De financiële crisis brengt minstens twee dingen aan het licht: de harde realiteit van de globalisering, en de gevaren van het geloof in een zelfregelende markt. Het volstaat, bij manier van spreken, dat een onvoorzichtige bankier ergens in een godvergeten Amerikaans dorp een onverantwoorde lening toestaat om uw en mijn spaarcenten in gevaar te brengen. Geen markt die daar iets aan doet. Geen markt, zo blijkt, die daar iets aan kán doen. Was er nu één sector met beter betaalde raden van bestuur, meer zogehete onafhankelijke bestuurders, hogere rekeningen voor consultants, meer prestigieuze voorzitters, beter betaalde accountants, meer audits, meer controles en meer duurbetaalde controlerende instellingen dan de banksector? Waarschijnlijk niet. En toch, crisis en machteloosheid van de markt. De kip met de gouden eieren bleek een kieken zonder kop.
...

De financiële crisis brengt minstens twee dingen aan het licht: de harde realiteit van de globalisering, en de gevaren van het geloof in een zelfregelende markt. Het volstaat, bij manier van spreken, dat een onvoorzichtige bankier ergens in een godvergeten Amerikaans dorp een onverantwoorde lening toestaat om uw en mijn spaarcenten in gevaar te brengen. Geen markt die daar iets aan doet. Geen markt, zo blijkt, die daar iets aan kán doen. Was er nu één sector met beter betaalde raden van bestuur, meer zogehete onafhankelijke bestuurders, hogere rekeningen voor consultants, meer prestigieuze voorzitters, beter betaalde accountants, meer audits, meer controles en meer duurbetaalde controlerende instellingen dan de banksector? Waarschijnlijk niet. En toch, crisis en machteloosheid van de markt. De kip met de gouden eieren bleek een kieken zonder kop. De overheid, die vermaledijde overheid waarover de verdedigers van de zelfregelende markt nu al meer dan een kwarteeuw lang meewarig doen, moest inspringen. De overheden van de wereld deden dat - vanuit uw en mijn portefeuille, welteverstaan - door geld te pompen in de banken voor een bedrag van tien cijfers dat de meeste spaarders en beleggers zelfs niet kunnen uitspreken. Een aantal van de op die manier gespijsde banken was nog maar onlangs geprivatiseerd. Niet alle overheden besteedden het geld op dezelfde manier. Dat Nederland een socialistische minister van Financiën heeft en België een liberale, heeft onze noorderburen wat opgebracht en ons een noot gekost. Die rekening krijgt u nog gepresenteerd. Het had echter veel erger kunnen zijn. Stel u voor dat de liberalen standvastig waren geweest in hun overtuigingen en in hun geloof in een zelfregelende markt. Dan zaten we nu in de meltdown, de diepe en omvattende crisis die grote massa's razendsnel straatarm en miserabel maakt. Helemaal zeker dat we zo'n meltdown kunnen vermijden, zijn we overigens nog niet. Het geloof in de zelfregelende markt kan zúlke diepe en grote letsels hebben aangebracht in de organisatie van onze financiële wereld en in de economie, dat de financiële middelen en de knowhow van alle overheden samen weleens ontoereikend zouden kunnen zijn om dat soort diepe crisis af te wenden. We kunnen alleen hopen, vertrouwen en rekenen op, jawel, de overheid. It's the government, stupid. We kunnen dus, samen met Caroline Gennez, zeggen dat het neoliberalisme failliet is. Zelfs de Amerikaanse o zo neoliberale en neoconservatieve regering blijkt dat te beseffen. Zij heeft rechtstreeks geïnvesteerd in de banken, heeft ze dus genationaliseerd. Ze werd daarin geïnspireerd, zo wordt beweerd, door het reddingsplan van de Britse premier Gordon Brown, ook al een socia-list. Caroline Gennez vraagt zich af of 'ze' (bedoeld wordt: de liberalen) het failliet van het neoliberalisme 'doorhebben'. Dat is een retorische vraag, neem ik aan. Een boeiender vraag is of wij, socialisten, dat doorhebben. En zo ja, wat we dan met dat inzicht gaan doen. Een dwingende vraag, want de afwezigheid van socialisten in de analyse van en het debat over de financiële crisis was opvallend. Geregeld