Jan Braet
Jan Braet Jan Braet is redacteur cultuur bij Knack.

Kunstenaars zijn de mijnwerkers van het geheugen. Ze delven er de stof op om onuitwisbare iconen mee te maken. ‘Le Beau Corps de la Mémoire’, de tweede tentoonstelling in het MAC’s op de site van Le Grand-Hornu.

‘Le Beau Corps de la Mémoire’, t/m 29.6.03, elke dag open van 10 tot 18 u. MAC’s, Rue Sainte-Louise 82, 7301 Hornu.

Antoine Bourlard had een hoge dunk van de schilderkunst. Ze moest in staat zijn om een ideaal te belichamen. Bourlard was een kind van de late 19e eeuw en van de Borinagestreek. De helden van zijn tijd dolven met zware arbeid het zwarte goud op. Maar voor hij hen als de wegbereiders van een nieuwe wereld schilderde, hadden andere horizonten hem gelokt, contreien waar de bewoners niet in het zweet huns aanschijns moesten zwoegen. Een kwarteeuw lang verheerlijkte hij het stralende Romeinse landschap in monumentale doeken, die gretig aftrek vonden bij een gefortuneerde clientèle. Op zijn vijftigste vestigde hij zich opnieuw in zijn vaderstad Bergen, waar hij directeur werd van de academie. In 1894, vijf jaar voor zijn dood, schilderde hij Industria, een breed en krachtig geborsteld loflied op de arbeid, verpersoonlijkt door een prachtig gespierde jonge werkster, bij de kolen en de laaiende oven omringd door vastberaden kameraden.

In die dagen was op de site van Le Grand-Hornu nabij Bergen een bloeiend steenkoolbedrijf gevestigd, waar werk, verkoop, wonen en leven in één geïntegreerd concept geregeld waren. De opvolgers van de visionaire mijnpatron Henri Degorge zagen hun in neoklassieke stijl opgetrokken cité in 1945 in verval raken, en in 1954 op last van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal gesloten worden. Het nipt afwenden van de bevolen afbraak in 1969 luidde het tweede bestaan in van het domein. De provincie Henegouwen liet het eerst renoveren en in de jaren ’90 als centrum van industriële archeologie en vormgeving ( Grand-Hornu Images) in gebruik nemen.

Ondertussen weefde de Luikse architect Pierre Hebbelinck ook een nieuw museum van hedendaagse kunst in en tussen gedeelten van het neoklassieke mijncomplex. Zo maakt het Musée des arts contemporains ( MAC’s) van de Franse Gemeenschap, dat in september 2002 openging, op elk moment de aanwezigheid van zijn voorgeschiedenis voelbaar. Die behelst niet alleen industriële en architecturale elementen. Op verschillende punten een uitzicht openend op de wijde grasarena en de eeuwenoude bomen, gunt het MAC’s zijn bezoekers ook een goed contact met de natuur, van de aarde tot de hemel boven Hornu.

De fysieke uitstraling van de jonge Boraine (vrouw van de Borinage) op het schilderij van Bourlard en de nu bijna kloosterachtige sfeer van het vroegere industriële pand, doordesemen titel en thema van de tweede tentoonstelling in het MAC’s: Le Beau Corps de la Mémoire. Directeur Laurent Busine (52), voor wie de stof van hedendaagse kunst bestaat uit wat ons uit het verleden blijft aanspreken, maakt al twintig jaar tentoonstellingen over het ‘miraculeuze’ vermogen van kunstenaars om wat in ’s mensens geheugen opgeslagen ligt – en onuitspreekbare emoties losmaakt – tastbaar voor te stellen in concrete beelden. ‘Wat verstandelijk moeilijk voor te stellen is, maakt het mysterie en de gelukzaligheid van kunstwerken uit’, zegt hij. Voorheen, in het Palais des Beaux-Arts van Charleroi, waar hij alleen tentoonstellingen kon maken en geen verzameling uitbouwen, was hij gedwongen om zijn grote thema fragmentarisch aan te raken. Nu, in het museum, kan hij het van tentoonstelling tot tentoonstelling verder uitdiepen, en een collectie uitbouwen die er de matrix van bewaart.

De kunstwerken die samen Le Beau Corps de la Mémoire vormen, zijn aan de hand van drie motieven gekozen: boom, reliekhouder, archief. Om de weg niet te verliezen in zijn bos van gestileerde houten boomprofielen, reikt kunstenaar Patrick Corillon een verhaal aan dat hij op de wand gekleefd heeft. Het is een variant op de klassieke liefdesgeschiedenis van Tristan en Isolde, waarbij kunst als troostend verweermiddel geldt tegen het tragische verlies van de geliefde. De angel bij Corillon zit in de ongelofelijke wending, wanneer de geliefde toch niet zo dood blijkt als eerst leek, en Tristan de zin en drijfveer van zijn kunstwerk bedreigd ziet. Zijn ultieme reflex geldt niet de redding van zijn geliefde, maar van het kunstwerk.

