Hij werkt veel in Nederland, maar zijn woning staat op 'den Dam', vlak naast de kerk, in Antwerpen. Hij speelde glansrollen bij het Utrechtse gezelschap de Paardenkathedraal van Dirk Tanghe ( De wereldverbeteraar, Reigen...), monologen brengt hij vaak op eigen tekst. De hit Henry bijvoorbeeld, over iemand met een bewaarengel, en vorig seizoen nog Niks!, het relaas van een kleine man die door zijn eigen donkerte moet dreggen om weer bij levenslust uit te komen.
...

Hij werkt veel in Nederland, maar zijn woning staat op 'den Dam', vlak naast de kerk, in Antwerpen. Hij speelde glansrollen bij het Utrechtse gezelschap de Paardenkathedraal van Dirk Tanghe ( De wereldverbeteraar, Reigen...), monologen brengt hij vaak op eigen tekst. De hit Henry bijvoorbeeld, over iemand met een bewaarengel, en vorig seizoen nog Niks!, het relaas van een kleine man die door zijn eigen donkerte moet dreggen om weer bij levenslust uit te komen. 'Een rare vogel', noemt hij zichzelf. Via theaterspel de lichtheid van het bestaan naar de mensen brengen, daar is het hem om te doen. Zijn eigen wegen: Boeddha en boeken, klokvast mediteren, het eigen ego af en toe de kop indrukken. Zijn kronkels zijn origineel en grappig, maar ook donker en voor velen herkenbaar. Peter De Graef is een man die lang in de spiegel heeft staan kijken en daardoor ook anderen beter ziet. Zo praat hij ook: overtuigd, met een gezonde mengeling van doemdenken en optimisme. 'Iedereen is goed bezig!', klinkt het vrolijk. Maar dan plotseling toch weer bezorgd: 'Is de koffie niet te zwart?'PETER DE GRAEF: Het was eigenlijk Margrith ( Vrenegoor, bewerking en regie) die me vroeg of ik opnieuw wou gaan schrijven. Toen kwam ze met dat boek aan. Ik zei 'ja', maar wou wel liefst zelf meespelen. Zij heeft dan een trajectje door het boek geknipt, het was haar initiatief. Ik heb het naar mijn mond gezet. En daar ben ik nog mee bezig. Ik kende de naam Vonnegut, niet het boek. Maar het is verbijsterend hoe het aanleunt bij mijn eigen teksten. Zelfs de boodschap die erin steekt: 'de dood is niet het drama dat wij ervan maken', staat letterlijk in Manfred, een van mijn vorige stukken. Wij doen heel sentimenteel over doodgaan. Wie achterblijft, mist, natuurlijk. Maar voor diegene die sterft, is de dood niet erg. Wij zeggen dingen als 'je leeft maar een keer', zien het niet als een continu proces. Onzin. DE GRAEF: Ik vind reïncarnatie veel plausibeler dan 'het is afgelopen'. Waarom worden mensen anders op verschillende plaatsen geboren, en krijgt de ene geluk en de andere tegenslag? Mocht ik geloven dat het gedaan was, zou ik de wereld zien als een oord dat geschapen werd door een vreselijk cynische, onrechtvaardige god. De evolutietheorie? Dat is iets van wetenschappers, om er niet mee bezig te moeten zijn. Maar ook zij gaan inzien dat energie de grondslag is van alles. En dat je eigenlijk gelijkheidstekens kunt zetten tussen God en Boeddha. En dan ben ik weer mee. Maar zolang het een discussie is, is het oké. Het wordt pas moeilijk als mensen zeggen: Ik heb gelijk, en anderen niet. DE GRAEF: Onwaarschijnlijk, zo universeel. En waarom gebeuren die dingen? Het zijn drama's waardoor je tot bewustzijn wordt geranseld. Op korte termijn is het alleen maar dof lijden, toegegeven. En, omdat we ons eraan vastklampen, op lange termijn soms evenzeer. We moeten dus anders met tegenslag omgaan. Het bewustzijn karnen, tot het vet bovendrijft. DE GRAEF: Ik lees het als een verhaal van een mens die verlichting heeft bereikt en vandaaruit vertelt. Iemand die verbinding heeft met het kind in zich, het paradijs terugvond, en vandaaruit oorlogservaringen vertelt. Dan wordt het iets dat ontroerend en verzoenend is, hoe erg ook. Uiteindelijk vertel je altijd hetzelfde, er is maar één verhaal. Bij de Amerikanen is dat: held wordt aangevallen, slaat terug en vindt meisje. Bij mij is dat: mens is verloren in zijn ellende, wordt groot en vindt god, licht of verzoening. DE