitzoeken wat er precies was gebeurd. Zijn besluit was dat het leger zich door de politiek had laten inzetten voor een onduidelijk omschreven doel. Het was misbruikt door de heerszucht van politici, en het ging fout. In zijn verdere carrière zou hij alles in het werk stellen om het aanzien van het leger terug te winnen. In de militaire hiërarchie zou hij al snel tot het hoogste echelon doorstoten. Na een stage bij het Witte Huis in 1971 werd hij de hoogste militaire adviseur van Caspar Weinberger, de minister van Defensie onder president Ronald Reagan. Hij concentreerde zich op de bewapeningswedloop, die onder Rea- gan een hoge vlucht zou nemen. Maar hij kwam ook midden in het Iran-Contraschandaal terecht. Powell was een militair: hij volgde de orders op die hem waren gegeven. En dus hielp hij bij de levering van de voor Iran bestemde luchtdoelraketten, een plan van de Nationale Veiligheidsraad in ruil voor de vrijlating van gegijzelden. Maar Powell had het diplomatisch gespeeld: hij had de zaak bij Weinberger aangeklaagd. Toen de affaire aan het licht kwam, werd hij dan ook niet verantwoordelijk gesteld. Toen Weinberger opstapte als minister van Defensie werd Powell, als gevolg van de stoelendans binnen de regering, zelfs nationaal veiligheidsadviseur van de president. Zijn loopbaan nam helemaal een hoge vlucht toen president George Bush sr. hem in 1990 tot voorzitter van de Joint Chiefs of Staff benoemde. De ' complete soldier' zoals Bush hem noemde, leidde de operatie Desert Storm in 1991. Zijn succes in de Golfoorlog zette de poort open voor een politieke carrière. Maar de viersterrengeneraal had nog altijd geen kleur bekend: was hij nu een Republikein dan wel een Democraat? Als hij wilde meedingen in de race naar het Witte Huis in 1993 zou hij naar buiten moeten komen. Zijn populariteit stond in elk geval vast: volgens opiniepeilingen stond 70 procent van de bevolking positief tegenover Powell. Hij was daarmee populairder dan de kandidaten Bill Clinton en Ross Perot. Maar Powell dong niet mee naar het presidentschap. Toen hij in zijn autobiografie My American Journey van 1995 schreef dat 'hij zich bij geen van de twee grote partijen in hun huidige vorm op zijn gemak voelt', was er niemand die twijfelde aan zijn oprechtheid. In 1993 al had president Clinton hem ontboden op het Witte Huis om hem de post van minister van Buitenlandse Zaken aan te bieden. Maar Powell, die als generaal elk verzoek van een president normaal gezien als een bevel zou hebben beschouwd, wees het voorstel af. En in zijn biografie schreef hij de veelbetekenende woorden: 'Be carefull what you choose, you might get it.'Het was uiteindelijk George Bush jr. die hem tot een politieke loopbaan zou overhalen. Sinds januari 2001 is hij minister van Buitenlandse Zaken in misschien wel de meest gespleten Amerikaanse regering ooit. De verbeten strijd tussen de duiven en de haviken laait almaar meer op, vooral wat de houding ten aanzien van Irak betreft. De gematigden willen een overhaaste aanval zonder directe aanleiding tot elke prijs vermijden. Dat zou de Amerikaanse bondgenoten vervreemden en het riskeert de coalitie in de strijd tegen het terrorisme op te blazen. De haviken echter zijn voor een snelle en directe aanpak. Volgens Donald Rumsfeld zijn er redenen genoeg om Irak binnen te vallen. Hij beweert zelfs dat er bewijzen zijn dat al-Qaeda onderdak heeft gevonden in Irak. Powell, die zich niet van zijn stuk laat brengen, vraagt tijdens een interview met de BBC dat 'wapeninspecteurs - als een eerste stap - opnieuw in Irak zouden worden toegelaten'. Volgens hem staat hij daarmee op één lijn met Bush, die 'duidelijk gezegd heeft dat de inspecteurs moesten terugkeren'. Maar vice-president Dick Cheney ziet 'inspecties niet als het eerste doel. En de president is dezelfde mening toegedaan'. Powell krijgt stilaan genoeg van het hele gedoe. Via intimi liet hij aan het magazine Time weten dat hij wil aftreden na de eerste termijn van Bush. 'Ik heb gedaan wat ik kon', zegt hij. 'Ik heb Bush hier gebracht en hem in zijn functie gesteund. Ik heb gedaan wat mijn hart me heeft voorgeschreven.' Misschien trekt Powell nog maar eens aan het kortste eind. Maar men kan zich afvragen of het wel verstandig is om hem te laten gaan. Hij heeft een uitgebreide politieke basis, zijn macht is bijzonder groot. 'Powell kan zonder Bush, maar kan Bush wel zonder Powell?', vragen sommigen zich af. Uiteraard staat het nog niet vast dat de populaire Powell in 2004 opstapt. Maar wie droomde van Powell als kandidaat voor het presidentschap, kan zijn dromen maar beter opbergen. Tegen zijn intimi was hij niet mis te verstaan: 'Aan de race voor het Witte Huis doe ik niet mee.'Ingrid Van Daele'Ik heb gedaan wat mijn hart me heeft voorgeschreven.'