De orangerie van een poepsjiek hotel in Westerlo. Vanuit hun gouden lijsten houden voorvaderlijke ijzervreters de gasten streng in de gaten. Sinterklaasliedjes en een kunstig besneeuwde kerstboom. Wat kan een Mens van het Jaar hier verloren hebben? Een vreemdeling, die verdwaald is zeker?
...

De orangerie van een poepsjiek hotel in Westerlo. Vanuit hun gouden lijsten houden voorvaderlijke ijzervreters de gasten streng in de gaten. Sinterklaasliedjes en een kunstig besneeuwde kerstboom. Wat kan een Mens van het Jaar hier verloren hebben? Een vreemdeling, die verdwaald is zeker? "Herr Decleir, wie geht es?"Hij kijkt betrapt. Afspraak glad vergeten. "Gut, danke."In de nabijgelegen abdij van Tongerlo volgt Decleir een stoomcursus Duits. In januari beginnen de repetities voor "Zum Krieg!", de Duitse versie van de door Tom Lanoye en Luk Perceval bewerkte koningsdrama's van William Shakespeare, waarin Decleir wederom de rol van Risjaar Modderfokker den Derde zal spelen. De toneelmarathon gaat in première in Hamburg en wordt door Gerard Mortier ook in Salzburg geprogrammeerd. Het loopt Decleir nu al dun door de broek, moet hij bekennen. "Ik realiseer me pas sinds vandaag hoe verschrikkelijk moeilijk dat wordt. De Duitsers wilden graag een link met het oorspronkelijke stuk en de plek waar het gecreëerd is, en daarom hadden ze behalve Luk Perceval voor de regie ook Wim Opbrouck en mij gevraagd. Wim is natuurlijk veel verstandiger dan ik, maar ik heb in een vlaag van overmoed ja gezegd. Daar krijg ik misschien nog wel spijt van. 't Zal wel grappig zijn: een verweesde Vlaming die in een Duits stuk een potje Amerikaans moet brabbelen. Ik ben nooit echt een talenwonder geweest - 't zal mij benieuwen hoe ik dat allemaal over mijn lippen krijg." Druk, druk, druk. Tegelijkertijd wordt in Antwerpen het oorspronkelijke "Ten Oorlog!" hernomen en gaat hij met Jan Fabre repeteren voor diens nieuwste stuk "Het nut van de nacht". "Die tekst moet ik nog zien. Ik zal maar hopen dat hij niet in het Hebreeuws is of zo. Ik ga zelden naar het theater - eigenlijk alleen om mijn vrienden aan het werk te zien, uit eerlijke schaamte. Het toneelwerk van Fabre ken ik niet, maar ik ontmoet hem wel eens in het café en ik ben zeer door hem geïntrigeerd geraakt. Ik had het gevoel dat ik die man beter wilde leren kennen, en dat is de beste manier natuurlijk om samen iets te doén. Mislukt het, dan mislukt het. Ik zal me zo dienstbaar mogelijk opstellen, en dus ben ik alvast aan het trainen in nederigheid. Met Luk (Perceval) kan ik al eens in de clinch gaan, omdat we elkaar al zo lang kennen en er een wederzijds vertrouwen is. Maar Fabre en ik zullen heel voorzichtig naar elkaar toe moeten sluipen."ALLES KAN BETERHij heeft de reputatie een nachtraaf te zijn en heeft daar met Fabre uren over gepraat. Die gesprekken moeten in het stuk verwerkt worden. "Ik hoop dat hij er iets mee kan. De nacht heeft voor mij toch met roes te maken. Het verderf, het gevaar, het onbekende. Vergankelijkheid. Allemaal dingen waar ik niet vies van ben, maar die toch niet meteen het meest positieve in de mens naar boven halen. Het licht is van God, en de nacht is van de duivel - maar daarom niet minder fascinerend." De voorbije maanden was hij in Namibië, waar hij met de Russische regisseur Sergej Bodrov (van onder meer "Prisoners of the mountain", over de oorlog in Tsjetsjenië) de film "Hoofbeats" draaide. Het is hem niet in de koude kleren gaan zitten. "Ik ben nogal snel ontheemd. Ik kan van die verschrikkelijke depressies hebben, waarvan ik denk: hier is geen mens tegen bestand, laat het in godsnaam afgelopen zijn, waar is dat touw? Maar gelukkig blijk ik altijd omringd te zijn door vrolijke mensen, die mij er weer doorheen slepen. In Namibië had ik al snel drie onvoorstelbaar mooie, zwarte vriendinnen, die mij op het juiste moment bij mijn kladden grepen. Want het was niet gering hoor: ik slaag er altijd in als een slecht regisseur alles zo te orkestreren dat het niet erger kan. De deuren wagenwijd openzetten, aan de ene kant die gigantische duinen van de