Leif Ove Andsnes interviewen voelt nog altijd hetzelfde aan, maar dat is het niet. Het piepjonge geweld van destijds is groot geworden. Je merkt het niet aan hem, wel aan de zalen waar hij speelt, de hotels waar je hem ontmoet, het label waar hij onder dak is. En aan de zere tenen van zijn fans. Voorbehoud bij een concert van hem komt de criticus al eens op scatologische haatmail te staan. Of op een anonieme archivaris: nog steeds krijgen we met enige regelmaat kopieën van laaiende recensies over hem in de brievenbus. Corrigerend, logenstraffend. Niet gefrankeerd, dus persoonlijk bezorgd. Hoe groot moet een musicus worden voordat zijn fans zich een dergelijke moeite getroosten?
...

Leif Ove Andsnes interviewen voelt nog altijd hetzelfde aan, maar dat is het niet. Het piepjonge geweld van destijds is groot geworden. Je merkt het niet aan hem, wel aan de zalen waar hij speelt, de hotels waar je hem ontmoet, het label waar hij onder dak is. En aan de zere tenen van zijn fans. Voorbehoud bij een concert van hem komt de criticus al eens op scatologische haatmail te staan. Of op een anonieme archivaris: nog steeds krijgen we met enige regelmaat kopieën van laaiende recensies over hem in de brievenbus. Corrigerend, logenstraffend. Niet gefrankeerd, dus persoonlijk bezorgd. Hoe groot moet een musicus worden voordat zijn fans zich een dergelijke moeite getroosten? Bozar heeft Andsnes van bij het begin gesteund, en dat is geen vergissing gebleken. Hij is vandaag niet alleen een van de meest gevraagde, maar ook een van de integerste klassieke artiesten van zijn generatie. We ontmoeten hem daags na zijn Rotterdamse recital in De Doelen in zijn hotel in Amsterdam, waar hij de volgende dag te gast is in de reeks Meesterpianisten van het Concertgebouw. LEIF OVE ANDSNES: Ik heb inderdaad gevoeld dat er in die tweede concerthelft iets speciaals is gebeurd. Dit is zeker het begin van een nauwe verwantschap. Ik heb in mijn jeugd nooit veel Franse muziek gespeeld, zelfs van Debussy's Préludes heb ik er maar enkele behandeld, wat de aha-erlebnis nu des te groter maakt. Het is perfecte muziek, op een manier is het de volmaaktste pianomuziek van de twintigste eeuw. Niet alleen geeft het een ongelooflijk sensueel gevoel om ze te spelen, Debussy slaagt er ook in om precies op papier te zetten wat hij wil. Wat een kennis moet hij gehad hebben van de piano, en van de manier waarop klank ontstaat en leeft. Bovendien: waar komt die muziek vandaan? Er was geen pad voor hem geëffend, wat hij doet is volstrekt oorspronkelijk. In dat opzicht heeft hij iets van Janacek. Alleen zijn diens partituren heel chaotisch en onhandig, smerig bijna. (lacht) Debussy is zo precies, een heel merkwaardige combinatie met de zinnelijkheid van zijn muziek. ANDSNES: Ik heb nooit programma's 'gepland' in die zin. Ik speel gewoon de muziek waar ik van hou. Maar ik hecht inderdaad veel belang aan het feit dat muziek niet alleen luid of zacht en snel of traag kan zijn, maar bijvoorbeeld ook nabij of ver weg. Klank kan tijd en ruimte worden. Zulke inzichten kunnen het publiek helpen om écht te leren luisteren, maar ze vergen een grote componist en een al even grote aandacht. Wat dat betreft, waren het gisteren uitgelezen omstandigheden. Spelen is even auditief als fysiek. Touché en oor voeden en beïnvloeden elkaar. In dat opzicht merk ik dat ik mettertijd steeds kritischer word, bijvoorbeeld voor de kwaliteit van de piano die me wordt voorgezet. Het is interessant om te zien hoe je als artiest bijleert, maar tegelijk steeds meer moeite hebt met sommige dingen. Toen ik 25 was, kon ik elke dag wel een concert spelen, zonder me ook maar één keer om zoiets stoffelijks als de piano te bekommeren. En ik dacht dat ik het schitterend had