Het moet in het jaar 1927 geweest zijn dat de duivel naar Moskou kwam met zijn trawanten, een clown en een grote zwarte kater. "Het was", schreef Boelgakov, "op een broeihete lentedag omtrent zonsondergang in het park rond de Patriarchvijver." Daar liepen schrijvers zich druk te maken over kunst en politiek: "Het geval wilde, dat de redacteur de dichter opdracht had gegeven tot vervaardiging van een groot opgezet dichtwerk met antigodsdienstige strekking voor het volgend nummer van zijn tijdschrift." Het ging er over het al dan niet bestaan hebben van Jezus en vandaar naar de godsbewijzen van Immanuel Kant. Dat was natuurlijk een gelegenheid die de duivel niet kon laten liggen. Die kwam de twee charmante atheïsten wat helpen.
...

Het moet in het jaar 1927 geweest zijn dat de duivel naar Moskou kwam met zijn trawanten, een clown en een grote zwarte kater. "Het was", schreef Boelgakov, "op een broeihete lentedag omtrent zonsondergang in het park rond de Patriarchvijver." Daar liepen schrijvers zich druk te maken over kunst en politiek: "Het geval wilde, dat de redacteur de dichter opdracht had gegeven tot vervaardiging van een groot opgezet dichtwerk met antigodsdienstige strekking voor het volgend nummer van zijn tijdschrift." Het ging er over het al dan niet bestaan hebben van Jezus en vandaar naar de godsbewijzen van Immanuel Kant. Dat was natuurlijk een gelegenheid die de duivel niet kon laten liggen. Die kwam de twee charmante atheïsten wat helpen. De "diaboliade" die dan wordt ontwikkeld met primaire toverij zoals het wegjongleren van personages naar Kiev, het valse dollarbiljetten doen regenen (in Moskou, 1927!), het bestraffen van lapzwansen en blaaskaken door hun hoofd af te rukken en andere grappen meer, draait vooral in het "literaire" en schrijversmilieu. Ze heeft tot strekking dat sommige schrijvers in de schrijversbond gelijker waren dan andere, en bijvoorbeeld bijna gratis konden eten in het beste restaurant van de stad, het restaurant van de schrijversbond. Eigenlijk gaat dat over de woede van de miskende auteur Mikhail Boelgakov, die zijn eigen ongeluk neemt om over de ellende van allen te spreken. Dat is de buitenkant van de wereld. Daartussendoor loopt het verhaal van Pontius Pilatus, de procurator over Jerusalem, die Jesjoea Ha-Notsri moet veroordelen, die erop betrapt is over politiek te spreken. Opgezet spel, dat ziet Pilatus ook wel, maar hij is er even grondig ingeluisd als Jesjoea zelf, en alleen moed en zelfopoffering zouden hem uit de situatie kunnen redden.TWAALF PROCENT CENSUURHet staat de lezer natuurlijk vrij dit verhaal als het verhaal van Pontius Pilatus te lezen, en er geen verwijzingen in te zien naar vadertje Stalin en Moskou in 1927 en volgende. Maar dat zou een verlies betekenen, waar het verhaal van Jerusalem veel van zijn wonderlijke, nergens opgehelderde kracht en schoonheid bij zou inboeten. Bovendien zou het moeilijk te begrijpen worden waarom Boelgakov dit boek bij zijn leven nooit afkreeg en waarom het na zijn dood in 1940 nog meer dan een kwarteeuw moest duren eer het, in 1966 en '67, zwaar verminkt door de censuur, in het "dikke" literaire tijdschrift "Moskva" verscheen. Daarbij waren in Boek 1 eenentwintig passages geschrapt, en in Boek 2 liefst 138, zo'n twaalf procent van de hele tekst. Hele stukken ervan werden er, schrijft vertaler Marko Fondse, incoherent en onverstaanbaar door. Maar hoe corrupt de tekst ook was, de drang om dit bijna mythologisch geworden boek bij het publiek te krijgen, was onweerstaanbaar, en al heel gauw verschenen er overal vertalingen van. Marko Fondse maakte er toen ook een. Hij had, naast de tijdschrifttekst, een uitgave van alle weggesneden stukken, zodat hij die er terug kon inlassen. Zijn vertaling van 1968 drukte de gecensureerde tekst cursief af, zodat de lezer kon volgen wat in Rusland staatsgevaarlijk gevonden werd. De tekst bleef nochtans corrupt. De heel nieuwe vertaling, zonder cursiveringen, die Fondse nu maakte samen met Aai Prins, doet voor het eerst in het Nederlands recht aan de roman zoals hij ongeveer geschreven werd. Zien hoe wondermooi deze Nederlandse tekst is, doet bedenken dat de Russische vast nog mooier is. PACT MET DE DUIVELCensuur, uithongering en verbrande manuscripten, kelderappartementen en verklikkers vormen dan de wereld van de binnenkant gezien: de wereld van de Meester - die niet de duivel is, maar een groot schrijver die gekortwiekt en gebroodroofd wordt - en van Margarita, die hem verloren is maar hem terugwil, met alle middelen. Dat is de wereld van het tweede boek, waarin de toeren van de duivel het niveau van de frats overstijgen. De Meester komt in het eerste boek nauwelijks voor, en Margarita al helemaal niet: het tweede boek vatte Boelgakov aan in 1932, toen hij het eerste al jaren half vergeten was. Hij had niet meer geschreven sinds 1925 en had zijn manuscript in de kachel gestopt. Net wat de Meester doet. Maar wat moet, dat moet. Margarita wil dat boek en z'n schrijver, en sluit daar een pact met de duivel over. Zij wordt heks, maar dan niet op zo'n moderne, ecologisch verantwoorde manier, gaat naakt op een bezem de lucht in, de ruiten van het officiële schrijvershuis inslaan. De trawanten van de duivel - een clown en een grote zwarte kater - steken het restaurant in brand. En heel Moskou wordt geblameerd en belachelijk gemaakt. Boelgakov zelf kreeg het einde dat hij voor de Meester voorzien had, de duivel is hem niet komen helpen - tenzij postuum. Postuum heeft hij Moskou belachelijk gemaakt en het schrijvershuis afgebroken, het boek uitgegeven en de censuur voor schut gezet. En de Meester onsterfelijk gemaakt.M.A.Boelgakov, Verzamelde Werken, deel 3, "De meester en Margarita", Van Oorschot, Amsterdam, 452 blz., 1899 fr.Sus van Elzen