mocht Karel Van Miert aantreden, een wijs en ervaren man waarschijnlijk, maar toch geen specialist in financiële aangelegenheden en bankzaken. Bovendien is hij geen lid van de socialistische oppositie, maar een oudgediende. De enige die een socialistische specialist in bankzaken wist te ontdekken, was zowaar premier Yves Leterme. De specialist in kwestie, Herman Verwilst, zweeg echter, waarschijnlijk omdat de socialisten, na een enigszins misleidend persbericht, meteen geëist hadden dat zijn ontslagbonus bij Fortis niet zou worden uitbetaald. Er zijn nochtans socialistisch denkende mensen die onderlegd zijn in de materies die relevant zijn in deze financiële crisis. Waarom hebben we die niet gehoord? Worden zij door de partijtop gehoord? Waarom is een aantal van hen geen mandataris? In de plaats van mensen die wel mandataris zijn maar over deze en andere aangelegenheden absoluut niets te zeggen hebben? In de plaats van mensen waarvan de stilte oorverdovend wordt, en die wanneer ze die stilte doorbreken meteen aantonen dat hun zwijgen van onschatbare waarde is? Afrekenen met het neoliberalisme. Dat klinkt krijgshaftig, maar hoe doen we dat? Misschien vormt zich in een paar geesten al een voorstelling: nog een beetje nationaliseren, het Generatiepact afschaffen, het overheidstekort weer laten toenemen, en op tribunes voor rode gordijnen met gebalde vuist discours houden in die flamboyant-bombastische stijl die ze twintig jaar geleden bij de PS zo goed onder de knie hadden. Een wat zorgvuldiger analyse is geboden. We kunnen natuurlijk ook de toplonen aftoppen, de gouden parachutes afschaffen, het geld dat onvoorzichtige bankiers hebben verspeeld terugeisen, de dure feestjes bekritiseren die mislukte bankiers in peperdure oorden bouwen op de rug van de bange spaarders en bekochte beleggers... Ik zie het allemaal graag gebeuren en vind het onverantwoord dat een onderzoekscommissie werd afgewezen door de regering. Maar kameraden, dat alles raakt de kern van de zaak niet. Dat is dramademocratie, niet een beleid dat afrekent met het neoliberalisme. Wat ís dat neoliberalisme trouwens, waarmee we willen afrekenen? Laten we de geschiedenis van dat denken terzijde; zij doet er hier niet toe. Het gaat om een geheel van opvattingen die zich aanvankelijk in bredere kring hebben kunnen verspreiden als een kritiek op de welvaartsstaat, op de kosten daarvan en het daaruit voortvloeiende overheidstekort, op de hoge belastingen die er het gevolg van zijn, het profitariaat dat erdoor in het leven wordt geroepen, de verzwakking van de concurrentiekracht die er het gevolg van is enzovoort. De politieke kentering naar neoliberaal denken zal altijd verbonden blijven met de namen van Ronald Reagan en Margaret Thatcher en, her en der in de wereld, met die van hun klonen en babyversies zoals Guy Verhofstadt bij ons. Die oorsprong en het huidige debacle mogen echter niet doen vergeten dat het gaat om een samenhangende visie op hoe een land moet worden bestuurd. Neoliberalen gaan ervan uit dat alle handelen eigenlijk economisch handelen is, en dat mensen berekend handelen uit eigenbelang. Men beschouwt de mens daarom niet zozeer als een burger, zelfs niet als een consument maar als de ondernemer van zijn eigen leven. Men probeert het economische handelen, het handelen als ondernemer, mogelijk te maken door zoveel mogelijk markten te creëren. Scholen, spoorwegen, openbaar vervoer, postbedeling, ziekenhuizen, de ziekteverzekering zouden allemaal als een markt moeten worden georganiseerd. In de scholen wordt het lesgeven een product, de leerlingen en de ouders worden klanten, de directeur wordt een manager, de lokale inplanting wordt een markt enzovoort. Met die woordenschat wordt ook een manier van denken en doen geïntroduceerd, waardoor de school en het lesgeven meer op een marktgebonden activiteit gaan lijken. In sommige sterk neoliberaal geïnspireerde landen heeft men zelfs het gevangeniswezen op die manier vermarkt. Het overheidsbeleid