Het begrip 'consul' kwam rechtstreeks uit de rechtsorde van het oude Rome, dat na de staatsgreep ook als inspiratiebron diende voor nieuwe instellingen als het 'tribunaat' en de 'senaat'. De wetgevende macht werd uitgesmeerd over een Raad van State, die de wetsvoorstellen opstelde, een Tribunaat, dat over die voorstellen delibereerde, en een Corps Législatif, dat erover stemde. In die drie wetgevende Kamers werden de volksvertegenwoordigers verkozen via een ingewikkeld en getrapt kiessysteem. De bevolking koos op lokaal niveau de districtsvertegenwoordigers, die op hun beurt departementsvertegenwoordigers kozen, en die laatsten kozen dan weer de nationale volksvertegenwoordigers. Of tenminste een longlist van mandatarissen, want het was uiteindelijk de regering - de Eerste Consul dus - die uit die lijst de namen aanduidde die in de verschillende wetgevende organen mochten zetelen. Ten slotte was er nog één belangrijk orgaan dat in theorie de macht van de Eerste Consul kon beknotten: de Senaat. Die moest waken over de grondwettelijkheid van de wetsvoorstellen. Alle senatoren waren onafzetbaar, wat hun een grote onafhankelijkheid gaf. Maar nooit heeft de Senaat de corrigerende rol gespeeld die de wetgever had bepaald. Om te beginnen omdat Bonaparte geen rekening hield met wat in het Palais du Luxembourg werd gezegd, en vervolgens omdat hij de geringste politieke ambitie van de senatoren in de kiem smoorde door hun te bedelven onder allerlei gunsten en geschenken. Als keizer zou hij uiteindelijk zelfs spreken van 'mon Sénat', wat allicht meer dan voldoende zegt.

Jean Auguste Dominique Ingres, Napoleon op de keizerstroon, 1806. Zijn bewind werd na de keizerskroning van 1804 alsmaar meer autoritair. © Bridgeman Images

Na vele jaren van verscheurende conflicten en inefficiënt regeren was alles gericht op stabiliteit, niet op democratisering. Dat hield ook in dat de macht, na de revolutionaire experimenten met nieuwe vormen van bestuur en volksvertegenwoordiging, opnieuw grotendeels in de handen van één man was beland. Van een parlementaire democratie naar hedendaagse normen was dus geen sprake, maar het dient gezegd dat dit democratisch deficit niet alleen op rekening van de Eerste Consul kan worden geschreven. Onder het Directoire had de fel belaagde regering ook al de verkiezingen genegeerd, en eigenlijk was het al sinds 1789 nooit anders geweest. Telkens opnieuw was men in een gevecht op leven of dood gewikkeld, een gevecht dat draaide om het verdere bestaan van de Revolutie, het overleven van de revolutionairen zelf, de burgerlijke en sociale verworvenheden en - niet te vergeten - de territoriale veroveringen. Het doel was de republiek te behouden, ook al ging het ten koste van vrijheid.

Dat Bonaparte uiteindelijk een haast onbegrensde macht heeft verworven, kan men dus slechts in beperkte mate toeschrijven aan de man zelf - het was een logische maatschappelijke evolutie. Binnen de Franse samenleving bestond er ook een brede consensus over. Intellectuelen waren de kapsones van de straat beu en wilden een 'verlicht maar sterk bestuur'. De gewone mensen zelf waren al tien jaar lang van het ene kamp naar het andere geslingerd, hadden voor alle mogelijke zaken en voor alle mogelijke lui gestemd en vervolgens alle mogelijke beloftes zien verbreken. Men was het allemaal zo moe dat het stemrecht zonder morren werd ingeruild voor het plebisciet.

Dat plebisciet - een eenmalige volksstemming - kwam er in februari 1800. Met 3 miljoen stemmen voor en een kleine 1600 tegen werden de nieuwe Grondwet en het Consulaat door Frankrijk goedgekeurd. Overigens bracht slechts een op de vier kiesgerechtigden daadwerkelijk zijn stem uit, maar het is niettemin zeer waarschijnlijk dat de uitslag een getrouwe weerspiegeling van de publieke opinie in Frankrijk was.

