De stilte, de oude aanblik en het dromerige van de buurt omhullen het museum en inspireren de conservatoren. Hun gedachten dwalen regelmatig af naar het fin de siècle van de negentiende eeuw, toen de kunst tegen de oprukkende lelijkheid en het lawaai van de industrialisering voor de vlucht voorwaarts koos en een paradijs van pure schoonheid voor zichzelf fantaseerde. Niet toevallig werd het Mu- seum van Elsene in 1892 geopend. De koning, Leopold II, de koningin, Marie-Henriette, en prinses Clémentine gaven het hun zegen. Hoe onweerstaanbaar blijft in Brussel de aantrekkingskracht van het Gouden Tijdperk, toen de stad een internationale ontmoetingsplaats bood voor de nieuwe kunst. Een nieuwe stijl - lenig, vrouwelijk, lineair en floraal - drong door in alle domeinen van de creatieve bedrijvigheid: art nouveau in kunstobjecten, meubilair, architectuur en boekversiering.
...

De stilte, de oude aanblik en het dromerige van de buurt omhullen het museum en inspireren de conservatoren. Hun gedachten dwalen regelmatig af naar het fin de siècle van de negentiende eeuw, toen de kunst tegen de oprukkende lelijkheid en het lawaai van de industrialisering voor de vlucht voorwaarts koos en een paradijs van pure schoonheid voor zichzelf fantaseerde. Niet toevallig werd het Mu- seum van Elsene in 1892 geopend. De koning, Leopold II, de koningin, Marie-Henriette, en prinses Clémentine gaven het hun zegen. Hoe onweerstaanbaar blijft in Brussel de aantrekkingskracht van het Gouden Tijdperk, toen de stad een internationale ontmoetingsplaats bood voor de nieuwe kunst. Een nieuwe stijl - lenig, vrouwelijk, lineair en floraal - drong door in alle domeinen van de creatieve bedrijvigheid: art nouveau in kunstobjecten, meubilair, architectuur en boekversiering. Hoewel het Museum van Elsene zich niet eenzijdig opsluit in een nostalgie du passé heeft het in een recent verleden rijkelijk geput uit de meest introverte oeuvres en stromingen die het fin de siècle opleverde: de tekeningen van de Belgische symbolist Xavier Mellery; het Franse idealistische symbolisme. Vandaag is het Finse symbolisme er te gast, in de tentoonstelling Innerlij-ke Werelden. Ze bevat tweehonderd wer- ken van zes schilders en één sculpteur, Ville Vallgren, die als een oude bekende overkomt omdat zijn urnen, reliëfs en kleine bronzen beelden zo dicht bij het ons vertrouwde beeld van art nouveau aansluiten. De andere namen klinken ons volkomen vreemd in de oren. Wellicht heeft dat iets te maken met de vanzelfsprekende kloven die uitgestrekte gedeelten van Noord-Europa, in onze voorstelling overgeleverd aan de eenzame, barre natuur, nu eenmaal gescheiden hielden van de rest van het continent. De zeven Finse kunstenaars die in Elsene worden getoond, probeerden in de ontvankelijkste jaren van hun jeugd de kloof te overbruggen door een tijdlang naar de Europese kunstmetropool Parijs te trekken. Sommigen deden ook Londen, Berlijn en Toscane aan. Een grote invloed die enkelen onder hen buitenshuis ondergingen, was die van outsider Paul Gauguin en zijn volgelingen. Zij wezen de analytische benadering van de werkelijkheid door de impressionisten af ten voordele van een synthetische visie. Uitgepuurde, vlakke composities, eigenzinnige kleurenkeuzes moesten een innerlijk aanvoelen van de dingen overbrengen in plaats van een vertaling ervan. Tegelijk vertegenwoordigde Gauguin, door te leven en te werken in een bijna-paradijselijke omgeving, een sterke utopische dimensie in de kunst. Dit werkte aanstekelijk op de kunstenaars die zich de nabis (profeten) noemden en in het Bretoense plaatsje Pont-Aven geconcentreerd zaten. Het Finse