gedaan. (schatert) Nu ben ik zo veel kritischer dat ik steeds meer voorbereiding nodig heb. Mensen denken dat het met de jaren makkelijker wordt. Maar ook al studeer je steeds vlotter, het wordt moeilijker om het niveau te bereiken dat je wilt. In je jeugd vul je alles met tieneremotie. Je gaat op in de fysieke handeling van het musiceren en het onversneden enthousiasme dat uit je jeugd voortvloeit. Maar ooit moet dat vervangen worden door wijsheid. Dat klinkt vervelend, want het ruikt al snel - ten onrechte - naar intellectualisme, maar je moet tot een soort kennis van het luisteren komen. Het gaat om het overstijgen van de daad van het spelen. Maar intussen overstijg ik de lengte van een normaal antwoord, niet? (lacht)ANDSNES: Jazeker. Het hangt er een beetje van af. Richter op zijn best, daar gaat nog steeds niets boven. Maar hij was een getourmenteerde man, en als hij speelt hoor je hem vaak strijd leveren met zichzelf en met het stuk. Hij probeert duidelijk iets te bekomen maar weet niet precies wat, het lijkt soms op een breed opgezet experiment. Een recital van hem moet iets helemaal anders zijn geweest dan een van Arthur Rubinstein of Arturo Benedetti Michelangeli - twee genieën die ook compleet verschillen van elkaar, maar die allebei wél precies wisten wat ze wilden. Bij Richter kon je een verschrikkelijk eerste concertdeel meemaken en een fantastische tweede helft. Richter had destijds zo'n impact op mij dat ik er op een bepaald moment van af moest. Jarenlang had ik naar niemand anders geluisterd. Tegelijk voelde ik op de duur: dit ben ik niet, deze zware ziel. Wat je vaak mist in Richters manier van musiceren, is ademhaling. Neem nu zijn opname van Schuberts Reliquie-sonate: die is gewoonweg fenomenaal, voor mij is dat het allerbeste Schubertspel ooit. Maar je ademt nooit bij het luisteren, en alleen Richter kan ademnood zo mooi maken. Hij is dus onbruikbaar als model. Het heeft me tijd gekost om tot dat inzicht te komen. ANDSNES: Het is voor elke musicus de beste en de belangrijkste muziek om te spelen. Maar ik heb het in mijn jeugd niet vaak hoeven te doen. En het is niet makkelijk om Bach te absorberen. Het kost veel tijd en moeite, vanwege de intensiteit van elke stem en elke noot. Geen enkele lijn anoniem laten worden, daarin was Glenn Gould natuurlijk dé meester. Hij had vier breinen, dat scheelt. (lacht) Het is zeer verleidelijk om Gould als model te nemen, maar dat kan natuurlijk niet. Ik zal dan ook maar zo bescheiden zijn om nooit een heel Bachprogramma te presenteren. Maar ik zal hem blijven spelen, absoluut. ANDSNES: Zeker. Een zeer interessante kwestie. Het is een spanningsveld. Voor Gould had het contact met een livepubliek geen meerwaarde - hij verafschuwde het zodanig dat hij uiteindelijk alleen nog studio-opnames maakte. Voor mij heeft het dat wel: ik hou van de concertsfeer. Die creëert een impuls die in een studiosituatie nooit kan ontstaan. Anderzijds moet je erover waken dat je mentaal altijd kunt terugkeren naar je muzikale uitgangspunten. Je mag nooit op je cruisecontrol vertrouwen, je moet constant proberen om je eerste liefde terug te vinden. Opletten dat je de scherpe kantjes niet van de muziek vijlt. Precies blijven. Als artiest zoek je de concertroes, maar die is giftig in hoge dosissen. Je moet op tijd een stapje terugzetten om jezelf te bekijken. En dat is allicht het moeilijkste aan dit beroep. LEIF OVE ANDSNES SPEELT DEBUSSY, BACH, BEETHOVEN, GROEG EN SIBELIUS OP DINSDAG 15 APRIL IN BOZAR BRUSSEL. OP DINSDAG 27 MEI SPEELT HIJ EEN DUORECITAL MET VIOLIST CHRISTIAN TETZLAFF IN HET CONSERVATORIUM VAN BRUSSEL (WWW.BOZAR.BE). ANDSNES HEEFT ZOPAS EEN NIEUWE OPNAME UIT MET MOZARTS KLAVIERCONCERTO'S NRS. 17 EN 20 (UIT BIJ EMI) DOOR RUDY TAMBUYSER