De aanval van Ilja Leonard Pfeijffer kwam niet uit het niets. Ondanks het feit dat hij ooit een pleidooi hield voor 'moeilijke poëzie' heeft hij niets met de traditie van de Nederlandse dichter Hans Faverey, een dichter die in zijn werk aantoonde dat de ervaring van de werkelijkheid anders is dan de talige ervaring ervan in een gedicht. De Vlaamse dichters Dirk van Bastelaere en Erik Spinoy hebben wel affiniteit met het gedachtegoed van Faverey. Veel critici en lezers blijven steken in nostalgie naar herkenbare gedichten vol goed gekozen metaforen. Poëzie die een andere leeshouding vraagt, krijgt dan het etiket 'postmodern'. Daarmee werden de vernieuwers van de Vlaamse poëzie jaren in de kast gestopt. Ze werden zelden uitgenodigd voor literaire manifestaties. Intussen lieten de Vlaamse dichters Paul Bogaert, Peter Holvoet-Hanssen, Jan Lauwereyns en Bart Meuleman zien dat gedichten die van een groot bewustzijn van de taligheid van de ervaring getuigen, best spannend kunnen zijn. De organisatoren beseffen stilaan dat je dat soort dichters niet kunt blijven negeren. De Nachten, Behoud de Begeerte en de poëziezomer van Watou zetten de kastdeuren open. En nu staat er weer een nieuwe garde klaar. Als we het over een nieuwe generatie kunnen hebben, dan vooral omdat deze dichters de leeftijd van vijfendertig jaar nog niet overschreden hebben, onlangs gedebuteerd hebben of zelfs nog in de kleedkamer zitten, in afwachting van hun eerste confrontatie met het publiek, al hebben ze meestal hun opwachting gemaakt in de belangwekkende door Xavier Roelens en Maarten De Pourcq samengestelde bloemlezing Op het oog (P, 2005), met eenentwintig dichters onder de vijfendertig. In dat boek vallen ontdekkingen te doen, al blijven de samenstellers vaag over wat de opgenomen dichters bindt: 'Bovenal toont elke dichter het medium van het papier onder de knie te hebben en daarmee - naar ons gevoel - iets boeiends aan te vangen.'
...

De aanval van Ilja Leonard Pfeijffer kwam niet uit het niets. Ondanks het feit dat hij ooit een pleidooi hield voor 'moeilijke poëzie' heeft hij niets met de traditie van de Nederlandse dichter Hans Faverey, een dichter die in zijn werk aantoonde dat de ervaring van de werkelijkheid anders is dan de talige ervaring ervan in een gedicht. De Vlaamse dichters Dirk van Bastelaere en Erik Spinoy hebben wel affiniteit met het gedachtegoed van Faverey. Veel critici en lezers blijven steken in nostalgie naar herkenbare gedichten vol goed gekozen metaforen. Poëzie die een andere leeshouding vraagt, krijgt dan het etiket 'postmodern'. Daarmee werden de vernieuwers van de Vlaamse poëzie jaren in de kast gestopt. Ze werden zelden uitgenodigd voor literaire manifestaties. Intussen lieten de Vlaamse dichters Paul Bogaert, Peter Holvoet-Hanssen, Jan Lauwereyns en Bart Meuleman zien dat gedichten die van een groot bewustzijn van de taligheid van de ervaring getuigen, best spannend kunnen zijn. De organisatoren beseffen stilaan dat je dat soort dichters niet kunt blijven negeren. De Nachten, Behoud de Begeerte en de poëziezomer van Watou zetten de kastdeuren open. En nu staat er weer een nieuwe garde klaar. Als we het over een nieuwe generatie kunnen hebben, dan vooral omdat deze dichters de leeftijd van vijfendertig jaar nog niet overschreden hebben, onlangs gedebuteerd hebben of zelfs nog in de kleedkamer zitten, in afwachting van hun eerste confrontatie met het publiek, al hebben ze meestal hun opwachting gemaakt in de belangwekkende