Amper een maand na de coup werden Sieyès en Ducos als consul vervangen door Cambacérès en Lebrun, twee van Napoleons vertrouwelingen. De keuze was die van Bonaparte en ze was veelbetekenend. Lebrun had een uitgesproken rechts profiel en mat zich royalistische sympathieën aan. Zijn aanstelling moest de ongeruste burgerij tot bedaren brengen. Een keuze voor rechts dus. Cambacérès was als ex-revolutionair dan weer uitgesproken links, en zijn aanstelling kon bijgevolg worden gezien als een uitgestoken hand naar de jakobijnen. De boodschap was duidelijk: onder leiding van Bonaparte was het afgelopen met de ruzies en de vetes. Iedereen moest zich kunnen herkennen in deze nieuwe regering, maar wie dat weigerde, zou het ook voelen. Op sleutelposities werden bij voorkeur jonge mensen benoemd. Ook dat had een tactische reden: Bonaparte wist dat de tegenstand tegen vernieuwing vooral zou komen van mensen die veel te verliezen hadden bij verandering, dus de oudere, gesettelde elite van officieren en ambtenaren. Hij moest bijgevolg de steun winnen van de jeugd, en die kreeg hij door voortdurend jonge mensen te benoemen, te bevorderen, te prijzen en te loven.

Charles Thomas, Herhaling, 11 oktober 1939. De vergelijking tussen Napoleon en Hitler getuigt ondanks enkele overeenkomsten van weinig historisch inzicht. © Bridgeman Images

Een nieuwe staat, een nieuw land, zo leek het wel. In een enigmatische zin lieten de drie Consuls de bevolking weten dat een nieuwe tijd was begonnen. 'Citoyens, la Révolution est fixée aux principes qui l'ont commencée. Elle est finie.' Wat Bonaparte bedoelde, was dat het tijd was om te stoppen met de extreme uitwassen van de Revolutie en terug te keren naar het basisidee: gelijkheid en vrijheid, maar wel binnen een rechtsorde en een sterk centraal bestuur.

Vanaf zijn keizerschap in 1804 heerste Napoleon als een verlicht despoot. In 1807 werd het laatste wetgevend orgaan dat nog duidelijke oppositie tegen de keizer voerde afgeschaft. Het Tribunaat was al sinds het Consulaat het orgaan bij uitstek dat een gezond politiek evenwicht moest garanderen tussen de wetgevende en de uitvoerende macht. Nooit had het echt in die zin gefunctioneerd, ondanks de aanwezigheid van enkele schrandere en kritische geesten, zoals de liberale jurist Benjamin Constant. Maar zelfs die schuchtere oppositie bleek voor de keizer ondraaglijk.

Kunnen we Napoleon een dictator noemen? Voorzichtigheid en nuancering zijn hier op hun plaats. Het woord is te bezwaard en roept associaties op met de verwerpelijkste leiders van de twintigste eeuw, die over de hele linie absoluut niet vergelijkbaar zijn. Hem vergelijken met bijvoorbeeld Hitler getuigt van zwakke historische kennis. Ze hebben beiden oorlog gevoerd in Europa en Moskou aangevallen, jazeker, maar daar houdt de vergelijking op. Napoleon heeft nooit het racisme van Hitler in zich gehad, net zomin als hij zich aan genocide heeft bezondigd. Hij was een man van de verlichting, Hitler een van de absolute duisternis. Ook hun nalatenschap is heel verschillend. Napoleon liet een heel arsenaal van heilzame maatschappelijke vernieuwingen na, Hitler een uiterst negatieve en nutteloze destructie, die geen zinnig mens zou kunnen inspireren. Hitlers bekendste biograaf Ian Kershaw verwerpt elke gelijkenis tussen de keizer en de Führer als baarlijke cafépraat: 'Aan Napoleon kleeft geen morele schande.' Volgens hem was de nalatenschap van Hitler met niks te vergelijken. 'Uniek in moderne tijden - met alleen Attila de Hun en Dzjenghis Khan als eventuele vergelijkingspunten in het verre verleden - was zijn (Hitlers) verwezenlijking er een van totale vernietiging.'

