Aanvankelijk leek het gewoon een nieuwe episode in het voortdurende conflict dat hervormers en conservatieven in de Iraanse hiërarchie uitvechten. De hervormers hebben als voorman de altijd glimlachende verkozen president Mohammad Khatami. De conservatieven zijn de mollahs rond de Imam en gids, ayatollah Ali Khamenei, de opvolger van de stichter van de Islamitische Republiek, ayatollah Ruhollah Khomeini.
...

Aanvankelijk leek het gewoon een nieuwe episode in het voortdurende conflict dat hervormers en conservatieven in de Iraanse hiërarchie uitvechten. De hervormers hebben als voorman de altijd glimlachende verkozen president Mohammad Khatami. De conservatieven zijn de mollahs rond de Imam en gids, ayatollah Ali Khamenei, de opvolger van de stichter van de Islamitische Republiek, ayatollah Ruhollah Khomeini. Het meningsverschil tussen de twee strekkingen gaat ruw samengevat over de legitimatie van het gezag. Voor de Khatami-adepten kan het volk via verkiezingen een politiek mandaat en gezag geven aan een leider. Voor de conservatieven komt alle gezag van God en zijn zij daar de enige vertegenwoordigers van. Het volk mag tevreden zijn met wat het krijgt. Hoe hooggeleerd de protagonisten in dit conflict ook zijn, het gaat rechtstreeks over de macht en over de leidende status van Iran in de islamitische wereld - en het wordt uitgevochten op leven en dood. Eén van de steeds terugkerende conflictpunten is de pers, en daar begon het ook nu weer mee. Vreemd genoeg is er op dit moment een grote vrijheid van spreken in Iran. De mensen nemen geen blad voor de mond en worden daar ook niet noodzakelijk over lastig gevallen. De verrassende verkiezing van president Khatami heeft de pers doen opbloeien, en het lijkt niet meer dan normaal dat de meest gelezen titels de hervormingsgezinde kranten zijn. Die zijn dan ook het mikpunt geworden van conservatieve aanvallen: ze worden om het minste voor de rechter gedaagd, krijgen verschijningsverbod en zien hun journalisten achter de tralies belanden voor monsterlijke beschuldigingen zoals belediging van de islam, belastering van de Gids, of zelfs verspreiding van staatsgeheimen. Krant na krant wordt gesloten of weggepest, waarna prompt een nieuwe krant verschijnt, in een dure slijtageslag die niemand spaart. Zo moest het vrouwenmagazine Zan, van het roerige parlementslid Faeze Hashemi (dochter van ex-president Hashemi Rafsandjani), dat een prominente rol speelde in de vrouwenbeweginig, eerder dit jaar sluiten. In juli was het Salam, de krant die Khatami mee op het schild had gehesen, dat van een religieuze rechtbank verschijningsverbod kreeg. De conservatieve geestelijken waren duidelijk een offensief begonnen. Maar op de universiteit van Teheran, een met bomen beschaduwde campus in het midden van de stad, kwam er toen reactie van de hervormingsgezinde studenten. Op acht juli hielden ze een soort vergadering in een slaapzaal om te protesteren tegen de sluiting van Salam en tegen de nieuwe, restrictieve perswet die twee dagen daarvoor was uitgevaardigd. De studenten werden meteen aangevallen door knokploegen van de extremistische Ansar Hezbollah (In Iran meestal preuts "pressiegroepen" genoemd), die samen met de politie de campus binnenvielen. Verscheidene studenten werden doodgeslagen - één geven de autoriteiten toe, de studenten zeggen vijf of zeven - en veel anderen gewond. Dat was de vonk die Teheran in vuur en vlam zette. EEN SLAGVELD IN TEHERANDuizenden studenten reageerden woedend op de slaapzaal-overval met spontane manifestaties in de universiteit. Na een dag of twee waren er al betogingen in andere grote steden: in Mashad, Tabriz, Esfahan. Deze betogers beriepen zich op Khatami en zijn regering en eisten