Info : Voorpublicatie bewerkt door Frank Demets. 'NV Terreur', Loretta Napoleoni, uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam, euro 27,50
...

Info : Voorpublicatie bewerkt door Frank Demets. 'NV Terreur', Loretta Napoleoni, uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam, euro 27,50Op een koude, winderige avond in februari 1999 haastten zo'n tweehonderd Albanese immigranten zich naar een restaurant in Brooklyn, New York. Terwijl ze naar hun tafels liepen, gaven de gasten geld door aan de kelners. Dit was geen bijeenkomst van fijnproevers die de keuken van de Balkan wilden keuren. De mensen waren gekomen voor een ontmoeting met Dina, iemand van het Kosovaarse Bevrijdingsleger (UCK). Toen het restaurant was volgelopen, werd het licht gedempt. Dina riep op tot een minuut stilte om de helden van het vaderland te herdenken, de mensen die gesneuveld waren voor de bevrijding van Kosovo. Even later kregen de gasten een video te zien over de wreedheden die de Serviërs in Kosovo hadden begaan. Dina's toespraak was lang niet zo ontroerend als de beelden. De militair had niet zo veel te zeggen; hij was een strijder, geen politicus. Zijn korte, simpele zinnetjes werden vaak onderbroken door luid geschreeuw van 'Oe-Tsje-Ka, Oe-Tsje-Ka' - naar de letters die de naam van het bevrijdingsleger vormen. Maar Dina's matige retorische gaven verhinderden niet dat de aanwezigen naar hun portefeuilles grepen en handenvol dollars weggaven. Niemand maalde erom dat het UCK door de westerse mogendheden op de lijst van terroristische organisaties was geplaatst en dat het leger net zulke wreedheden had begaan als de Serviërs. Daar, in het restaurant, was iedereen ervan overtuigd dat het UCK een rechtvaardige oorlog voerde, dat zijn soldaten patriotten waren en hun land liefhadden. 'Wat verwachten ze?' vroeg Izet Tafilaj, die zijn tante, oom en neef in de oorlog heeft verloren. 'Als zij ons niet willen helpen, laten we dan tenminste onszelf helpen.' En hij voegde eraan toe dat hij zojuist zijn makelaarsfirma in New Jersey had verkocht en naar Kosovo zou vertrekken om zich bij de strijd aan te sluiten. Taferelen als in het Balkanrestaurant zijn dagelijkse kost in heel het Westen - Europa of de VS. Het Iers Republikeins Leger (IRA), de Palestijnse terreurgroep Hamas, maar ook de door de Amerikanen in de ban geslagen Hezbollah in Libanon of de PLO in Palestina, lobbyen geregeld onder immigranten om hun organisaties te financieren. Met succes, overigens. In december 1997 heeft een groep Albanezen die in de Bronx woont, 4 miljoen dollar bijeengebracht voor steun aan islamistische groepen. In 1999 heeft het UCK alleen al in de VS 10 miljoen dollar ingezameld. De meeste stortingen gebeuren rechtstreeks, via ad-hocorganisaties (Noraid voor de IRA, bijvoorbeeld) of langs fiscale weg: Palestijnen in het buitenland moeten vijf procent van hun inkomen afstaan aan de PLO, Albanese immigranten in Duitsland en Zwitserland storten drie procent van hun inkomsten door naar de moslimkrijgers in Pristina. En vaak blijven de bijdragen niet beperkt tot geld: Albanese Amerikanen, bijvoorbeeld, voorzien het UCK ook van radio's, nachtkijkers en kogelvrije vesten, gekocht via een Amerikaans postorderbedrijf. Technisch gesproken zijn die zendingen niet illegaal: de wet heeft (of had tot voor kort) geen middelen om het onderscheid te maken tussen legitieme stortingen en sponsoring van gewapende groeperingen. Het is in de VS namelijk niet verboden om giften in te zamelen voor rebellengroepen of legers, en ook aansluiten bij zo'n groepering is geen misdrijf in de strikte zin van het woord. Tenzij die beweging op de lijst van terroristische groeperingen van het ministerie voor Buitenlandse Zaken staat, dan moeten de geldstromen op een spitsvondiger manier geregeld worden. Via de liefdadigheid, bijvoorbeeld. Elk jaar bereiken miljarden dollars het islamitische netwerk. Het mag worden verondersteld dat een deel daarvan als een soort internationale geldvoorraad fungeert, klaar om doorgezonden te worden naar elke willekeurige