Eugène Delacroix, de vrijheid leidt het volk, ca. 1830-1831 (detail). Napoleon was een groot voorstander van gelijkheid, maar de door de Revolutie vooropgestelde vrijheid hinkte achterop. © Bridgeman Images

Machtshonger

Het klopt dat Napoleon als geen ander de krachten beheerste waarmee de toenmalige politici werkten, maar het is een overdrijving te beweren dat hij zichzelf systematisch boven de wet stelde. Zowel Napoleon zelf als iedereen in zijn omgeving waren kinderen van de verlichting, met een fundamenteel geloof in de rechtsstaat. Zeer vaak krabbelde hij terug als aangetoond werd dat een maatregel strijdig was met recht of wet. Dat wil echter niet zeggen dat hij een onvoorwaardelijke voorvechter van de individuele vrijheid was. 'Ik haat de vrijheid helemaal niet; ik heb haar beknot toen ze mijn pad belemmerde. Maar ik voel haar goed aan, ik koester haar in mijn gedachten.' Dat was volgens Benjamin Constant wat Napoleon tegen hem over de kwestie had gezegd. Hij zou dus meer vrijheid hebben toegestaan indien mogelijk, dat wil zeggen als ze het algemeen project van het keizerrijk niet in de weg gestaan zou hebben. De conversatie vond plaats tijdens de Honderd Dagen in 1815, toen Napoleon Constant had gevraagd een grondwetswijziging te schrijven. Hij had de liberalen hard nodig en stelde zich inschikkelijker op dan ooit tevoren, getuige de volgende, niet echt karakteristieke uitlating: 'Vrije verkiezingen? Publieke debatten? Ministeriële verantwoordelijkheid? Een vrije pers? Ik ben ervoor. [...] De omstandigheden zijn veranderd, en ik ook. Ik ben ouder geworden. De rust van een constitutionele vorst zou me goed uitkomen.' Enkele weken later viel het doek.

Om Napoleon nog eens als verdediger van de politieke en individuele vrijheden te horen, moeten we terugkeren naar 1791. Toen schreef hij in zijn overigens middelmatige werkstukje Discours sur le bonheur: 'Vrijheid van denken is absoluut; vrijheid van meningsuiting is dus de basis van moraliteit, van de vrijheid en van het individuele geluk, op voorwaarde dat ze de sociale orde niet schaadt. [...] Wat is politieke vrijheid? Ze bestaat erin dat men uitsluitend gehoorzaamheid is verschuldigd aan de grondwet.' Vrijheid onder veel voorwaarden dus. Dat was het uitgangspunt, waaraan hij zich niet eens heeft gehouden. In de eerste plaats was hij een sterk voorstander van staatscontrole en dus van een geheime politie die dicht op de huid van de burgers zat. Tussen 1800 en 1814 heeft Napoleon 1100 brieven geschreven aan de opeenvolgende ministers van Politie Fouché, Régnier en Savary, waarin hij hen zelden vroeg wat milder op te treden. Integendeel.

Hugues Bernard Maret (1763-1839) was een tijdlang baas van Le Moniteur, de officiële spreekbuis van de keizer. Zijn slaafse onderdanigheid lokte veel spot uit. © Getty Images

Politiestaat

Binnenlandse spionage werd door Napoleon op grote schaal geëist en toegestaan. Daarbij ging het om uiteenlopende zaken, van staatsgevaarlijke moordcomplotten tot een onschuldig stukje satire in een afgelegen theaterzaaltje. Niets mocht door de vingers worden gezien, anders werd de keizer kwaad. 'U bent niet meer begaan met politiewerk in Parijs', schreef hij begin 1809 aan zijn minister. 'U veronachtzaamt de zaken en laat vrij spel aan alle soorten geruchten en nonsens. Laat surveillances uitvoeren bij traiteur Citerni, Place de Palais de Justice, en in café Foy.' Ernstiger was de deportatie van halsstarrige notabelen in België. Vanuit Schloss Schönbrunn bij Wenen schreef hij op 2 augustus 1809: 'Ik verneem dat sommigen in België klagen en van slechte wil zijn. Stuur enkele vertrouwde mannen daarheen en laat hen uitvissen om wie het gaat. We moeten de overheid zuiveren, de rotte appels eruit halen en 500 of 600 verdachten verplichten zich te huisvesten in Bourgogne of Champagne.'

