Een mens is geen plant en moet zich kunnen verplaatsen. Vrijheid van beweging is een recht voor iedereen en het is de taak van de overheid ervoor te zorgen dat de verplaatsingen ordelijk en veilig verlopen, zonder te veel schade voor het milieu. Daar ligt de oorsprong van het uit de hand gelopen verkeersprobleem: de bevolking eist een recht op, massaal en onvoorwaardelijk, en legt de overheid een taak op die onuitvoerbaar is.
...

Een mens is geen plant en moet zich kunnen verplaatsen. Vrijheid van beweging is een recht voor iedereen en het is de taak van de overheid ervoor te zorgen dat de verplaatsingen ordelijk en veilig verlopen, zonder te veel schade voor het milieu. Daar ligt de oorsprong van het uit de hand gelopen verkeersprobleem: de bevolking eist een recht op, massaal en onvoorwaardelijk, en legt de overheid een taak op die onuitvoerbaar is. De files zijn nu even onontwarbaar als het probleem zelf onoplosbaar is. Een hulpeloze overheid houdt vast aan de oude logica die een toenemende vraag naar mobiliteit met een ruimer aanbod van vervoermiddelen beantwoordt. Zij wil het openbaar vervoer bevorderen en desnoods het wegennet uitbreiden. Men kan slechts hopen dat die ramp, in welke van beide versies ook, ons bespaard blijft. Het meest te duchten in dit al half verwoeste land is natuurlijk de aanleg van nieuwe wegen. Het wegennet is een reservoir dat bij uitzetting onmiddellijk weer volloopt. Nog meer asfalt zou daarom niet alleen desastreus zijn voor het leefmilieu maar ook het autoverkeer nieuwe groeiruimte geven en de problemen nog ondraaglijker maken. Van het openbaar vervoer valt nauwelijks verlichting te verwachten. De bijdrage die het levert in het vervoersaanbod is noodzakelijk beperkt. Niemand woont in een station of werkt in een station, maar treinen rijden alleen tussen stations. Een ultra-fijnmazig netwerk dat permanent beschikbaar is en waarvan de dienstverlening vergelijkbaar zou zijn met wat het privé-vervoer biedt, valt niet te realiseren. Elke poging om dat ideaal zelfs maar te benaderen, zou gepaard gaan met zoveel zwaar gerij door het land dat de hinder nog groter zou zijn dan die van het huidige autoverkeer. En dan nog beantwoordt het niet aan de behoeften. Wie wat spullen te vervoeren heeft, moet zijn plan trekken zonder het openbaar vervoer. Met de bus naar de supermarkt kan wel lukken, maar hoe terug? Niets zo handig als een eigen auto met wat kofferruimte. Oplossingen voor het huidige verkeersprobleem bestaan niet maar het probleem hoeft zelf ook niet te bestaan, althans niet in deze monsterachtige vorm. Indien dat een utopische gedachte lijkt, dient men zich slechts te herinneren dat het verkeer twintig jaar geleden veel vlotter verliep over een wegennet dat vrijwel gelijk was aan het huidige. Het algemene welvaartsniveau lag toen niet lager dan nu, integendeel, er was minder werkloosheid, minder armoede (ondanks de energiecrisis), en de koopkracht was vergelijkbaar met de huidige. Waartoe heeft de groei van het verkeer dan gediend? Welk welzijn levert zij op voor de prijs van al die hinder? En waarom nam het vrachtvervoer zo buitensporig toe? De bedrijven produceren nu niet meer welvaart dan twee decennia geleden, maar hebben hun magazijnen wel afgebroken en de voorraden rollend over het wegennet uitgebreid. Het zou onzinnig zijn terug te willen keren naar de toestand van twintig jaar geleden, al was het maar omdat toen de basis gelegd werd voor de problemen van nu. Ondertussen doen die problemen wel vragen rijzen over maatschappelijke ontwikkelingen van zowel toen als nu. Miljoenen mensen slaan elke ochtend de deur van hun woning achter zich toe. Wat zoeken zij buitenshuis dat niet te vinden is thuis? Er moet een dwingende reden voor die massaverplaatsing bestaan, want deze mensen zouden zichzelf en de samenleving geen geringe dienst bewijzen door thuis te blijven. Niet de enige, maar ongetwijfeld de belangrijkste "beweegreden" is de beroepsactiviteit. De aantrekkingskracht die Brussel uitoefent op de vele tienduizenden die er zich elke dag naartoe wringen, wordt alleen maar gevormd door het inkomen dat ze er ontvangen in ruil voor de arbeid die ze er verrichten. Maar is daarvoor een verplaatsing nodig? De arbeid van deze mensen is hoofdzakelijk kantoorwerk dat bestaat uit het opstellen van rapporten, brieven, rekeningen, en het verwerken van gegevens allerhande. Het inkomen ontvangen ze door een overschrijving op een bankrekening. Waarom moet iemand daarvoor de baan op? Een aansluiting op een telefoonlijn met modem en pc volstaat. Met grote betrouwbaarheid en tegen de lichtsnelheid stroomt alle informatie door de draad naar de bestemming, om het even of die van thuis of vanop kantoor vertrekt. Wat kan de baas méér verlangen? De praktijk, gevormd door de traditie van een heersende werkcultuur, bepaalt het anders. Een werkmilieu is méér dan een telefoonaansluiting, het omvat ook sociale contacten, professionele relaties, controles, en de infrastructuur van een bedrijf. Wie thuis blijft, zit geïsoleerd. Het georganiseerd verband waarin het werk moet gebeuren, vereist een nabijheid en direct contact met collega's, superieuren en ondergeschikten. De werknemer wordt geen andere keuze gelaten dan zich elke ochtend lijfelijk te melden op het bedrijf. Het recht om vrij te kunnen bewegen, is de plicht geworden om zich te verplaatsen. Wie een salaris ontvangt, wordt het huis uit gedreven. De economische rationaliteit die de samenleving beheerst, bepaalt dat de bedrijfscultuur het haalt op de gezins- en wooncultuur. Ook het gezin vraagt nabijheid en contact, maar de noodzaak van een inkomen laat geen keuze. Vader gaat de deur uit, moeder gaat de deur uit, en de kinderen trekken eruit. Alleen de hond blijft thuis. Men ziet elkaar 's avonds wel weer, indien iedereen de tocht heeft overleefd en niemand ondertussen naar het buitenland diende te vertrekken. Leven is bewegen, maar deze hyperkinesie verwoest het leven. Behalve een gebombardeerde stad is niets zo troosteloos als een moderne woonwijk overdag. Elke ochtend vlucht het leven eruit in stromen auto's en blijven de huizen als lege hulzen achter. En door al die beweging, rijdt iedereen zich vast. De dagelijkse miserie van het verkeer is slechts een uitwendig symptoom van een ziekte die van binnen aan het sociale weefsel knaagt. Een maatschappij die er niet in slaagt wonen en werken te verenigen, desintegreert inwendig. Door het symptoom te bestrijden, neemt de overheid de kwaal niet weg. Integendeel, zij jaagt illusies na die de aandoening verergeren. Wat de samenleving nodig heeft om weer vrijer te leven en zich vlotter te bewegen, zijn niet méér vervoermiddelen, maar minder.Gerard Bodifee