GRAEF: Behalve de zelfmoord op het einde, is het verhaal echt gebeurd. Het gaat over twee andere mensen. Wel zijn er veel gelijkenissen tussen hoe dat seksueel misbruikte meisje met haar kinderherinneringen omgaat en de manier waarop ik met de mijne worstel. Ik voel me goed begrepen door haar. De andere kant van het verhaal zijn dingen die bij me opkwamen toen ik zelf in een dieptepuntje zat, ja. Dat je inderdaad naar je eigen gedachten zit te kijken. Iedereen worstelt met trauma's, bij mij zijn ze misschien helderder. En je zit dan wel iets te schrijven dat zo van jezelf is, zo intiem, dat je denkt: wat gaan de mensen daaraan hebben? Want dat zijn taboethema's, op café begin je daar beter niet over. Het gekke is: in het theater betalen mensen ervoor, en klapt er nog iets open ook. Het intiem-persoonlijke is blijkbaar universeel. Mensen verstaan het en voelen zich ook verzoend: 'Ha, hij heeft dat ook.' DE GRAEF: Een ego is hardnekkig. Je moet het niet proberen dood te maken, wel er leren mee om te gaan. Ik houd bijvoorbeeld niet van concurrentie of prijzen. Dat maakt het goed spelen moeilijk. Als iemand me na een voorstelling een compliment maakt over de manier waarop ik de scène betreed, ben ik daar de volgende dag mee bezig en ga ik misschien anders opkomen. Tegen zulke dingen moet je je wapenen. Ik geef zelden complimenten aan acteurs. Ze kunnen daar niks mee. Je hebt er die denken: ik ben goed. Maar dat doet er niet toe. Kun je enthousiasme opwekken om een verhaal te vertellen? Kun je dat overbrengen, je daarmee opladen, de rest vergeten? Let wel, het is even nefast te zeggen: ik ben maar een matige acteur. Je moet vriendelijk zijn voor jezelf. Als de gedachte bij mij voorbijkomt, laat ik ze passeren. Goeie acteur? Oké. Maar ben ik in staat om gelukkig te zijn en anderen gelukkig te maken? Op dat vlak heb ik enorm gefaald. In mijn intiemste binnenste, waar ik ook de donkerste kanten kan zien, zie ik dat er geen enkele reden is om trots te zijn, of neerslachtig, of ontevreden. Het is een vrij neutraal gebied. DE GRAEF: Op haar principes ben ik al werkende uitgekomen. Pijn, vooral. Zonder masochist te zijn. In onze samenleving word je verondersteld je goed te voelen. En als het niet zo is, moet je er vooral iets aan doen. Dat lukt hoe langer hoe moeilijker, want de druk wordt zo groot. Er zijn zoveel mensen die moe zijn van het moeten. Gelukkig mag je nu wel al open en bloot zeggen dat je je slecht voelt rond de eindejaarsperiode. Wij kijken altijd naar de honger in de derde wereld. Maar de mentale honger in het Westen is onvoorstelbaar. Onze honger naar warmte, liefde. In Valsch Haar, een monoloog die ik regisseerde voor Herwig Deweerdt, zit een fragment waarbij een antropoloog aan een indiaan vraagt waarom dat volk altijd liedjes zingt over water. 'Omdat we het ver moeten halen, het voor ons evenveel waarde heeft als goud', antwoordt die indiaan. En wat merk je bij ons op de radio? Alle liedjes gaan over de liefde! Op dat vlak zitten wij in de woestijn. Heel de vorige eeuw hebben we onder het motto 'iedereen gelukkig' een welvaartstaat zitten creëren. Het gevolg van die luxe is, dat we minder weerbaar zijn geworden. We zijn zo makkelijk woedend, want we hebben zoveel pijn. Onze welvaart maakt ons ongelukkig, we moeten een weg terug, vooral mentaal. Wij willen alles hier en nu. Maar wie echt geliefd is, wordt voorzien in zijn ware behoeften. We weten niet meer hoe de mens in elkaar zit. Hoe het lichaam in elkaar zit, dát wel. Onze geneeskunde is zo perfect mechanisch. Maar de mens in zijn geheel? We zijn het aan het leren, maar wetenschappers en geneeskundigen blijven arrogant. Halen nog altijd alles uit elkaar en kijken naar kleine stukjes. De filosoof Immanuel Kant is de grote boosdoener van onze tijd. Hij zei: move alles wat er in je omgaat aan gevoelens. Hier heb je een meter, en die blijft overal en altijd een meter. Laten we daarmee de wereld veroveren. Met veel