wordt op die manier vooral een kwestie van het scheppen of stimuleren van markten. Het beleid wordt gericht op het mogelijk maken en ondersteunen van die markten. Financiële middelen worden niet meer gebruikt om diensten te laten aanbieden door de overheid, zelfs niet om rechtstreeks de diensten te financieren, maar worden, bijvoorbeeld via vouchers of cheques, aan de consumenten gegeven die zo een markt voor die diensten doen ontstaan. In verschillende landen werd overwogen de subsidies voor scholen te vervangen door vouchers voor de ouders die daarmee, als soevereine consumenten, kunnen shoppen voor een opleiding voor hun kinderen. Voorstanders van zo'n neoliberale aanpak zijn van oordeel dat men op die manier de ouders meer macht geeft, terwijl men zware bureaucratieën vermijdt en de macht fnuikt van de vervelend geachte beroepsgroepen van leraars en van belangengroepen of koepels van scholen. Als dat plan in vele landen niet of slechts heel gedeeltelijk werd doorgevoerd, is dat omdat men vreesde het onderwijs op die manier onvoldoende te kunnen reguleren. Zijn alle ouders wel voldoende geïnformeerd om de voor hun kinderen levensbeslissende schoolkeuzes te maken? Zal zo'n systeem wel alle kinderen leren wat ze minimaal moeten kennen en kunnen om in deze samenleving een kans te hebben op een waardig leven? Zou zo'n onderwijsmarkt de ongelijkheid niet vergroten? De zeer grote ongelijkheden, de beschamende niveaus van analfabetisme, en de gebrekkige levensstijl van grote groepen mensen in een land met een verregaand geprivatiseerd onderwijssysteem als de VS, doen velen twijfelen aan de wenselijkheid van zo'n privatisering en marktcreatie. De financiële crisis, die ontstaan is in een sector waar het soort nieuwe overheidsregulering, nodig gemaakt door het neoliberale beleid, bijzonder uitgebreid en verfijnd leek, bezegelt de kwestie. Markten blijven gevaarlijk en kunnen niet afdoend worden gereguleerd. Dat weten we nu. Opvallend is ook dat naarmate, onder neoliberale impuls, zogezegd zelfregelende markten werden gecreëerd, er ook steeds meer controlerende instanties kwamen. Meer markt, meer regels en regeltjes en meer controles op het naleven van de regeltjes en controles op de controleurs, zo is proefondervindelijk gebleken. Dat heeft het leven van veel mensen veranderd en verzuurd. Veel meer mensen worden nu frequent geconfronteerd met evaluaties, controles, visitaties en ook de controleurs moeten worden gecontroleerd... De controle van controle heet audit. Men heeft het soort samenlevingen dat uit de neoliberale invloed is ontstaan terecht omschreven als 'auditmaatschappijen'. Maar al dat 'auditten' heeft niet belet dat onze economie aan de rand van de afgrond is beland. Het neoliberale beleid heeft ook het belang van budgettaire beslissingen vergroot. Instellingen die voorheen op de grondslag van andere normen werden bestuurd - bijvoorbeeld de ethiek van een arts, de wetenschapsinterne criteria van een onderzoeker, de deontologie van een journalist, het engagement van een sociaal werker - worden nu behandeld alsof het ondernemingen zijn. Criteria inherent aan een professionele praktijk werden vervangen door een financiële kosten-batencalculus. De bestuurder werd een manager, niet langer onderlegd in de sector waarin hij of zij aan het werk is, maar onderlegd in het managen op zich, in abstracto, los van de professionele praktijk die hij bestuurt. Vandaag managet hij de verkoop van fietsen, morgen een ziekenhuis, overmorgen een wegennet en bij elk afscheid wordt hij beloond voor de neergang van het bedrijf waarmee hij nooit professionele voeling had. Dat zijn een paar stukken uit de erfenis van het neoliberalisme die nu weer ter discussie staan. Het loont overigens om het etiket 'neoliberaal' met de nodige nuance te hanteren. Het beleidsmodel dat ik heb beschreven, is in oorsprong neoliberaal. De oorspronkelijke pleitbezorgers ervan verwezen kwistig naar Friedriech von Hayek en de Chicago-economen. De