GEDOOFDE STER

Pas laat in zijn leven, hij was de vijftig al voorbij, besefte de man die ooit als 'agent van het surrealisme in België' was bestempeld (door niemand minder dan André Breton, de Parijse paus van de beweging) dat al degenen van wie hij door de vele jaren heen de faam had helpen vestigen, nu als sterren flonkerden aan het artistieke firmament, en dat zijn eigen ster zo goed als gedoofd was. Brusselaar Edouard Léon Théodore Mesens (1903-1971) toog dus alsnog aan het werk met schaar en lijm, en maakte aan de lopende band collages die af en toe een glimp verraden van de spirit en speelse ironie die hem in zijn jeugd zo makkelijk af gingen dat hij er zich toen nauwelijks op had toegelegd. Dat hij het in de fleur van zijn leven te druk had met relaties uitbouwen, tijdschriften stichten, kunstgaleries leiden, tentoonstellingen maken én een liederlijk leven leiden was evenmin bevorderlijk voor de productie van zijn collages. Bovendien was hij in de wieg gelegd voor muziek, en was het via de omweg van de poëzie, zijn tweede liefde, dat hij zijn creatieve ader verder aanboorde: een bijzonder gevoel voor typografie en vormgeving van een gedicht. Het mocht best een mooi beeld opleveren.
...

Pas laat in zijn leven, hij was de vijftig al voorbij, besefte de man die ooit als 'agent van het surrealisme in België' was bestempeld (door niemand minder dan André Breton, de Parijse paus van de beweging) dat al degenen van wie hij door de vele jaren heen de faam had helpen vestigen, nu als sterren flonkerden aan het artistieke firmament, en dat zijn eigen ster zo goed als gedoofd was. Brusselaar Edouard Léon Théodore Mesens (1903-1971) toog dus alsnog aan het werk met schaar en lijm, en maakte aan de lopende band collages die af en toe een glimp verraden van de spirit en speelse ironie die hem in zijn jeugd zo makkelijk af gingen dat hij er zich toen nauwelijks op had toegelegd. Dat hij het in de fleur van zijn leven te druk had met relaties uitbouwen, tijdschriften stichten, kunstgaleries leiden, tentoonstellingen maken én een liederlijk leven leiden was evenmin bevorderlijk voor de productie van zijn collages. Bovendien was hij in de wieg gelegd voor muziek, en was het via de omweg van de poëzie, zijn tweede liefde, dat hij zijn creatieve ader verder aanboorde: een bijzonder gevoel voor typografie en vormgeving van een gedicht. Het mocht best een mooi beeld opleveren. Wat de ingrediënten zijn van een geslaagde collage, vatte hij in 1963 nog eens met aardig vervlochten woorden en beelden samen in de collage Mesens vous parle. Que faut-il pour faire un collage? Nodig zijn twee handen ('vol van lente'), een handvol ideeën, een beetje liefde, enkele oude fonoplaten ('geruïneerde zonnen, bedorven sterren, manen met een slechte reputatie'), enige scharen ('een vrouwelijke', 'een mannelijke', 'droog en hard') en een lekkerbek ('een vleesetende vis') en voorts: stoffen, beelden van objecten en van stoffen ('echt blad in een neplijst'). Nu hoefde het niet altijd zo uitgebreid te zijn. Een door hem ontworpen spijskaart van een Venetiaans restaurant bevat niet veel meer dan de over het beeldvlak dansende letters van de naam La Colomba en een zwarte hand. Hand en handschoen, fetisjvormen van zovele surrealisten, die zelfverklaarde erfgenamen van de dada-beweging. 