gewapende groep in de moslimwereld die geld nodig heeft. Die link tussen liefdadigheidsgelden en gewapende organisaties dateert van de jaren zeventig, toen Ierse Amerikanen liefdadigheidsorganisaties opzetten voor katholieke weduwen en wezen (lees: de IRA), en islamitische organisaties soortgelijke geldsluizen creëerden tijdens de anti-sovjet-jihad. Destijds bevorderden de VS trouwens alle vormen van financiering voor de moedjahedien, de verzetsstrijders tegen de Sovjets in Afghanistan. Inclusief de giften uit moslimlanden. Verscheidene organisaties die vroeger de moedjahedien steunden, storten nu hun geld door naar islamitische gewapende groepen, vaak zelfs zonder dat de gulle gevers zich bewust zijn van die radicale verandering. Zo had ene Adel Batterjee, een rijke Saudische zakenman, in 1987 de Benevolence International Foundation (BIF) opgericht, een door Saudi's ondersteunde liefdadigheidsorganisatie die de moedjahedien van geld moest voorzien. In 1993 werd die organisatie vrijgesteld van belastingen in de VS. Rond die tijd nam ze ook Enaam Arnaut in dienst, een veteraan van de anti-sovjet-jihad die in een van Osama Bin Ladens kampen in Afghanistan wapens had aangekocht en verdeeld. Volgens Amerikaanse autoriteiten had Arnaut de opbrengst van de liefdadigheidsorganisatie buiten het zicht van de gevers witgewassen ten voordele van diverse islamistische gewapende groepen. Michael Chertoff, hoofd van de afdeling strafrecht van het Amerikaanse ministerie van Justitie, beweert dat Arnaut 'honderdduizenden dollars heeft overgemaakt naar rekeningen, waarvan vermoed wordt dat ze verband houden met Tsjetsjeense rebellen in Georgië'. In 2001 heeft Benevolence International meer dan 3,6 miljoen dollar bij elkaar gebracht en 2,7 miljoen dollar gestort aan moslimslachtoffers van oorlogen in acht landen, waaronder Afghanistan, Bosnië, Pakistan en Tsjetsjenië. Amerikaanse autoriteiten denken dat het leeuwendeel van dat geld naar gewapende groepen is gegaan, en niet naar moslims in nood. Een andere liefdadigheidsvereniging uit de moslimwereld, Muwafaq, wordt zelfs openlijk door Bin Laden gesteund. Muwafaq, beter bekend onder de naam Blessed Relief is een Saudische organisatie die cursussen Arabisch aanbiedt, maar ook computerlessen en Koranstudie. In Bosnië leverde ze ook voedsel voor mensen in nood. Maar een voormalige ambtenaar van de Kroatische inlichtingendienst is ervan overtuigd dat Muwafaq ook steun heeft verleend aan islamitische gewapende groepen in Bosnië en Albanië. Maar terreurorganisaties rekenen niet enkel op gulle individuen, ook overheidssteun kan een aardige duit in het laatje brengen. Denk maar aan de clandestiene hulp die de Verenigde Staten aan de Contra's in Nicaragua hebben verleend. Dergelijke rechtstreekse sponsoring komt vandaag de dag nog zelden voor, want er is een veel lucratievere manier gevonden om activa van de ene staat naar de rebellengroeperingen van de andere over te dragen. Irak leidde miljoeneninkomsten van het olie-voor-voedselprogramma van de VN af, met de bedoeling er raketwerpers en legervoertuigen mee te kopen. Donorlanden gaan er tegenwoordig van uit dat gemiddeld vijf procent van alle giften voor ontwikkelingssamenwerking wordt afgeleid, hetzij contant, hetzij in natura. Dergelijke praktijken zijn schadelijk voor de traditionele economie, want een rechtstreekse aanslag op de schatkist. Ze kunnen ook rampzalig zijn voor de bevolking: toen de regering in Sudan gebruikmaakte van de Bagara-militie uit het noorden om de dorpen te beroven in het zuiden, het bolwerk van het Sudanese Volksbevrijdingsleger (SPLA), vernietigden die door hun massale veediefstallen de voedseleconomie van de plaatselijke bevolking. Met acute hongersnood tot gevolg. Plunderingen en afpersingen zijn voor terroristische groeperingen een goudmijn. In de jaren zeventig heeft de ETA, het bevrijdingsleger van Baskenland, door systematische chantage en plunderingen de regio gepluimd en talloze industriëlen met hun familie op de vlucht gejaagd. In het zuiden van Libanon haalt de