talent dat zich met deze stroming verwant voelde, gebruikte de ideeën van Gauguin als grondstof voor een persoonlijke benadering, zoals in Elsene mag blijken uit de schilderijen van Väinö Blomstedt en Hugo Simberg. Minstens even sterk werden de Finse kunstenaars in Parijs aangesproken door de geest van het idealistische symbolisme dat uit de gedichten van Charles Baudelaire, Arthur Rimbaud en Stéphane Mallarmé, de muziek van Richard Wagner, Pierre Puvis de Chavannes en Maurice Denis sprak. De harmonie onder de kunsten, waarbij kleuren, geuren en melodieën als analoge zintuiglijke ervaringen werden beleefd, sprak hen geweldig aan. Al deze elementen speelden mee toen, in de jaren negentig, de geniale componist Jean Sibelius en de beeldend kunstenaars Väinö Blomstedt en Akseli Gallen-Kallela met romantische schwung thema's uit het nationale epos, de Kalevala, oprakelden om een gevoel van culturele identiteit in Finland wakker te maken. De Kalevala, in 1835 geschreven door Elias Linnröt, is opgebouwd uit eeuwenoude, mondeling overgeleverde verhalen en liederen van het volk van Karelië (Oost-Finland). Het vol-strekt magische verhaal begint met de schepping van de wereld uit de gebroken eierschalen van de eend die op de knieën van de watergodin Ilmatar had zitten broeden. Goden, heksen en monsters spelen er spelletjes met goede en slechte mensen, waarbij de tragische held ten slotte de hand aan zichzelf slaat. Kullervo was zijn naam, en hij inspireerde Sibelius in 1892 tot het gelijknamige symfonische gedicht voor sopraan, bariton, koor en orkest, dat de geboorte inleidde van de 'cultuurmuziek' in een land dat tot dan alleen een traditie van volksliederen had gekend. De Kalevala sprak ook schilders aan. Blomstedt schilderde Kullervo als jonge natuurheld terwijl hij poedelnaakt staat te kerven in de boom waaraan al de strop bevestigd is waarin hij jaren later zijn hals zou leggen - de nasleep van een onbewuste daad van bloedschande. Akseli Gallen-Kallela plukte uit de Kalevala een passage waarin de moeder van de held Lemminkaïnen net diens stoffelijke resten uit de rivier gevist heeft en ze opnieuw met elkaar verbindt om hem te doen verrijzen. Zulke ongelofelijke zaken maken de aantrekkingskracht van oude epen uit, maar ontaarden, wanneer ze met vermeende grandeur en bloedige ernst worden geschilderd, gemakkelijk in kitsch. De romantisch-nationalistische component van het Finse symbolisme had zo te zien onder dat euvel te lijden. Inpalmen en meeslepen doet het symbolisme pas op zijn puurst. Als sobere evocatie van innerlijke werelden, de herinnering aan de onschuld van de kindertijd, het verloren paradijs en het overpeinzen van de dood, de rustgevende blik op de natuur. Magnus Enckell benadert die puurheid wanneer hij met slechts gering effectbejag in Twee Jongens de ontwakende seksualiteit schildert, een schroomvol onderzoekende Jongen met de schedel, of een begeerlijk wilde Faun aan de inktzwarte waterkant. Geeft Enckell toe aan de behoefte om nadrukkelijk symbolistische statements te geven - een Cultus van Venus in het bos en een Melancholia aan het water -, dan heeft de beoogde emotionele intensiteit te lijden onder de ouderwets theatrale poses. De aquarel en gouache Fantasia waarin dionysische (drift) en apollinische (ratio) elementen samenkomen in het beeld van een gekroonde jongen met een lier, verheerlijkt uitkijkend over een meer met zwarte en witte zwanen. Het werkje ontsnapt aan de kitsch bij de gratie van de subtiele tekening en de ondoorgrondelijk diepe kleurakkoorden. Akseli Gallen-Kallela - zo onuitstaanbaar pathetisch in zijn Kalevala-evocaties - slaat in enkele