enthousiasme zijn we dat beginnen te doen. De fout is dat we op de rest niet meer letten. En dat gaat zich dan manifesteren in roepen, huilen, dingen kapotmaken. We geraken in conflict en vergeten dat het onze eigen woede is die zich manifesteert. Het onderscheid tussen goed en kwaad is ook beperkend. Het zijn twee aspecten van hetzelfde. Het heeft geen zin om het ene te betrachten en het andere te vermijden. Door het kwade te doorgronden, naar de dynamiek ervan te kijken, kunnen we wijs worden. Let wel, als ik juist bezig ben, ben ik niet de enige. Iedereen is juist bezig. DE GRAEF:Believe me. Wij kijken zoals God. Hij zag dat het goed was. Daar heeft hij gelijk in. Maar we zijn wel zoveel met onszelf bezig, met ons eigen lot en hoe we alles anders zouden willen. We prutsen altijd aan de wereld. In plaats van dingen hun gang te laten gaan en te zien hoe we creatoren zijn van ons eigen leed. Elk leven is een slechte B-film, waarin elk ego de hoofdrol speelt. De Taliban, dat zijn slechte acteurs. Bush, dat is geschmier van hier tot ginder. We moeten wat lichter naar het leven kijken. Er is een evolutie in die zin dat er in de jaren '50 bijlange niet zoveel depressies waren. Er gebeurt dus iets. We moeten ophouden ons te gedragen als wezens met maar vijf zintuigen. Veel mensen zijn al met verstilling bezig, die aandacht klapt naar binnen. Wij beginnen te ontdekken waar ze in het Oosten al lang mee bezig zijn. En daar ontdekken ze nu de vrije markt. We moeten leren het geheel zien, de binnenkant onderzoeken met de precisie waarmee we de buitenkant onderzoeken. Zoals een wetenschapper een vogel in de gaten houdt, zit ik graag op mijn kussen te kijken naar wat allemaal door mijn geest komt. Tot ik leer zien wat dat jongetje wel en niet nodig heeft. DE GRAEF: Ik heb lang dood willen zijn. En net voor mijn dertigste stond ik inderdaad eens op het punt dat ik niet voort wilde. Toen heb ik die ommekeer beleefd zoals die man uit Niks!: ik liep in het park, thuis lagen de pillen klaar, en opeens voelde ik me boven het leven uitstijgen. Later las ik over Braziliaanse jongeren die elkaar met aids besmetten. Uit protest tegen de overheid, maar ook om te ontsnappen uit de ellende: eens seropositief, ga je van elk moment genieten. Naar verluidt hangt er ook in de afdelingen ter dood veroordeelden in gevangenissen een rustige, serene sfeer. En de Tibetanen zeggen toch: leef alsof je straks doodgaat. Op een bepaald moment heb ik besloten: ik adem verder, tot de natuur me komt halen. En misschien heb ik in het uur van mijn dood ook angst. Maar het leven is mooi, de moeite waard. Ik heb niet de ambitie om de wereld in te gaan en iets te veranderen. Wel: mensen eens een andere bril doen opzetten. Je kunt dingen jaren meeslepen, dingen die dan ineens tevoorschijn springen en waarmee je aan de slag gaat. Het is ongelooflijk hoe wij onze eigen werkelijkheid maken. DE GRAEF: Zo gek is dat niet. Hoe vaak zitten we zelf in het hier en nu? We maken toch voortdurend plannetjes of foeteren op het verleden. DE GRAEF: Rosewater zegt dat tegen Billy: 'We zijn erachter gekomen dat we dezelfde aandoening hebben, namelijk dat we het leven zinloos vinden. Tenzij we onszelf in het universum opnieuw uitvinden. Sciencefiction is daarbij een dankbaar hulpmiddel.' Het fragment zit in het stuk. Ik pleit niet voor de Amerikaanse SF à la Spider Man. Dat is dom entertainment. Maar ik lees wat Tibetanen denken, of Steiner. Dat is ook SF: je verbeelding wordt tot het uiterste geprikkeld en toch ben je niet in staat je volledig voor te stellen waar ze op alluderen. En dan wezens die hier komen vertellen hoe wij in elkaar zitten. Of dat nu waar is of niet, doet er niet toe. Wát ze vertellen, dáár gaat het om. Die hebben altijd humor, je wordt daar altijd warm en zacht van. Annelies De Waele'Alle liedjes gaan over de liefde! Op dat vlak zitten we in de woestijn.''Elk leven is een slechte B-film, waarin elk ego de hoofdrol speelt.'