GEVALLEN TAKKEN

Op twaalf kleurenfoto’s is het oerbos Bialowieza, dat zich uitstrekt van een uithoek van Oost-Polen tot Wit-Rusland, door Joachim Koester gezien als theater van natuurlijke gebeurtenissen, die zich sinds tienduizend jaar buiten elk menselijk ingrijpen lijken af te spelen. Dat Bialowieza Forest er desondanks als een slagveld bijligt, vol neerzijgende of gevallen takken, beschadigde, kale plekken, verraderlijke poelen en gebarsten boomschors, komt als een verrassing over voor wie zich de snel slinkende oppervlakten ongerepte natuur in de wereld voorstelt als het aards paradijs.

Rodney Graham poogde ceders en pijnbomen in Noord-Amerika – door ze individueel te fotograferen, en op hun kop gezet in te lijsten – iets van het ontzagwekkend vreemde en doorleefde terug te geven, dat ze voor de voorouders moeten hebben gehad. (En alsof hij het onmogelijke verlangen koesterde om ze opnieuw een centrale plaats te geven in een lang geleden verloren gegane bestaansmystiek.) In feite geeft de Canadees Graham de woudreuzen weer zoals ze op het netvlies verschijnen vooraleer ze door de hersenen worden rechtgezet. Zoals Koester in zijn oerbos omspant hij een veld van tijd en ruimte vanaf de primitieve natuurstaat, over het ontstaan van het menselijk bewustzijn tot en met het actuele besef van kwetsbaarheid bij de dragers van het geheugen van de natuur, dat door de mens wordt bewaard.

Le Beau Corps de la Mémoire heeft geen honderden beelden te bieden, hooguit enkele tientallen. Als de bezoeker door drie, vier beelden zo geraakt wordt dat ze in zijn geheugen gegrift blijven, dan acht Laurent Busine zijn opdracht vervuld. Hij wil de bezoekers tot de ‘bewaarders van een werk’ maken. Zo’n werk kan zelf ook bewaarplaats zijn, reliekhouder, schrijn. Primitieve, ronde potten uit terracotta, door de Mexicaanse kunstenaar Gabriel Orozco onhandig gedraaid of gewoon gekocht in de werkplaats van een pottenbakker in Afrika, zijn schijnbaar verloren gelegd op een tafel met ruw houten blad. De omringende kleurenfoto’s reiken het referentiekader aan. In een landschap van zand, droge halmen en groene bomen liggen terracottabollen uitgespreid. Sommige lijken er toevallig verzeild, zoals die op de tafel in de kleinste kamer van het museum. Andere vormen het hoofdeinde van zerkvormige zandophopingen waaronder doden begraven moeten liggen, tenzij de bollen eigenlijk urnen zijn, gevuld met as. Hoe dan ook, ze zetten hun funeraire betekenis over op de potten op de tafel in het museum, die nog leeg zijn. Het zijn reliekhouders, zoals het ovalen kistje met glazen deksel dat het door Auguste Rodin in gips geboetseerde hoofdje van Johannes de Doper en drie in een kramp vertrokken handen bevat. Op dit formaat, in deze houder, in dit wit, is het puur lijden uitdrukkende gezicht van de Doper indrukwekkender dan een mogelijk analoge sculptuur in brons en op ware grootte.

Le Beau Corps de la Mémoire wil ook archief zijn. Van het schier onarchiveerbare, zo moet men besluiten, oog in oog met de in schone herhaling aanvloeiende visioenen van ruimte, structuur, kleur en emotie op de aquarellen van Günther Förg, de door Marie-José Burki op video zo geregistreerde alledagscènes dat ze het vlieten en de transparantie van de nabije Hudson River reflecteren, het spiegelboudoir waar ontwerper Ettore Sottsas de essentie van zijn leven, arbeid en ideeën met enkele minimale tekens geconcentreerd heeft, en ten slotte José Maria Sicilia’s verkondiging van het sublieme, gedrenkt in bijenwas en daardoor niet langer leesbaar, maar des te meer bestemd om met een overmaat aan emotie te worden benaderd.

‘Wat zouden we zien als we er niet zouden over spreken?’ luidt Busines retorische vraag aan zijn publiek, dat met stomheid geslagen is. ‘Niets’, zo weten wij. Doorheen het uitwisselen van kennis, gedachten en herinneringen in relatie met kunstwerken, worden hun betekenislagen rijker. Sommige kunstenaars laten de conversatie deel uitmaken van het werk zelf, zoals Art & Language in de installatie Sighs by liars, of Franz West in de vanuit exotische rustbanken te volgen Ordinary Language. Net zo min als bij de door Sicilia getranscribeerde heilige teksten, is de ontcijfering of de wijze waarop dat moet gebeuren vanzelfsprekend. De lezer, de kijker, de luisteraar wordt er zich van bewust dat al zijn zintuigen en zijn verstand worden aangesproken. Het is zaak ze op één golflengte te brengen om het schitterende corpus, opgeslagen in het geheugen, in pijn en genot tot leven te zien komen.

Jan Braet

‘De bezoekers moeten de bewaarnemers van het werk worden.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content