Het jaar 1868, het moment waarop hij de F-moll-Messe schreef, was voor Anton Bruckner in meer dan één opzicht een keerpunt. Persoonlijk, om te beginnen: als 43-jarige was hij verliefd op een meisje van zeventien, maar haar ouders staken een stokje voor zijn plannen. Vanaf dat moment begon Bruckner een aantal bizarre tics te ontwikkelen, waaronder een teldwang. Zijn belangstelling voor jonge meisjes bleef hij tot hoge leeftijd behouden.
...

Het jaar 1868, het moment waarop hij de F-moll-Messe schreef, was voor Anton Bruckner in meer dan één opzicht een keerpunt. Persoonlijk, om te beginnen: als 43-jarige was hij verliefd op een meisje van zeventien, maar haar ouders staken een stokje voor zijn plannen. Vanaf dat moment begon Bruckner een aantal bizarre tics te ontwikkelen, waaronder een teldwang. Zijn belangstelling voor jonge meisjes bleef hij tot hoge leeftijd behouden. Anton Bruckner had een ongewoon karakter. In het openbare leven en tegenover zijn eminente collega's gedroeg hij zich tot op het onderdanige af. Zijn carrière begon pas echt na zijn veertigste (na uitgebreide scholing) en hij bleef vaak jaren aan zijn werken sleutelen - de laatste versie van deze mis leverde hij in 1893 af! Hij bracht ook vaak veranderingen aan op aanraden van collega's. Maar tegelijkertijd hield hij zijn originelen zorgvuldig bij en geloofde hij terecht sterk in zijn talent. Als kersvers professor aan het conservatorium van Wenen - nog een keerpunt, dat jaar - trachtte hij deze F-moll-Messe te laten uitvoeren, maar ze werd als onzingbaar afgedaan. Drie jaar later had hij het equivalent van negen maanden loon verzameld om ze op eigen kosten te laten opvoeren. Met succes. Bruckner koos als gelovig katholiek voor de klassieke Latijnse liturgieteksten. De invloeden van deze compositie zijn uiterst breed, van Palestrina tot Wagner. Hoewel de basisstemming vaak voor de hand ligt - uitbundig in het Gloria, ingetogen in het Benedictus, bijvoorbeeld - is het bijzondere toch de voortdurende stemmingswisseling, met grote volumeverschillen bij koor en orkest, en een monumentale spanningsboog. Een goede uitvoering vergt dus heel veel achtergrond, ook op het vlak van oude muziek, maar tegelijkertijd een stevige ambitie en een grote wendbaarheid, met een sterk gevoel voor verhoudingen ondanks (of beter: vanwege) de monumentaliteit. Dat heeft de nieuwe uitvoering van Philippe Herreweghe met het RIAS Kammerchor en het Orchestre des Champs Elysées allemaal. Herreweghes grote kwaliteiten - een feilloos mooie klank, zuivere dictie, een persoonlijke maar nooit opdringerige visie en een groot inzicht in achtergronden en invloeden - komen hier perfect tot hun recht. De spanning verdwijnt nooit, behalve misschien heel even in het Credo, waar de bariton ook net te zwak invalt. Voeg daarbij de uitstekende technische kwaliteit van de opname, en je krijgt een uitvoering die zeer beklijft. Wat mij betreft veruit de beste cd die Herreweghe in jaren heeft uitgebracht en, ook omdat het geen alledaags uitgevoerde compositie betreft, een bijzonder boeiende aanrader. ANTON BRUCKNER, F-MOLL-MESSE DOOR PHILIPPE HERREWEGHE, RIAS KAMMERCHOR EN ORCHESTRE DES CHAMPS-ELYSéES, HARMONIA MUNDI. Peter Vandeweerdt