Franse kunstenaars, schrijvers, dichters en uitgevers vonden vanaf 1860 een tijdlang asiel in het liberale België. Dit onderwerp kwam ruim aan bod op de mammoetexpositie Parijs-Brussel (Gent, 1997). Eén facet ervan wordt nu uitgespit op een tentoonstelling in het Naamse Musée Felicien Rops (rue Fumal, tot 30/8), vergezeld van een met bibliofiele zorg door Pandora uitgegeven boek, op initiatief van Ronny Van de Velde. Het gaat om de ontmoeting tussen drie geeste...

Franse kunstenaars, schrijvers, dichters en uitgevers vonden vanaf 1860 een tijdlang asiel in het liberale België. Dit onderwerp kwam ruim aan bod op de mammoetexpositie Parijs-Brussel (Gent, 1997). Eén facet ervan wordt nu uitgespit op een tentoonstelling in het Naamse Musée Felicien Rops (rue Fumal, tot 30/8), vergezeld van een met bibliofiele zorg door Pandora uitgegeven boek, op initiatief van Ronny Van de Velde. Het gaat om de ontmoeting tussen drie geesten, verwant door hun belangstelling voor het kwaad, de vrouw en de dood: de Naamse kunstenaar Félicien Rops, de uitgever Auguste Poulet-Malassis en de dichter Charles Baudelaire, beiden uit Parijs. Deze laatsten waren, gepest en platzak, hun land ontvlucht en waren in Brussel beland. Baudelaire voelde zich hier bijna voortdurend kotsmisselijk. Dat kwam, vond hij, door het drinken van de bruine Brusselse faro, het bier dat proeft alsof het al eens gedronken is. Maar vooral, hij ergerde zich blauw aan dit land van cultuurbarbaren waar het bovendien altijd slecht weer was. "Pauvre Belgique" heette zijn striemende pamflet aan ons adres. De enige Belgische kunstenaars die genade vonden in zijn ogen waren de romantische schilder Henri Leys en de Naamse schilder, tekenaar en graveur Félicien Rops, vooral bekend om zijn vlijmscherpe politiek-satirische prenten. Door Poulet-Malassis met elkaar in contact gebracht, vroeg Baudelaire aan Rops het frontispies bij de derde editie van zijn dichtbundel "Les Fleurs du Mal" te willen verzorgen. De eerste kandidaat, Félix Braquemond - de man die Rops in de etskunst had ingewijd -, had ondanks verschillende pogingen, de precieze eisen van Baudelaire niet kunnen inwilligen. Het frontispies moest een boom in de vorm van een skelet voorstellen, met daaronder de welig tierende bloemen van het kwaad, te weten de zeven hoofdzonden. Rops klaarde de klus en voegde er nog talloze symbolen aan toe: in de lucht een zwarte schim die ervandoor gaat met het medaillon van de dichter, bejubeld door cherubijnen; rond de stam een kronkelende slang; op de grond het uitgemergelde skelet van het mythische paard Pegasos, en een camee met een struisvogel, een hoefijzer inslikkend. Dit als symbool van de deugd die er een punt van maakt, zelfs het meest weerzinwekkende voedsel tot zich te nemen. Baudelaire was onder de indruk van het "ingenium" van Rops. Diens frontispies sierde uiteindelijk de bundel "Les Epaves" (1866) waarin enkele "verboden" en andere, door Baudelaire niet in "Les Fleurs du mal" opgenomen gedichten verschenen. Dat is het uitgangspunt voor de uitgebreide expo in Namen, terwijl Van de Velde in De Rossaert (Nosestraat Antwerpen, tot 30/7) zijn eigen Rops-collectie tentoonstelt. Jan Braet