vrijheid voor de pers en meer democratie in het electorale systeem. De studenten zouden blijven betogen, zeiden ze, tot hun eisen waren ingewilligd. Dat klinkt fors, en drie jaar geleden zou het ondenkbaar zijn geweest. Maar in het huidige Iraanse klimaat zouden dat perfect redelijke eisen moeten zijn. Over wat in de dagen daarna gebeurd is, blijft de discussie open. Ayatollah Khamenei probeerde de studenten te sussen door ze "kindertjes" te noemen (de helft van de Iraanse bevolking of méér zijn zulke kindertjes) en de aanval op de slaapzalen te veroordelen. President Khatami deed een oproep tot rust en kalmte en sprak zijn medeleven uit voor de families van de doden. Maar daar bleef het ook wel bij. Dinsdag 13 juli sloeg de stemming om toen een groep studenten, boos over het uitblijven van een officiële respons, probeerde het ministerie van Binnenlandse Zaken te bestormen. Dat moet de politie controleren, maar het is de vraag of het dat ook doet. In januari nog moest het ministerie van de inlichtingendiensten toegeven dat de decembermoorden op dissidente schrijvers en oppositie-activisten het werk waren van zijn eigen "onverantwoordelijke" agenten. De groep studenten groeide vervolgens aan met andere jongeren en toen werd het centrum van Teheran enkele uren lang in een slagveld herschapen. Politie en "basiji", dat is de militie van islamitische vrijwilligers, gingen de studenten te lijf in regelrechte straatgevechten. Veel studenten werden gearresteerd. Milities bleven de stad terroriseren nog lang nadat de laatste protesthaarden uitgedoofd waren. Toen besloot de opgeschrikte overheid het heft weer in handen te nemen. President Khatami verklaarde dat men een onderscheid moest maken tussen echte hervormers en deze afwijkende, gewelddadige beweging. Het moest dan ook afgelopen zijn met manifestaties die de openbare orde en de veiligheid van de staat in gevaar brachten. Wie toch bleef betogen, zei Khatami, riskeerde zeer streng behandeld te worden door de wet. In de progressieve pers luidde het dat de gewelddadige manifestaties het werk waren van een kleine minderheid onder de studenten, die geen steun had bij de bevolking. Om de boodschap kracht bij te zetten werd de volgende dag, woensdag, een grote "Eenheidsbetoging" georganiseerd om steun te betuigen aan ayatollah Khamenei. Tienduizenden manifestanten werden met bussen uit het hele land naar Teheran gebracht. Weer was het van "Dood aan Amerika" en "Leve Imam Khamenei", en dat alles werd rechtstreeks integraal door de tv uitgezonden, en de belhamels van de vorige dagen werd de doodstraf beloofd. Daarna werd het stil in Teheran en kwam het leven van alle dag weer op gang. Was dit dan het einde van "de tweede Iraanse revolutie", zoals westerse kranten het hadden genoemd?EEN VALSTRIK VOOR DE PRESIDENTHet hangt er natuurlijk een beetje van af hoe men de dubbelzinnige houding van president Khatami inschat. Moet men geloven dat hij nog met een hervormingsprogramma bezig is? Of heeft hij zijn jonge aanhangers opgeofferd voor het comfort van de macht in de schaduw van Khamenei? Nauwe medewerkers als Morteza Alviri, de burgemeester van Teheran, zweren dat alles goed gaat en hebben het over investeringswetten en de opening van het land voor buitenlandse bedrijven. Een open economie zal in hun ogen ook tot een open maatschappij leiden. Maar het is uiterst moeilijk te weten wat Iraanse politici precies bedoelen wanneer ze over hervormingen spreken. Het is ook belangrijk in te zien dat men niet heel zeker weet wat er die week in juli in Teheran precies is gebeurd. Is het waar, wat oppositiebronnen beweren, dat het geweld afkomstig was van provocateurs en geïnfiltreerde hezbollah? Het zou de eerste keer