door Xavier Roelens en Maarten De Pourcq samengestelde bloemlezing Op het oog (P, 2005), met eenentwintig dichters onder de vijfendertig. In dat boek vallen ontdekkingen te doen, al blijven de samenstellers vaag over wat de opgenomen dichters bindt: 'Bovenal toont elke dichter het medium van het papier onder de knie te hebben en daarmee - naar ons gevoel - iets boeiends aan te vangen.' Ik schuif deze selectie naar voren omdat de elf de verworvenheden van hun voorgangers op een onbevangen manier meenemen in hun vroege poëtica. Geen romantisch geneuzel, geen sierlijke metaforen, maar onbevangenheid en durf. Dit zijn dichters die niet alleen intrigerende gedichten schrijven, maar ze ook nog eens een nieuwe gedaante weten te geven wanneer ze voorlezen. Het mag al eens meer zijn dan bevend fluisteren boven een katheder. Op die manier dragen zij niet alleen de erfenis van Dirk van Bastelaere en co., ze nemen ook die van Tom Lanoye mee. Eva Cox (1970) heeft, gezien haar leeftijd, de meeste caps behaald. Ze debuteerde in 2004 met Pritt. stift. lippe (Holland), een bundel vol ritmisch gestructureerde, soms tot poëtisch proza uitdijende gedichten, waarin lijfelijke ervaringen en donkere dromen zich als vertellingen in het hoofd van de lezer nestelen. Twee jaar geleden won ze de eerste Vlaamse Poetry Slam, een wedstrijd waarbij het publiek bij voorkeur luidkeels zijn goedkeuring of afwijzing laat blijken. Dat ze uitverkoren werd, is niet verwonderlijk, want haar gedichten zitten vol klankkleur, zodat ook de lezer zin krijgt om ze te horen: 'Flipperkast-ogen: bots blik bots blik botsss// Vuurring van mannen. / Bromtol-ballerina-meisje/ gejaagd gejaagd/ door klauwkluwens armen.' Eva Cox: 'Ik wil mijn teksten gestileerder brengen dan in een duet met triplex lezenaar. Ik kan me niet voorstellen dat ik nooit meer zou voorlezen. Niet dat ik het graag doe. Je bent afhankelijk van het geluid, van je zenuwen en het publiek. Maar als het goed gaat, adem je jouw tekst even tot leven.' Geert Buelens (1971) debuteerde in 2002 met Het is, vorig jaar gevolgd door Verzeker u (Meulenhoff/Manteau, 2005). De wil om te veranderen, om het leven in handen te nemen, wordt duidelijk in deze muzikale gedichten, terwijl het onverwachte en het pijnlijke voortdurend op de loer liggen: 'Hier wordt aan stelselmatige afbraak gedaan/ je ziet dat niet/ maar in het keldergewelf breekt zo een snaar// Alsof je straffeloos elk fundament in vraag kan stellen/ Alsof een kruisboog wordt opgehangen/ aan een kruis// Ja, dat kan.' Buelens houdt als dichter van de interactie met andere kunstvormen: 'Ze inspireren, dagen me uit, vormen achtergrond of aanleiding. Ik ben ook erg geïnteresseerd in multimediale vormen waarin poëzie een rol speelt. Sinds 1998 werk ik met verschillende muzikanten, beeldend kunstenaars, componisten en videasten aan installaties, performances en internetprojecten.' Van Peter Vermeersch (1972) verscheen nog geen bundel, maar zijn publicaties in het tijdschrift Het liegend konijn en Op het oog laten een dichter zien die een traag en daarom intrigerend ritme in zijn beeldenarsenaal weet aan te brengen. Ook bij Vermeersch wordt een harmonieuze wereld aangetast: 'Daar lag zij dan in slaap te gaan. / Van oude paniek niets meer te zien, maar/ ik was bang voor koorts misschien.' In I thought that we just left that party (Poëziecentrum, 2005) hanteert Jess De Gruyter (1973) een filmische stijl, vol grimmige humor, waarin hij de schaduwkanten van seks en