Napoleon was ook dubbelzinnig als het op de rechtspraak aankwam. Zeker, de nieuwe wetgeving gaf de burger veel meer garanties en zelfs mogelijkheden tot hoger beroep. Maar Napoleon heeft zijn eigen wetten regelmatig omzeild. Hij greep in als hij vond dat misdaden niet bestraft werden omdat de letter van de wet het niet toestond. Het is ook gebeurd in de zaak van de Antwerpse burgemeester Werbrouck. Nadat die was ontslagen wegens corruptie en vrijgesproken bij gebrek aan bewijs, gaf Napoleon onmiddellijk bevel om hem opnieuw te arresteren. Het hof van cassatie moest er maar iets op vinden om het vonnis nietig te verklaren.

De pers gemuilkorfd

Vrijheid was er evenmin voor de meningsuiting, en de pers in het bijzonder. Kranten en boeken werden in die tijd slechts door de elite gelezen, maar in de Revolutie was gebleken dat die elite de sneeuwbal aan het rollen kon brengen die een heel staatsapparaat de afgrond in sleepte. Napoleon, die het gezien had en ervoor bevreesd was, loste het op door de pers tegelijk te gebruiken en monddood te maken. Al tijdens zijn eerste campagnes in Italië en Egypte richtte hij kranten op die zijn versie van de feiten de wereld instuurden. Tijdens het keizerrijk had hij de Moniteur als officiële spreekbuis. Andere kranten buiten Parijs moesten overnemen wat de Moniteur schreef en zich verder niet met delicate aangelegenheden inlaten. Redacteurs werden ofwel gekocht, ofwel gecensureerd, soms ook gewoon achter de tralies gegooid. Jaar na jaar werd de lijst met verboden onderwerpen langer. Journalisten moesten leren wat goed was voor het land. 'Elke ongunstig nieuws moet vermeden worden', had Napoleon geroepen. 'Zij moeten die berichten in quarantaine houden en ervan uitgaan dat ze zijn opgesteld door de Engelsen.' Troepenbewegingen mochten al sinds lang niet worden gerapporteerd. Dat valt te begrijpen. Maar taboe was ook nieuws over aanslagen en misdaden, behalve als de daders opgepakt en gestraft werden. Zelfmoord kon ook niet, want in het keizerrijk was iedereen gelukkig. Zo weinig mogelijk details ook over de keizer en zijn familie, noch over geldverslindende bezigheden als gemaskerde bals. Over maritieme aangelegenheden moest je voorzichtig berichten, zelfs als het goed nieuws was. Twee kranten in Bordeaux brachten het heuglijke nieuws dat de vloot van Toulon goed in Martinique was aangekomen, en kregen twee weken publicatieverbod. De taboelijst werd zo ingewikkeld en uitgebreid dat noch de censor, noch de pers er nog zijn weg in kon vinden. 'Ik slaap er niet meer van', schreef Lacretelle le jeune, uitgever van La Gazette de France. 'Zo kan ik niet leven, ik zoek een opvolger.' Dat zullen de theaterdirecteurs ook wel gedacht hebben. Politiemannen die hun spektakels in de zaal volgden, hadden het recht om op elk ogenblik de voorstelling te onderbreken als het stuk naar hun smaak te veel tumult in de zaal veroorzaakte.

Mount Rushmore, met helemaal links George Washington, de eerste democratisch verkozen president. Napoleon was het Amerikaanse model genegen, maar achtte het in de Europese context onwerkbaar. © Getty Images

Het was allemaal niet nieuw. Door alle koningen voor hem was zo gehandeld, net als door zijn generatiegenoten in Wenen, Sint-Petersburg of Berlijn. Maar Napoleon was geen koning zoals al die anderen, hij was een product van de verlichting en werd dus geacht de democratie genegen te zijn. Tegelijk regeerde hij een land dat tien jaar lang zolang intern als extern in grote nood had verkeerd, en waar de eerste experimenten met een nieuwe staatsvorm geleid hadden tot wanorde, wetteloosheid en een guillotine die overuren draaide. Er was geen denken aan dat democratie op het moment van zijn machtsovername enig soelaas had kunnen bieden. In die zin verontschuldigde Napoleon zich toen hij zich vergeleek met de eerste succesvolle democratische president die de moderne wereld heeft gekend, George Washington. 'Als ik in Amerika had geleefd, zou ik met plezier een Washington geweest zijn en me nuttig gemaakt hebben op zijn manier. Want ik zie niet in welke andere weg hij daarginds had kunnen bewandelen. Maar als Washington in Frankrijk zou hebben geleefd, een land verscheurd van binnenuit en bedreigd van buitenaf, dan zou ik nog wel eens willen zien hoe hij zichzelf gebleven zou zijn. Als hij inderdaad zijn Amerikaanse methode had gevolgd, zou hij een mislukkeling geworden zijn, die zijn land nog dieper in het moeras getrokken zou hebben.' Napoleon gaf dus aan dat hij ideologisch gesproken een soort van democratisch model toegenegen was, maar dat de Europese en de Franse realiteit hem ertoe dwongen om wel pro republikeins, maar tevens ondemocratisch te regeren. Zodra Napoleon Eerste Consul was, zette hij de ene stap na de andere in de richting van een autoritair bewind, dat gaandeweg volstrekt autocratisch werd. Een proces dat onomkeerbaar werd met de keizerskroning. Van dan af werd hij even autocratisch als alle andere staatshoofden op het oude continent.

