Het nut van huistaken wordt in twijfel getrokken. Volgens een recent onderzoek door het departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zou 22 procent van de leerkrachten het huiswerk willen afschaffen. Heeft het nog zin, vragen de leraren zich af, de leerlingen thuis vraagstukken te laten oplossen nu ze met elkaar en met de rest van de wereld communiceren via Internet? Leerlingen e-mailen de oplossingen naar elkaar, schakelen zoekmachines in en raadplegen databanken. Alles is te vinden. Latijnse vertalingen, boekbesprekingen, oplossingen van wiskundevraagstukken, het staat allemaal wel ergens op een website. Wie een beetje handig omspringt met Alta Vista of Yahoo! haalt ze te voorschijn, miljoenen keren sneller dan wanneer hij ervoor naar de bibliotheek moet.
...

Het nut van huistaken wordt in twijfel getrokken. Volgens een recent onderzoek door het departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zou 22 procent van de leerkrachten het huiswerk willen afschaffen. Heeft het nog zin, vragen de leraren zich af, de leerlingen thuis vraagstukken te laten oplossen nu ze met elkaar en met de rest van de wereld communiceren via Internet? Leerlingen e-mailen de oplossingen naar elkaar, schakelen zoekmachines in en raadplegen databanken. Alles is te vinden. Latijnse vertalingen, boekbesprekingen, oplossingen van wiskundevraagstukken, het staat allemaal wel ergens op een website. Wie een beetje handig omspringt met Alta Vista of Yahoo! haalt ze te voorschijn, miljoenen keren sneller dan wanneer hij ervoor naar de bibliotheek moet. De klacht dat de meeste huistaken in die omstandigheden elke zin verliezen, lijkt daarom niet onredelijk. Maar dan geldt hetzelfde voor veel werk dat op de school zelf verricht wordt. Waarom nog moeizaam kennis verwerven die op het Internet voor het grijpen ligt? Waarom nog andere talen leren nu alle communicatie in het Engels verloopt? Waartoe dienen nog examens nu een leerling met zijn gsm het gevraagde van het Internet plukt? De discussie herinnert aan die van een jaar of twintig geleden in verband met de toen opkomende zakrekenmachientjes. Plots leek niets zo overbodig als het aanleren van de klassieke manier van delen en vermenigvuldigen, een werkwijze die niemand nog in de praktijk zou toepassen. Het argument dat de leerlingen niet van een technisch hulpmiddel afhankelijk mogen zijn en in staat moeten blijven rekensommen met het blote verstand uit te voeren, klonk geforceerd. Ook wie op papier een vermenigvuldiging of deling uitvoert zoals hij dat op de basisschool heeft geleerd, gebruikt zijn verstand niet maar past een blinde techniek toe (één naar links schuiven, laten zakken, optellen, één onthouden...) waarvan hij de werking niet doorziet maar de uitkomst wel vertrouwt. Wat kan dan het bezwaar zijn tegen een andere techniek die sneller en betrouwbaarder is? Misschien voelden de tegenstanders van het ongelimiteerde gebruik van de elektronische rekentuigen met hun bezwaren echter de toekomst al aankomen. Die is ondertussen gearriveerd met haar databanken, vertaalcomputers, spellingscontroles, grafische programma's en allerhande probleemoplossende software die veel menselijk talent overbodig maken. Waarom moet een student-ingenieur nog leren hoe een integraal op te lossen? Op het Internet vindt hij software die perfect numeriek integreert. Gedaan ook met moeizaam technisch tekenwerk; de computer projecteert en wentelt de ingewikkeldste objecten op commando. Hoe men in de didactische praktijk ook op deze middelen reageert, het gebruik ervan hoeft niet te betekenen dat de menselijke capaciteiten aftakelen. Integendeel, zij groeien en reorganiseren zich. Redeneren, berekenen, ophalen van herinneringen zijn denkactiviteiten die zich altijd in de hoofden van mensen hebben afgespeeld, eventueel ondersteund door schrijfwerk, en zich vandaag omvormen tot uitwisselingen in elektronische netwerken over de aarde. In Londen speelt een computer schaak, in Bombay bewaart er een gegevens over tropische vissen, in Helsinki bevindt zich een digitaal archief van de Koude Oorlog. Wie informatie zoekt, hoeft zich niet te verplaatsen, niet eens te weten waar het gevraagde vandaan komt; de informatie navigeert zelf, komt thuis aan en nestelt zich op de harde schijf. De cyberspace is de reële werkelijkheid, niet een virtuele. De aarde met haar onzichtbare afstanden en grenzen wordt een virtuele wereld die nog slechts in de verbeelding aanwezig is. Het Internet dat zich momenteel als een sferisch web over de aarde spant, is nog slechts de embryonale gedaante van een zwellende planetaire hersenschors. De mentale activiteiten die zich tot hiertoe in de afzonderlijke hersenen van menselijke individuen voltrokken, treden in verbinding, verenigen zich en zwermen uit over de planeet. Taken die gebundelde krachten vergen, concentreren zich in gespecialiseerde knopen van het planetaire brein. De Internetgebruiker hanteert de verspreide functies van het netwerk zoals een individu de verschillende lobben van zijn hersenen. Mobiele telefonie geeft op elke plaats aansluiting op het netwerk, zodat niemand van de globale hersencapaciteit verstoken moet blijven. Nog vóór het systeem volgroeid is, verstoort het al de traditionele wijze van werken en denken. Het gebruik van het collectieve brein ter uitbreiding of vervanging van de persoonlijke hersenen plaatst niet alleen het onderwijs voor problemen maar dompelt de hele samenleving in onzekerheden. Het gaat inderdaad om de vraag of huiswerk nog zinvol is, maar dan in de breedste betekenis van het woord. De vraag doemt op of nog lokale activiteit mogelijk blijft op een planeet die zich in één samengegroeide, cerebrale massa hult? Hoe ver reikt nog het individuele weten? Wordt het bewustzijn een diffuse ervaring? Wat zijn nog de kansen van zelfstandig, afwijkend, atypisch denken? De zakrekenmachientjes van de jaren zestig gaven een eerste aanleiding om over het probleem na te denken. Maar nagedacht werd er niet veel, wel standpunten ingenomen. Nog altijd leert elk schoolkind rekenen op papier, als een kunst die beoefend wordt om de loutere schoonheid ervan, zoals eertijds de kennis van de Griekse grammatica, en verder bleef op school de wereld wentelen als voorheen. Het Internet geeft een tweede signaal. Alvast de terminologie schept meer duidelijkheid: we "surfen over het wereldwijde web". Niemand kan het nog ontgaan dat het gebruik van informatie niet langer binnenshuis plaatsvindt. De wereld is weer een open zee geworden, met plaats voor opgeleide zeelieden en voor wilde piraten. Misschien is het beter nu geen standpunten in te nemen en niet te veel te besluiten. Denken kan nog slechts met een beweeglijke geest. Er hoeven geen oude methoden bewaard te worden, en ook geen afgeschaft. Zelfs geen huistaken. Er moeten alleen deuren opengezet worden zodat de geest kan varen waar hij wil. Wereldwijd.Gerard Bodifée