'Dada' wuiven doe je met je hand. Een hand om te strelen en te wurgen, muziek te spelen en collages te maken. Op een tweede versie van de spijskaart is de zwarte hand nog slechts de schaduw van een kleverige witte hand waarop de contouren getekend zijn van een mannetje met een duif ('colomba') in zijn bolle buik. Bij E.L.T. Mesens mocht het vaak ook de buik van een viool zijn, herinnering aan zijn lievelingsinstrument dat hem als kind uit de handen genomen werd omdat men wou dat hij piano speelde. In een handomdraai brachten zijn prille composities voor piano hem dan wel bij de tegendraadse componist Erik Satie, die hem in de kringen van de dadaïsten in Parijs - Tristan Tzara en Kurt Schwitters voorop - binnenloodste. Terug in eigen land voelde hij zich niet te beroerd om dada-opperhoofd Tzara om een gedicht te vragen voor zijn pas opgerichte tijdschrift Oesophage (na de buik, de slokdarm). Scherp getrokken waren de grenzen tussen de verschillende avant-gardegroepen in Parijs tijdens de opwindende jaren 1920 zeker niet. Zo leverde Mesens in 1923 voor het blad Mécano Wit van Theo van Doesburg, protagonist van de geometrisch-abstracte beweging De Stijl, een satirisch stukje proza in pure dada-stijl. Hij deed het in het Nederlands, dat hem als tweetalige Belg geen problemen stelde, onder de schuilnaam Cornelis Nelly Mesens. Van Doesburg was zijn mikpunt wanneer hij schreef: 'dat hij absoluut onzuiver staat en dat hij niet rijp is voor de pro-Duitse, nationalistische, flamingantische, internationale, collectivistische, gemeenschapsesthetiek van Jef P.' (de Antwerpse modernist Jozef Peeters, nvdr). Het waren de hoogdagen van dada, toen een collectieve geest van subversie, interdisciplinariteit en anti-burgerlijkheid heerste, geen individueel najagen van succes en eeuwige roem. Daarom hoefde de avant-gardescène nog niet voorbehouden te blijven aan armeluizen en bohemiens. Voor een dandy met een flair voor zaken als E.L.T. Mesens was er altijd plaats. Zeker toen de bomen in de jaren 1920 nog tot in de hemel groeiden en hij zijn lot kon verbinden aan dat van een andere dandy, de succesvolle kunstmanager en couturier Paul-Gustave Van Hecke. Met zijn vrouw Honorine De Schrijver runde Van Hecke het Brusselse modehuis Norine, even toonaangevend als zijn Brusselse galerie Sélection en het gelijknamige kunstmagazine. De verstandhouding tussen beide mannen leed niet onder het feit dat Mesens een duurzame liefdesrelatie begon met Honorine. Terwijl Van Hecke zich inspande om Frits van den Berghe, Gustave de Smet en Constant Permeke, tenoren van het Vlaamse expressionisme, een internationaal platform te bieden, liet hij zich door Mesens gewillig inpalmen voor dada en surrealisme. Hij vertrouwde hem zelfs de leiding toe van een nieuwe galerie, L'Epoque, springplank voor een jonge kunstenaar die op een poëtische en spirituele manier de realiteit uit haar hengsels rukte, beeld en taal dooreenhaspelde en daarmee een persoonlijke variant van het surrealisme aanboorde, mooi in het verlengde van dada: René Magritte. Heel discreet toonde Mesens er ook enkele van zijn eigen, subtiele experimenten met fotografie, veilig in de voetsporen van Man Ray. De wereldwijde economische crisis na de krach van Wall Street, trof P-G Van Hecke hard. Zijn kunstgaleries overleefden de klap niet, en het was E.L.T. Mesens die de carrière van Magritte redde. Hij kocht 150 werken van hem op, voor ze zoals de rest van het failliete fonds op de veiling konden worden gegooid om er tegen spotprijzen van de hand te gaan. Dankzij Van Hecke vond Mesens onderdak als tentoonstellingsmaker in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, en exposeerde er het kruim van de internationale surrealisten. In 1937 trok E.L.T. Mesen naar Londen om er in de nieuwe London Gallery het surrealisme te verspreiden onder de Britten. Daar was veel geld en goede wil, maar de waarheid gebiedt te zeggen dat het de Britse kunstenaars nooit lukte om verder te komen dan ongelukkige imitaties en weinig geïnspireerde varianten op een slecht begrepen surrealistische moedertaal. Het ontbrak hen aan esprit. Mesens liet het niet aan zijn hart komen