© Bridgeman Images

DE SLAVERNIJ

Een van de schaduwzijden van Napoleons bewind is dat hij een van de belangrijkste verwezen-lijkingen van de Revolutie ongedaan maakte: de afschaffing van de slavernij. Als enigen hadden de Franse revolutionairen de slaven-arbeid, die decennialang de motor van alle Europese kolonies was ge-weest, in 1794 afgeschaft. Tijdens de vredesonderhandelingen in 1801 (Het verdrag van Amiens) had Londen echter de eis gesteld dat Frankrijk zich in de overzeese kolonies zou gedragen zoals de andere koloniale machten en dus de slavernij in stand zou houden. De af-schaffing leidde immers tot onrust in de kolonies en de Britten vreesden dat hun eigen slaven in opstand zouden komen zodra ze doorhadden dat hun lotgenoten in Franse gebieden vrije mensen waren geworden. De Britse eis werd trouwens gesteund door de lobby van Franse suiker- en koffiehande-laars.

Het was een hoge prijs die de Fransen moesten betalen voor vrede en stabiliteit op het oude continent. Geen wonder dat de debatten in de Franse wetgevende organen voor één keer geanimeerd verliepen. De Franse parlementsleden, gevormd door de idealen van de verlichting, erkenden het immorele karakter van de slavernij, maar moesten hun idealen afwegen tegen de economische belangen van hun land. 'Hoe gruwelijk we het ook vinden', zei Antoine Thibaudeau, 'we moeten erkennen dat dit [de slavernij] de economische onderbouw is van de Europese landen en dat geen enkel volk dit kan opgeven zonder alle andere hierdoor nadeel te berokkenen. [...] Het beste is om er wat tijd overheen te laten gaan voor we aan het koloniale systeem wijzigingen aanbrengen die de menselijkheid vereisen. Als u zich laat meeslepen door uw emoties, dan offert u het hoger belang van uw land op ter wille van de zwarten. De kolonies hebben dit nodig, net zoals de kolonies zelf essentieel zijn geworden voor ons eigen voortbestaan.'

De stemming over de slavernijwet was ongewoon verdeeld: in het Tribunaat bijvoorbeeld hebben 54 leden voor en 27 tegen gestemd. Zo'n verhouding was in die tijd zeer ongewoon en ze is tekenend voor het morele dilemma waarmee republikeins Frankrijk in zijn maag zat. Het Franse beleid ter zake was niet anders dan dat van de Verenigde Staten van president Thomas Jefferson, of dat van alle andere Franse postnapoleontische regeringen die de slavernij tot 1848 in stand hielden. Of Bonaparte zelf ook van het vraagstuk wakker lag, blijkt nergens uit. Al heeft hij uiteindelijk de klok niet helemaal teruggedraaid. De slavernij werd 'slechts' toegestaan in de kolonies ten oosten van Kaap de Goede Hoop - waar de afschaffing sowieso nooit had gegolden - en in de gebieden waar ze nog niet was afgeschaft, met name in de kolonies die van 1794 tot 1802 bezet waren door de Britten en dankzij de Vrede van Amiens werden teruggegeven aan Frankrijk. Daarbij hoorde bijvoorbeeld Martinique. Daar waar de slavernij echter al was afgeschaft, zoals in Guadeloupe, Frans-Guyana en Santo Domingo, bleef ze ook afgeschaft.