De Europese top van vorige week in Brussel, die hoofdzakelijk handelde over de meerjarenbegroting voor de periode 2007-2013, is ronduit op een mislukking uitgedraaid. Zowel de Britten als de Nederlanders weigerden pertinent met de begrotingsvoorstellen in te stemmen - de Britse premier Tony Blair omdat hij niet wenste af te zien van de historische korting die Margaret Thatcher al in 1984 wist af te dwingen. De Nederlandse premier Jan Peter Balkenende omdat hij niet langer méér wil betalen aan Europa dan hij ervoor terugkrijgt. Er lijkt géén politieke wil meer om tot een Europees beleid te komen. Dat bleek al na het Franse en het Nederlandse 'nee' tegen de grondwet.
...

De Europese top van vorige week in Brussel, die hoofdzakelijk handelde over de meerjarenbegroting voor de periode 2007-2013, is ronduit op een mislukking uitgedraaid. Zowel de Britten als de Nederlanders weigerden pertinent met de begrotingsvoorstellen in te stemmen - de Britse premier Tony Blair omdat hij niet wenste af te zien van de historische korting die Margaret Thatcher al in 1984 wist af te dwingen. De Nederlandse premier Jan Peter Balkenende omdat hij niet langer méér wil betalen aan Europa dan hij ervoor terugkrijgt. Er lijkt géén politieke wil meer om tot een Europees beleid te komen. Dat bleek al na het Franse en het Nederlandse 'nee' tegen de grondwet. Wat staat de Europese staats- en regeringsleiders nu te doen, nu ook blijkt dat verschillende Europese lidstaten niet meer bereid zijn om solidair geld te investeren in de opbouw van het Europese project? We vroegen het aan de Franse econoom Jean Pisani-Ferry, directeur van de economische denktank Bruegel (Brussels European and Global Economic Laboratory), die begin dit jaar in Brussel werd opgericht onder voorzitterschap van voormalig Europees commissaris, Mario Monti. JEAN PISANI-FERRY: Door de discussie over de landbouwsubsidies weer op tafel te gooien, lijkt Tony Blair daar wel op aan te sturen, ook al speelt voor hem ook de absurde logica van de Britse korting een belangrijke rol. Hij heeft het debat geopend over de fundamentele aard van de begroting en haar bijdrage tot het Europese beleid. Het is een zeer belangrijk debat. De Europese begroting is immers lang niet meer afgestemd op de nieuwe prioriteiten die de Europese Unie heeft gesteld: economische groei, innovatie, onderzoek en ontwikkeling. Vandaag gaat het gros van het Europese budget naar het gemeenschappelijke landbouwbeleid en naar de cohesiefondsen. Het is op zijn minst opmerkelijk, maar door een akkoord te weigeren, hebben de Britten ervoor gezorgd dat het debat daarover wordt uitgediept. PISANI-FERRY: Technisch gezien is er geen haast. Politiek gezien is die er wel. Voor de nieuwe lidstaten is het bijvoorbeeld van belang dat ze hun perspectieven kennen, vandaar ook dat er gewerkt wordt met een meerjarenbegroting. De Britten hebben overigens laten uitlekken dat ze tot een akkoord willen komen tijdens hun voorzitterschap (dat gaat in op 1 juli, nvdr.). Iedereen dacht nochtans dat het debat zes maanden zou worden stilgelegd. PISANI-FERRY: De doelstelling ervan is louter structureel: ze geeft een beeld van welke de prioriteiten zijn en welke acties ondernomen kunnen worden. Bovendien vormt ze slechts een veertigste van alle overheidsfinanciën van de Europese lidstaten samen. Ze vertegenwoordigt in die zin een zéér zwak budget. Ze heeft geen enkele conjuncturele of macro-economische doelstelling. Dat blijft de rol van de nationale begrotingen. Die zijn bij ons heel belangrijk. Ze omvatten ook fondsen voor de gezondheidszorg, de pensioenen, de werkloosheidsuitkeringen. In de Amerikaanse begroting daarentegen, die overigens twintig keer omvangrijker is dan de Europese, zijn de socialezekerheidssystemen op federaal niveau ontstaan. Maar het Amerikaanse model nu nog overnemen, zou moeilijk zijn. PISANI-FERRY: Dat is de enge benadering. De ontwikkeling van de nieuwe lidstaten - dankzij de transfers uit de oude - is in het voordeel van iedereen. Anders dan wat velen denken, kunnen de nieuwe lidstaten immers ook bijdragen tot de competitiviteit van de oude lidstaten. Neem het voorbeeld van de gewraakte delokalisaties. In een ruimere context gezien kunnen ze ook een positief effect genereren. Kijk naar wat er gebeurde in de Duitse industrie. Bepaalde productiesectoren zijn gedelokaliseerd. Maar tegelijk is Duitsland na een reorganisatie in de industrie de eerste exporteur wereldwijd geworden, omdat het land zich nu meer kan toeleggen op de export en bijgevolg meer toegevoegde waarde kan uitvoeren. PISANI-FERRY: Vanuit een politieke logica geldt momenteel het principe dat elke lidstaat steun kan aanvragen voor bepaalde regio's. Dat maakt dat elkeen van de Europese voordelen geniet. Maar die logica gaat niet langer op. Het basisidee van Europa is immers groei te verwezenlijken. Vandaar dat we het beter vinden de structuurfondsen alleen aan te wenden waar ze strikt noodzakelijk zijn. En dat is niet in een land als Frankrijk. PISANI-FERRY: Ik denk dat er zich in de context van de landbouw twee problemen voordoen. Enerzijds is het moeilijk om landen te integreren met landbouwstructuren die compleet verschillend zijn van de bestaande structuren. Ik denk aan Polen. Anderzijds voltrekt zich in de landbouw een volledig nieuwe evolutie: de steun aan de productie wordt vervangen door een logica van plattelandsontwikkeling. Men gaat niet langer de prijzen ondersteunen om de productie op te voeren - dat was het oorspronkelijke idee van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van na de Tweede Wereldoorlog, waarbij de prijzenpolitiek moest zorgen voor een hogere productie, zodat we zelf in onze noden konden voorzien. Vandaag zijn we daar volledig van afgestapt. Vandaag worden dan ook vraagtekens geplaatst bij de reden om de landbouwpolitiek nog langer gemeenschappelijk en op Europees niveau te voeren. In sommige landen woedt een debat om terug te gaan naar een nationale landbouwpolitiek. PISANI-FERRY: Wat telt er? Is het de kwaliteit van het Europese onderzoek en de innovaties die het teweegbrengt? Of eerder het nationale belang van een lidstaat? De Europese fondsen moeten de beste onderzoekers ondersteunen. Het interesseert me minder te weten welke hun nationaliteit is. Als ze in een bepaald domein allemaal uit hetzelfde land afkomstig zijn, dan moet men dat aanvaarden in het voordeel van iedereen. Door geld te verdelen op nationale basis boet men in aan kwaliteit, doordat de concurrentie vermindert en men de middelen verdeelt. In Amerika vraagt men zich ook niet af of een onderzoek gedaan wordt in Californië of Massachusetts. Ingrid Van Daele