niet zijn dat zoiets gebeurt. Was het de bedoeling het studentenprotest om te buigen tot een gewelddadige confrontatie tussen het regime en jongeren die het wilden omverwerpen? Dan zou de conservatieve vleugel makkelijk een wettig motief gevonden hebben om de "Revolutionaire Wachten" - de fameuze pasdaran - eropaf te sturen en meteen de hele reformistische vleugel monddood te maken. Volgt men deze visie, dan is Khatami er misschien in geslaagd een levensgrote valstrik te ontwijken en heeft hij de reformisten respijt gegeven. In het begin van dit jaar waren er gemeenteraadsverkiezingen in Iran die op een overweldigende manier door de reformisten zijn gewonnen. Daardoor werd het relatieve gewicht van president Khatami, dat een beetje aangevreten was door zijn ogenschijnlijke machteloosheid, behoorlijk opgewaardeerd. Maar sindsdien moeten de conservatieven ingezien hebben dat de tijd in hun nadeel werkt: volgend jaar in februari zijn er parlementsverkiezingen gepland en het laat zich aanzien dat de conservatieven die zullen verliezen. Dat zou het begin van het einde kunnen betekenen voor hun absolute machtspositie. Op die manier speelt dit respijt in het voordeel van de reformisten, als ze de mollahs kunnen beletten alle hervormingskandidaten uit de verkiezingslijsten te wieden. Intussen wijzen alle berichten erop dat het reformisme steeds meer veld wint en dat de conservatieve geestelijken daar steeds gecrispeerder op reageren. De geest is uit de fles, hoort men wel, en de Iraanse bevolking is haar religieuze dictatuur beu - wat niet wil zeggen dat ze het regime van de islamitische republiek zou willen omverwerpen. Ze wil dat regime omvormen, democratiseren, moderniseren, met minder preutsheid, minder betutteling, minder ouderwetse puriteins revolutionaire retoriek van twintig jaar geleden. En ze wil een eind maken aan de economische crisis die steeds bredere lagen van de bevolking treft. Daarvoor doet ze een beroep op de regering, in plaats van het regime ter discussie te stellen. Dus als de hervormingen uitblijven, dan zal de crisis wel voor nieuwe opstanden zorgen: er zal altijd wat bewegen in het ongeduldig geworden Iran, maar niemand kan voorspellen in welke richting het uiteindelijk zal gaan.WACHTEN OP SOLO-ZANGERESSENVolgens een bericht uit Caïro dat vorige week de westerse kranten haalde, zou Iran bezig zijn met manoeuvres om tot een officiële dialoog met Israël te komen, en zo terug te grijpen naar de situatie van voor de revolutie, toen Iran praktisch alle petroleum voor Israël leverde. In een nu snel veranderend evenwicht in het Midden-Oosten, zou zo'n 180-graden-bocht (in de betogingen roept de slogan "Dood aan Amerika" nog altijd als een echo de tegenhanger "Dood aan Israël" op) het landschap zelfs in de islamitische wereld sterk wijzigen. Voor Iran zou het een ideologische aardverschuiving zijn. Dus kan men de vraag stellen: is ook dit een provocatie, om een woedende reactie van het conservatieve establishment uit te lokken? Of is het een bewuste politieke keuze en achten de makers van dat beleid zich sterk genoeg om ze, tegen de ayatollahs van Qom in, ook waar te maken? Men weet het niet. De helft van de Iraniërs weet het ook niet, en het Amerikaanse State Department weet het niet. Dat liet zich tijdens de woelige julidagen ontvallen dat het zich van elke commentaar zou onthouden, omdat alles wat uit Amerika kwam stellig tegen de reformisten gebruikt zou worden. Zover zijn we: vorige week heeft het Iraanse ministerie van Cultuur het verbod op de invoer, het bezit en het gebruik van westerse instrumenten en het produceren van westerse muziek opgeheven. Maar op solozangeressen zal het nog wel een tijdje wachten zijn. Sus van Elzen