en bleef de ondermaatse Britten verdedigen door ze samen op te voeren met internationale coryfeeën. Zijn opmerkelijkste daad in de Londense jaren was evenwel de coördinatie van de rondreizende tentoonstelling met Guernica (1938), Pablo Picasso's monumentale anti-oorlogsschilderij, ingegeven door het blinde luchtbombardement op het Baskische stadje Gernika door Duitse Junkers tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Politiek engagement was vanzelfsprekend in kringen van surrealisten en van de meeste andere avant-gardisten. Ook E.L.T. Mesens profileerde zich graag als een linkse revolutionair. Zo versterkte hij in 1938 de rangen van de FIARI (Internationale Federatie van de Revolutionaire Kunst) waar zelfs een echte revolutionair deel van uitmaakte, de door Jozef Stalin in 1929 uit de Sovjet-Unie verbannen volkscommissaris Leon Trotski. Minder ronkend maar een stuk concreter was de inzet van Mesens en zijn Brusselse en Parijse vrienden voor een jeugdige vadermoordenares, het hoertje Violette Nozière (1933). Hij schreef een gedicht over haar en nam het op in een hommageboekje dat hij zelf uitgaf. Een striemende veroordeling van de bourgeoismoraal, een verheerlijking van de moordenares als heldin: 'Combien de bonnes mères/ Et combien de mauvais pères (...)/ Au rendez-vous de la morale bourgeoise/Te nommeront garce salope/Violette/O embrasseuse d'aubes.'Het duurde tot 1950 vooraleer Mesens zelf ondubbelzinnig in het kamp van de bourgeoisie belandde, toen hij aan de zijde van zijn oude strijdmaker P-G Van Hecke de artistieke programmatie voor het casino van Knokke ging verzorgen en zich als professioneel collagekunstenaar profileerde. Het waren niet de boeiendste hoofdstukken uit zijn leven, en het Mu. ZEE van Oostende -- dat zijn gangen opspoort in een tentoonstelling -- koos voor een verpakking die eerder zijn vroege, poëtische en dadaïstische kant flatteert. De titel van de tentoonstelling, Het Sterrenalfabet van E.L.T. Mesens, verwijst immers rechtstreeks naar een van zijn mooiste werken, de dichtbundel Alphabet sourd aveugle (1928) die hij schreef, van een collage voorzag, typografisch vormgaf en zelf uitgaf. De bundel telt 26 gedichten die beginnen met telkens een andere letter van het alfabet. Het eerste woord van elke regel draagt dezelfde beginletter als de lettrine bij de eerste regel, een lichtvoetig formalisme dat teruggaat op de poëzie van de rederijkers in de late middeleeuwen en vooruitloopt op de cultus van de letter en het teken bij de lettristen in Frankrijk vanaf 1940. Paus André Breton vermeldde de bundel in 1934 in zijn catechismus Qu'est-ce que le surréalisme? ('c'est réapprendre à lire dans l'alphabet d'étoiles de E.L.T. Mesens'). Het Mu. ZEE zal met Het Sterrenalfabet ook wel de plejade grote en kleine kunstenaars bedoelen - door Mesens ooit voor het voetlicht gebracht - van wie directeur Phillip Van den Bossche een fijne en soms verrassende selectie bijeen wist te brengen. Minder bekende werken allicht, maar niettemin pareltjes. Voor Les regards perdus van René Magritte, Serpentins van Francis Picabia, Le noeud van Rachel Baes, Sequidilla van Man Ray, Untitled Dada van Max Ernst, Untitled (Double Crown) van Kurt Schwitters of Stilleven op een ronde tafel bij een open raam van Pablo Picasso, mag men zich al eens kustwaarts begeven. Ze staan te schitteren aan het firmament. Niet noodzakelijk dat van E.L.T. Mesens. 'Het sterrenalfabet van E.L.T. Mesens. Dada en surrealisme in Brussel, Londen en Parijs.' Tot 17 november in Mu. ZEE, Romestraat 11 Oostende. open van dinsdag tot en met zondag van 10 tot 18 uur. DOOR JAN BRAETPolitiek engagement was vanzelfsprekend in avant-gardekringen. Ook Mesens poseerde graag als linkse revolutionair.