Hezbollah zijn inkomsten grotendeels uit de afpersing van handelaars, zakenlieden, restauranteigenaars en winkeliers, voornamelijk in de Bekaa-vallei. Zowel de ETA als de Hezbollah noemt zijn criminele praktijken een 'revolutionaire belasting'. Zulke belastingen vormen een andere, goed ingeburgerde manier om activa van de ontwikkelingshulp over te dragen naar de bankrekeningen van de rebellen. Tijdens de oorlog in Bosnië eisten Bosnische Kroaten een belasting van 27 procent op de doorvoer van internationale hulpgoederen naar Centraal-Bosnië. Of de rebellen houden in de gebieden die zij controleren kunstmatig een hoge wisselkoers voor de eigen valuta in stand, zoals in Sudan of Somalië. Overschrijvingen uit het buitenland werden daar systematisch tegen woekerprijzen omgezet in de plaatselijke munt, en de groepering die baas was in het gebied stak het verschil in eigen zak. En als dat allemaal niet genoeg opbrengt, nemen de terreurgroepen hun toevlucht tot gewelddadige middelen. Ontvoeringen bijvoorbeeld. Buitenlanders, vaak toeristen of hulpverleners, kunnen een stevige ruggensteun zijn voor de betalingsbalans van de terreur, vooral als het losgeld in keiharde valuta wordt betaald. En omdat gijzelaars voor gewapende groepen niets meer zijn dan een stukje handelswaar - net als drugs, goud of diamanten - kan iedereen een bod op hun leven doen, zelfs andere terreurorganisaties. In deze lugubere vorm van mensenhandel kan het kopen van iemands dood namelijk een krachtdadig politiek statement zijn. Eind 1998 ontvoerden islamitische rebellen in Tsjetsjenië drie Britten en een Nieuw-Zeelander. Hun werkgever, een Brits telecombedrijf, bood vier miljoen dollar losgeld. Maar net voor de storting kwam, werden de vier onthoofd. Toen de Britse televisiezender Channel Four de laatste uren van de vier probeerde te reconstrueren, bleek plots hoe Osama Bin Laden aan de onderhandelingstafel had gezeten, en hoe hij te elfder ure vier miljoen pónd voor het viertal had geboden. De vier hadden namelijk strategische economische informatie over Tsjetsjenië doorgespeeld aan de Britse regering, die Britse oliebedrijven in de Kaukasus wilde posteren. De hoofden van de vier ingenieurs, gevonden in een greppel in Tsjetsjenië, waren Bin Ladens macabere waarschuwing aan de Britse regering: 'Blijf vooral weg van de rijkdommen van de Kaukasus.' Maar niet alleen ontvoeringen, ook andere criminele activiteiten zijn een inkomstenbron voor de NV Terreur. Tien procent van de opbrengst van een golf autodiefstallen in Ontario en Quebec, Canada, bleek op een gegeven moment naar de islamitische terreur te vloeien. Onderzoek in de VS en Europa toonde ook aan hoe bedrog met gestolen creditcards en identiteitsbewijzen op grote schaal werd georganiseerd door leden van criminele gewapende groepen. Volgens de FBI, de Amerikaanse staatsveiligheid, hebben zelfs de kapers van 11 september gefraudeerd met creditcards om in hun levensonderhoud te voorzien. Ondanks al die dubieuze geldstromen blijft smokkel - van sigaretten, alcohol of diamanten - wellicht nog altijd de belangrijkste activiteit van de NV Terreur. De smokkel is een hele industrie voor de arme bevolking, maar ondersteunt terzelfder tijd ook gewapende groepen en criminele organisaties. Kijk maar naar de stamgebieden van Pakistan: volgens sommige bronnen zou 80 procent van de totale import van Pakistan - van textiel uit Korea en China, maar ook auto's uit Afghanistan - via de smokkelroutes van de Atta komen. In 1999 schatten de Verenigde Naties dat 'illegale' export uit Afghanistan naar Pakistan bijna 1 miljard dollar bedroeg, en die van Afghanistan naar Iran 140 miljoen dollar. Het aandeel van de Taliban in die handel, in de vorm van een soort exportbelasting, wordt door de VN op 36 miljoen dollar geschat, en door de Wereldbank zelfs op 75 miljoen. En het is een wereldwijd fenomeen: aan de andere kant van de aardbol, in Ciudad del Este in Paraguay, opereert een smokkelbedrijf dat meer dan 12 miljard dollar per jaar genereert. Het is gelegen op de Driehoek, waar Paraguay aan