houtgravures een verrassend delicate en elegische toon aan, wat De bloem en de dood (een versie in zwart-wit zonder tekst en een kleurgravure met tekst) en De dood en de bloem (twee gekleurde gravures) tot zeldzaam geslaagde voorbeelden van symbolistische stilering en authentiek menselijke uitdrukking maken. Ze kwamen voort uit een tragisch keerpunt in zijn leven. In 1895, terwijl hij in Berlijn verbleef, waar hij de schilder Edvard Munch en kunsthistoricus Julius Meier-Graefe ontmoette, vernam hij dat zijn zoontje aan difterie bezweken was. De knaap was thuis gebleven in Ruovesi bij zijn moeder, die de bouwactiviteit aan Akseli's atelier in het midden van de Finse bossen opvolgde. In een brief aan zijn leerling Hugo Simberg schreef hij: 'Het was nacht toen het bericht me bereikte, en de dag is nog altijd niet aangebroken.' Simbergs aquarel van De boer en de dood is opgedragen aan zijn leermeester. Alomtegenwoordig in Simbergs aquarellen en gouaches, is de dood een personage dat de mensen die moeten sterven eigenlijk geen vrees aankaart. In overeenstemming met de volkse inspiratie en fantasie van de kunstenaar, laten duiveltjes, engelen en Pietjes-de-dood buitengewoon menselijke trekken zien, al blijven ze de rol vervullen die voor hen is weggelegd. Met drie veldbloemetjes tussen de knokige vingers luistert Magere Hein aandachtig naar de vioolspelende boer aan het sterfbed van de boerin. Hij begeleidt een boer tot aan de poort van de hemel, waar hij voor hem zelfs aan de deur klopt. (Er wordt niet opengedaan. Bij de hellepoort hebben ze meer succes.) Hij voert meisjes ten dans op een brug, en verzorgt de plantjes in de tuin waar de mensen belanden als ze pas gestorven zijn. Meer dreiging, suggestie en beeldende kracht gaan uit van de antropomorfe Vorst in volle zomer. De gesel van de noordse landen, oogsten in één klap vernielend, is afgebeeld als een naakt halfmonster met geweldige ezelsoren. Te paard op een hooischelf jaagt hij in extatische concentratie golven van koude door het land. Helene Schjerfbeck had geen mythologische wezens, geen nationaal epos nodig om tot een symbolistische kunstbeoefening te komen, wel integendeel. Symbolisme voor haar betekende het afdwingen van stilte en afzondering, en het binnenlaten van licht, om de door haar geportretteerde figuren innerlijke kracht en uitstraling te verlenen. Met een sober palet, scherpe lichtcontrasten en een strenge maar vloeiende lijnvoering, raakt Schjerfbeck in haar minimalistische schilderijen en aquarellen aan de kern van gedachten en emoties. Ze worden overgedragen doorheen de geconcentreerde houding van vrouwen die de ascese zoeken van handwerk, lectuur of stille overpeinzing, om zichzelf te zijn. Aan Schjerfbecks verblijf in Fie-sole herinneren twee volmaakte landschapsschilderijtjes met zwarte cipressen en een koel licht dat iemand uit het noorden blijft zien, zelfs wanneer hij in het zuiden is. Ook Ellen Thesleff had een innige band met het licht. 'Hoe intenser het licht, hoe dieper de schaduw. In een sterk licht verdwijnt de vorm, net zoals in een diepe schaduw.' Wat ze overhield, was de intensiteit van blikken die hun voorvoeld sterke boodschap niet prijsgeven, zelfs niet wanneer ze de beschouwer lijken te fixeren ( Zelfportret). Verder schilderde ze bomen in de sneeuw die zo onstoffelijk en licht geworden zijn dat ze al tot een andere wereld behoren. Jan BraetTot 12.1.03. Museum van Elsene, Jean van Volsemstraat 71, 1050 Brussel. Elke weekdag behalve op maandag open van 13 tot 18.30. Za. en zon. van 10 tot 17 u. Op feestdagen gesloten.De dood is een personage dat de mensen geen vrees aankaart.