liefde toont. Weg met de lieflijke poëzie vol schoonheidsidealen, want 'ik lig anderhalf jaar/ van mijn leven weg te beffen/ om haar te horen zeggen/ dat ze een nieuwe Mercedes wil.' De Gruyter heeft voor zijn debuutbundel zijn ogen en oren goed de kost gegeven. En hij geneert er zich niet voor: 'Ik ben behoorlijk gepassioneerd door film. Mijn debuutbundel staat dan ook vol met verwijzingen naar films en bevat vervormde filmcitaten. Ook uit songteksten valt er wel wat te pikken - niets zo leuk als een goede zin nog beter maken - uit strips en zelfs uit reclameslogans.' Stijn Vranken en Andy Fierens zijn de buitenbeentjes in deze selectie. Zij zijn de gevaarlijke flankspelers, omdat ze de ernst waarmee poëzie nog altijd omgeven wordt, ondermijnen, zonder dat hun act de inhoud volledig overschaduwt. Vranken (1974) laat met zijn gedichten zien dat podiumpoëzie niet de negatieve bijklank hoeft te hebben die ze bij de diehards heeft: dat zulke dichters meestal met flauwiteiten naar de aandacht hengelen van het publiek. Wat hij schrijft, is speels, eenvoudig, maar snijdt als een scheermesje: 'Geloof in de vrouw/ niet als pleister op uw eenzaamheid/ maar als de zoete wonde zelf - als kruis/- geloof in de man als nagel/ en in de hamer/ als hamer.' Met zijn kompaan Andy Fierens (1976), in zijn gedichten zo mogelijk de hardere variant van Vranken, maakt hij momenteel culturele centra en jeugdhuizen onveilig met Komen, zien en nog eens komen, een sprankelende, tegendraadse woordenshow vol snijdende humor en vals klinkende muziek. Vranken: 'Ik heb het vooral over de liefde, Andy legt zich meer toe op het onderwerp "vlees". Charcuterie, foie gras, kannibalisme en vrouwen. Mijn poëzie is donkerder. Pas op, ik ben een overtuigde optimist. Met een laag Oilily weliswaar. Mijn motto: het leven is een chaos, laten we erin dansen.' Els Moors (1976) debuteerde zopas met er hangt een hoge lucht boven ons (Nieuw Amsterdam). Schijnbaar alledaagse observaties komen in een ander licht te staan en krijgen een absurdistisch karakter. Ook haar gedichten dansen lichtvoetig in de chaos en de dreigende vernietiging: 'een vlinder blijft op een bord zitten/ waar ik bij sta/ waar ik herhaaldelijk tegen iemand aan loop// op het pad naar de serre/ staat een jongen/ met een been in een plas modder// staat hij in een kuil.' Haar gedichten zijn plaatsbepalingen, terwijl het perspectief zoek lijkt. Na tien jaar eindelijk nog eens een debuut van een vrouwelijke dichter dat er echt toe doet. Ook Jeroen Theunissen (1977) staat in dit elftal in de spits. Hij viel op met zijn debuut Thuisverlangen (Meulenhoff/Manteau, 2005), omdat hij in zijn gedichten een onbeschaamd romantische toon durft te laten doorkruisen door ongewone en onpoëtische beelden. In 'het begin van design' lezen we: 'Het raadsel wordt dagelijks opgelost/ uit chaos ontstaan wilde Zon/ niet langer zappen maar daalde af/ langs mijn luchttrap om zelfzekerder/ te verkopen en stopte de objecten samples/ van kreukels en breeklichten toe. // Dat is wat ik noem onmogelijkheid.' Vanuit die onmogelijkheid is deze bundel opgebouwd, als een overlevingspakket. De dichter roept de onzichtbare op, een overlever en redder tegelijk: 'Wanneer de onzichtbare ademt worden zijn handen/ vijgen zijn ogen olijven de angst verdwijnt hij leeft op/ de snelweg hij neemt een wegwerpfolder van ritme en/ ooit zal je bij de onzichtbare wonen. // Want hij stormt verlegt onze grenzen woorden zijn/ waardige hotmailgedachten de menigte