Brazilië en Argentinië grenst. Jaarlijks worden er zo'n 200 moorden gepleegd in een gebied met amper 100.000 inwoners. Gemiddeld zestien buitenlanders per week komen er illegaal het land binnen: ze betalen 5000 dollar vooruit, schuiven een douaneman 500 dollar toe en kopen voor nog 5000 dollar een vervalst paspoort. Verder worden ook alle mogelijke goederen via deze weg het land in gesmokkeld - van Colombiaanse coke tot computers uit Miami of in Brazilië gestolen auto's. Ambtenaren schatten dat meer dan de helft van de auto's in Ciudad del Este gestolen is in Brazilië. En volgens de International Intellectual Property Alliance (IIPA), een vereniging van Amerikaanse producenten van producten waarop auteursrecht rust, is Brazilië in het jaar 2000 wel 300 miljoen dollar kwijtgespeeld aan de verkoop van cd's, en wel door de florerende handel in zwarte cd's in Ciudad del Este. In Ciudad del Este wonen 20.000 moslims, ongeveer een op de dertig inwoners, en de stad biedt onderdak aan allerlei radicale islamistische groeperingen. Terreurorganisaties maken deel uit van die smokkeleconomie en ze verdienen er flink aan. Ali Khalil Mehri, een in Libanon geboren zakenman en genaturaliseerd Paraguayaans staatsburger, heeft misschien wel 50 miljoen dollar winst van gekopieerde software gebruikt om de kas van de Hezbollah te spekken. Toen de politie een inval deed in zijn huis in Ciudad del Este, vonden ze cd's en video's van zelfmoordaanslagen, die hij gebruikte voor propaganda en fondsenwerving. De voordelen van de smokkeleconomie zijn talrijk voor gewapende groepen. Niet alleen vormt ze een gezonde bron van inkomsten, maar ze ondermijnt bovendien de traditionele economische infrastructuur, en vergemakkelijkt zodoende de uitbreiding van de oorlogseconomie. Een studie van de Nationale Universiteit van Colombia heeft geschat dat de verkoop vanuit San Andresino, de grootste smokkelmarkt van Colombia, opgelopen was tot 13,7 procent van het bruto nationaal product (bnp) van het land in 1986, en tot niet minder dan 25,6 procent in 1996. In Colombia is de smokkel vanuit Panama bezig de plaatselijke tabaks- en importbedrijven te ondergraven. De smokkel weegt ook zwaar op de belastinginkomsten van het land: in 1996 was de aanvoer uit Panama in totaal ongeveer 1,7 miljard dollar waard, maar de Colombiaanse douane rapporteerde slechts invoer ter waarde van 166 miljoen dollar. Een serieuze aderlating was dat voor de regering. Volgens het Financial Crime Enforcement Network van de Amerikaanse schatkist, een soort fiscale politie, is smokkelwaar 'het efficiëntste witwasproduct van het westelijke halfrond'. Het systeem is poepsimpel: Colombiaanse drugsbaronnen vergaren een grote hoeveelheid dollars, die ze moeten witwassen en inwisselen voor peso's. Daarom verkopen ze hun dollars in de Verenigde Staten met korting aan peso-handelaars - voor een miljoen dollar ontvangen ze het equivalent van 750.000 dollar in peso's. De handelaars gebruiken dat geld dan om goederen in te kopen die heel snel contant geld opleveren. Ze kopen gesmokkelde sigaretten, alcohol, elektronica en verschepen die naar Aruba, of de belastingvrije zone van Panama. Of ze sturen gewoon kisten vol contant geld rechtstreeks naar Aruba, waar ze de goederen inkopen bij plaatselijke groothandelaars. Van Panama varen de goederen naar Colombia, waar ze met veel korting worden verkocht, vaak voor prijzen die lager liggen dan in het land van herkomst. En aan het einde van de cirkel zijn hun drugsdollars gewoon witgewassen. Een aantal gebieden krijgt door de smokkel plots toegang tot een enorme variatie aan producten, tegen prijzen die haalbaar zijn voor grote groepen van de bevolking. En precies daarom is het fenomeen zo moeilijk uit te roeien: omdat ook de gewone mens er op het eerste gezicht zijn voordeel mee doet. Osama Bin Laden betaalde vier miljoen pond losgeld aan een islamitische terreurgroep in Tsjetsjenië om haar vier westerse gijzelaars te kunnen onthoofden. Via liefdadigheid bereiken elk jaar miljarden dollars het islamitische terreurnetwerk.