Het begrip 'consul' kwam rechtstreeks uit de rechtsorde van het oude Rome, dat na de staatsgreep ook als inspiratiebron diende voor nieuwe instellingen als het 'tribunaat' en de 'senaat'. De wetgevende macht werd uitgesmeerd over een Raad van State, die de wetsvoorstellen opstelde, een Tribunaat, dat over die voorstellen delibereerde, en een Corps Législatif, dat erover stemde. In die drie wetgevende Kamers werden de volksvertegenwoordigers verkozen via een ingewikkeld en getrapt kiessysteem. De bevolking koos op lokaal niveau de districtsvertegenwoordigers, die op hun beurt departementsvertegenwoordigers kozen, en die laatsten kozen dan weer de nationale volksvertegenwoordigers. Of tenminste een longlist van mandatarissen, want het was uiteindelijk de regering - de Eerste Consul dus - die uit die lijst de namen aanduidde die in de verschillende wetgevende organen mochten zetelen. Ten slotte was er nog één belangrijk orgaan dat in theorie de macht van de Eerste Consul kon beknotten: de Senaat. Die moest waken over de grondwettelijkheid van de wetsvoorstellen. Alle senatoren waren onafzetbaar, wat hun een grote onafhankelijkheid gaf. Maar nooit heeft de Senaat de corrigerende rol gespeeld die de wetgever had bepaald. Om te beginnen omdat Bonaparte geen rekening hield met wat in het Palais du Luxembourg werd gezegd, en vervolgens omdat hij de geringste politieke ambitie van de senatoren in de kiem smoorde door hun te bedelven onder allerlei gunsten en geschenken. Als keizer zou hij uiteindelijk zelfs spreken van 'mon Sénat', wat allicht meer dan voldoende zegt.
...