dankt er wordt/ in duizend regels over liefde geschreven.' De vraag blijft natuurlijk of redding in een voortdurend verstoorde werkelijkheid wel mogelijk is. Theunissen: 'Mijn poëzie is een poging om in het reine te komen met "ruis" in alle mogelijke vormen. Hoe prachtig internet ook is, je kunt moeilijk beweren dat de hoeveelheid "ruis" erdoor afgenomen is.' Yves Coussement (1978) concentreert zich sinds zijn debuut Vacuüm en ozon (Meulenhoff/Manteau, 2004) vooral op zijn beeldendkunstenaarschap. En dat is niet verwonderlijk, want in zijn eerste bundel doorbrak hij het clichématige beeld van het gecentreerde gedicht op de pagina en liet hij woorden en versregels ontsnappen in een heel eigenzinnige typografie. Licht en donker, kijken en bekeken worden wisselen elkaar af in het beeldmateriaal. Het licht en het verlangen kunnen de existentiële leemte niet opvullen: 'het belang van iets wat er niet is,/ behang van een verlangen, die kamer is lekker warm. // om zo verder te gaan/ van de gang naar de keuken/ met een verwachting in de pan. // om te willen eten van diens vervulling/ als extra verhulling van vacuüm/ in de woonkamer. // tussen luxaflex en blinde muur,/ beide aan de buitenzijde. // spatbord, satelliet.' Ruth Lasters (1979) en Sis Matthé (1980) wachten nog op hun debuut, maar hun gedichten in Op het oog laten taalkunstenaars in wording zien, die van de werkelijkheid een bijzondere taalervaring durven te maken, terwijl hun gedichten een grote helderheid blijven behouden. Lasters registreert nauwkeurig, maar het eigenzinnige van haar poëzie zit in de ongewone woordcombinaties en syntactische vervormingen, zoals in deze regels: 'De onderste tree van de/ trap een spatiebalk, spring erop/ en de hall verzuimt zichzelf tot open/ vlak, dimensieloos// wordt glimlach spiertrekking van leegte. Leeman-Kuypers stemmen/ dwarrelend op visgraat van gelijk/ vloers zwart/wit/zwart nadert dag// met regelmaat van rood/wit/rood/ radijzen duizend/ in een bad en aan het oppervlak onvindbaar/ een vrouwenmond:/ was me.' De poëzie van Sis Matthé sluit nog het dichtst aan bij de poëticale erfenis van Hans Faverey en Dirk van Bastelaere: geen anekdotiek, maar verschuivingen in het denken over wat er zich in de werkelijkheid afspeelt. Glimpen van het alledaagse, met een sterk bewustzijn dat de wereld een wereld in teksten is: 'Het is er/ vreemder dan gedacht,// de waarheid lekt hier/ als zoetwaterzweet door kieren,/ geeft slechts het gegevene:// wat werkelijk/ is is er/ opvallend stil en// wat hem drijft/ is de gedrevenheid waarmee er wordt gedreven. // Vet beschreven zit het/ hem als in een tekst gegoten,// strak,/ maar de verdraaide ogen zijn alleen// een handigheid.' Van prille twintigers zou je in dit tijdperk van George Bush jr. verwachten dat ze kwaad zijn op de wereld en dat dit ook uit hun gedichten blijkt, maar ze houden zich ver van expliciete uitspraken over de maatschappij. Lasters: 'Geen enkel thema, maatschappelijk, intermenselijk of hoogstpersoonlijk, kan op zich een meerwaarde betekenen voor een gedicht. Alle thema's zijn vatbaar voor poëzie, maar ze worden het pas als ze als badzout volledig oplossen in de poëtica van de dichter.' MAARTEN DE POURCQ EN XAVIER ROELENS (ED.), 'OP HET OOG, 21 DICHTERS VOOR DE 21STE EEUW', UITGEVERIJ P, LEUVEN, 165 BLZ. 1Yves Coussement 2 Sis Matthé 3 Andy Fierens 4 Eva Cox 5 Ruth Lasters 6Els Moors 7 Geert Buelens 8 Jeroen Theunissen 9 Peter Vermeersch 10 Jess De Gruyter 11 Stijn Vranken PAUL DEMETS