De leuke meneer op bijgaand portret is Carl Reinecke (1824-1910). Hij ziet er grappig uit met zijn wollige bakkebaarden en zware wenkbrauwen. Hij lijkt zo weggelopen uit een blijspel van Molière. In werkelijkheid was Reinecke helemaal geen malade imaginaire, maar een levenslustige, allround musicus, een groot kunstenaar. Je ziet aan zijn gelaatstrekken en zijn mond dat hij ook een praktisch musicus was: één die niet zeurde, maar van zijn elfde tot op hoge leeftijd zo goed mogel...

De leuke meneer op bijgaand portret is Carl Reinecke (1824-1910). Hij ziet er grappig uit met zijn wollige bakkebaarden en zware wenkbrauwen. Hij lijkt zo weggelopen uit een blijspel van Molière. In werkelijkheid was Reinecke helemaal geen malade imaginaire, maar een levenslustige, allround musicus, een groot kunstenaar. Je ziet aan zijn gelaatstrekken en zijn mond dat hij ook een praktisch musicus was: één die niet zeurde, maar van zijn elfde tot op hoge leeftijd zo goed mogelijk muziek maakte. Hij was een beroemd pianist en dirigent - vooral groots in Mozartinterpretaties - en een uitstekend pedagoog. Tijdens zijn leven componeerde hij - vrij veel en alle genres - ook met succes, maar na zijn dood verdween zowat alles in de vergeethoek. Bij Timpani is echter een cd uitgekomen met enkele composities van hem waarbij de hoorn centraal staat. Het eerste is een trio voor hobo, hoorn en piano in a, opus 188. Wat een mooi eerste thema door de hobo! Het volgende komt van de hoorn, melancholisch en echt geschikt voor dit instrument. Heel fijn is ook het dromerige adagio. Na dit trio staat op deze cd een nocturne voor hoorn en piano, opus 112. Jammer genoeg wordt daar in de bijsluiter met geen woord over gerept. Als derde compositie opnieuw een trio maar nu voor klarinet, hoorn en piano, opus 274. Al dit moois wordt homogeen vertolkt door knappe muzikanten: Luc Devos aan de piano, Fabrice Melinon als hoboïst, Olivier Dartevelde op klarinet, en vooral Luc Van Marcke, die fantastisch fijn de belangrijke hoornpartij speelt. De composities zelf zijn niet wat je een must noemt. Het zijn juweeltjes maar geen kroonjuwelen. Ze klinken gewoon aangenaam en prettig. Het is allemaal lekker romantisch, expressief en melodieus. Reinecke knoopt hoorbaar aan bij Mendelssohn en Schumann, en is sterk beïnvloed door Brahms. Dat mag natuurlijk. Wat deze cd vooral de moeite waard maakt, is de herontdekking hoe heerlijk blazers samen kamermuziek kunnen maken, wat een plezier het is om dat te doen, en welke muzikale verrijking dat is. Muziekscholen zouden niet alleen intenser met bestaande harmonieën, brassbands en fanfares moeten samenwerken - laten ze er maar onnodige bijvakken voor schrappen - maar vooral voor blazers het samenspel "op kleinere schaal" moeten bevorderen, in kamermuziekverband derhalve. Samenspel is absoluut noodzakelijk voor een èchte muzikale vorming. En ten slotte over deze cd: je ontdekt opnieuw wat een wonderlijk mooi instrument de hoorn is, wat een pak gevoel je ermee kunt uitdrukken, wat een sfeerbeelden oproepen! Alle grote componisten wisten dat, van Mozart tot Tippett. Fons de Haas