beleidsfilosofie en de beleidspraktijk die op het neoliberale denken zijn gegroeid, werden echter ruim overgenomen door andere politieke strekkingen, onder meer ook gepromoot door Bill Clinton en Tony Blair, getheoretiseerd in de Derde Weg en zelfs ten dele opgenomen in het idee van de actieve welvaartsstaat. Er is voor socialisten geen oneer aan die associatie met beleidstechnieken die weliswaar op de golf van neoliberaal denken zijn ontstaan, maar die ook positieve, te koesteren aspecten hebben: meer vertrouwen in de burger, een grotere transparantie, een grotere verantwoordelijkheid tegenover de belastingbetaler, een overheid die niet alles zelf organiseert maar ook de capaciteit tot regulering ontwikkelt. Het is bijvoorbeeld gewoon goed om te weten welk ziekenhuis beter presteert, een even goede of betere dienst levert aan de patiënt en de volksgezondheid, tegen een lagere kostprijs voor de patiënt en de gemeenschap. Het is goed voor de bevoegde instellingen om de regelende capaciteit te hebben om meer ziekenhuizen naar dat prestatieniveau te begeleiden. Er zitten ronduit goede dingen in de recente ontwikkelingen, ook al ontstonden die binnen een beleidsbenadering die was geïnspireerd door het neoliberalisme. De financiële crisis heeft echter duidelijk en pijnlijk gewezen op de beperkingen van dat neoliberale beleidsmodel en op de grote gevaren ervan. Die les hebben we verschrikkelijk duur betaald, maar op termijn zou ze lonend kunnen zijn. De vraag is of het socialisme of een van de andere bestaande politieke strekkingen, een rol van enig belang kan en zal spelen wanneer er consequenties uit die les worden getrokken. Dat zal niet gemakkelijk zijn. Wat wordt gevraagd, is een nieuwe visie op mens, burger en beleid. Men kan de grondslag van het eigen denken, de ideologie, niet langer verwaarlozen. Het beleidskader waarin men optreedt, kan niet langer als gegeven of vanzelfsprekend worden beschouwd. De tijd dat ideetjes volstonden, is met andere woorden voorbij. Het volstaat zelfs niet meer ambitieuze doelen te formuleren. Het volstaat zeker niet in een regering te raken. Terugkeren naar ouderwets etatisme is al helemaal ondenkbaar. De mislukking van het neoliberalisme betekent niet dat we nu zacht en onnadenkend kunnen terugglijden naar de toestand van vijftig jaar geleden. Een partij die echt wil meetellen, zal op een aantal moeilijke vragen duidelijke en samenhangende antwoorden moeten geven. Willen we managers, of mensen die hun sector kennen? Moet een overheid zich blauw betalen aan consultants en de opbouw van expertise in eigen rang verwaarlozen? Moeten de mensen per se zo veel en dikwijls worden geëvalueerd? Hoever kan de responsabilisering van burgers gaan? Hoe groot is hun recht op zorgeloosheid? Wat moeten we op de markt plaatsen? Hoe groot is precies de regulerende capaciteit van de overheid? Is het nodig dat de overheid in bepaalde sectoren ook als ondernemer aanwezig is om doeltreffend te kunnen reguleren? Kan de overheid haar regulerende taak aan als ze haar apparaat, de administratie afbouwt of laat verzwakken? De antwoorden op die en honderd andere vragen zijn zeker niet evident. Ze moeten ook niet vanuit een partij, maar vanuit de betrokken sectoren komen. Het volstaat echter niet antwoorden te hebben en te inventariseren. Het moeten ook antwoorden zijn die onderling samenhangen, deel uitmaken van een duidelijke visie op mens en samenleving, een visie daarenboven waarin mensen zich kunnen vinden als in een ideaal. Het neoliberale verhaal was verkeerd. Het steunt op een belachelijk ouderwetse opvatting over de natuur van de mens. Het is ongevoelig voor ongelijkheid. Blind op vele vlakken. Maar het was een verhaal, nogal samenhangend, intellectueel niet zonder charme, vertaalbaar in beleid, mobiliserend in zijn gepopulariseerde vorm. Wie bouwt een alternatief? Dat is werk voor een partij en een beweging. Zijn er nog de goesting, het personeel, het talent en het geduld om dat werk te verzetten?