Namibische woestijn, aan de andere kant de oceaan, een fles whisky binnen handbereik, Jacques Brel op de cd-speler, godbetert, en dan maar zwelgen in eenzaamheid. Janken op het balkon. Maar ik ben in Namibië ook weer gaan schilderen - voor het eerst sinds jaren." In Namibië heeft hij nog een paar keer de cassette van "Karakter" opnieuw bekeken, de met een oscar bekroonde film waaraan hij, mogen we aannemen, zijn verkiezing tot Mens van het Jaar te danken heeft. Dat viel niet mee. "Hoe vaker je zo'n film terugziet, hoe meer je op allerlei foutjes gaat letten. Less is more - die kreet zou iedere acteur boven zijn bed moeten hangen. Het kan altijd minder, het kan altijd beter. Ik heb toch mijn bedenkingen bij mijn eigen prestatie in "Karakter". Met het beeld kan ik me nog wel verzoenen, maar niet met het geluid. De stem klopt niet. Te soft, te onbestemd, te braaf. Dat zijn dingen waar ik toch beter op wil letten, later, als ik groot ben." De rol van de hardvochtige deurwaarder Dreverhaven, die zijn bastaardzoon het bloed van onder de nagels treitert, was behoorlijk moeilijk, vindt hij achteraf. "Ik heb daar met regisseur Mike van Diemen uitvoerig over geconfereerd. De vraagstelling was niet simpel: je moest Dreverhaven in de film meer voelen dan zien. Hij mocht niet meer zijn dan een soort schaduw. Tot op zekere hoogte is dat ook wel gelukt. Maar niet helemaal." EEN GROOT KLEIN KINDDe laatste jaren grossiert hij in notoire slechteriken: Dreverhaven, Richard III, de massamoordenaar Gilles de Raïs (in het gelijknamige stuk van Hugo Claus). Hoe kruip je in de huid van zo'n personage? "Niét. Dat moet je ook niet willen. De zielsdoktoren zouden het je waarschijnlijk afraden. Mijn grote leermeester Herman Teirlinck zei al dat je als acteur alles in jezelf moet zoeken. We zijn allemaal mensen, en er is eigenlijk meer dat ons bindt dan wat ons scheidt. Als je je eigen ziel aftast, zul je merken dat het potentieel allemaal aanwezig is: zowel de liefhebbende echtgenoot als Marc Dutroux - waarmee ik overigens niet wil zeggen dat Dutroux geen liefhebbende echtgenoot kan zijn. Was Hitler de baarlijke duivel? Ik weet dat nog niet eens zo zeker. Een godsdienst die ervan uitgaat dat de mens goed is omdat hij geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis is gevaarlijk. Je moet er toch niet aan denken. Als dat waar zou zijn, kan ik me bij die God wel iets voorstellen." Dreverhaven is méér dan de incarnatie van het Kwaad, vindt hij. "Als acteur ben je geen verklarend woordenboek. Je moet een rol nooit op een dusdanige manier vertolken dat elk mysterie eruit verdwenen is. Eén plus één hoeft niet altijd twee te zijn. Dit gezegd zijnde: als een film af is, mag iedereen er zijn gang mee gaan en er zijn eigen interpretatie aan geven. Zelf geloof ik niet dat Dreverhaven alleen maar een schoft is. Voor mij is "Karakter" uiteindelijk een love affair tussen drie mensen, die er - om redenen die niet altijd verklaard moeten worden - op een of andere manier niet in slagen hun gevoelens tot uitdrukking te brengen. Ze kiezen daar in ieder geval wel een heel bizarre vorm voor. De vechtpartij tussen Dreverhaven en zijn zoon Katadreuffe heeft veel weg van een omgekeerde vrijscène - of hoe moet je dat zeggen? Het gaat natuurlijk in laatste instantie om wat mijn lieve vriend Hugo Claus zou noemen: dat vervelende gejengel om liefde. Die walgelijke behoefte om bemind te worden. In Nederland zeggen ze graag dat "Karakter" een typisch calvinistische film is. Daar ben ik het niet mee eens. Het is ook voor Vlamingen allemaal zeer herkenbaar. Zelf ben ik ook een van die mensen die het lastig heeft om te zeggen: ik zie je graag." Hij formuleert aarzelend, bijna stotterend. Lange stiltes. Zelfkennis is niet zijn fort, zegt hij. "Soms hoop ik dat ik door te acteren een beter inzicht krijg in dat grote kleine kind dat ik ben. Kijk, ik wórd natuurlijk wel ouder, maar behalve doordat ik moeite krijg om mijn zoontje van acht bij te benen als we bergen beklimmen, merk ik daar weinig van. De camera, dat leugenachtige, eenogige ding, zal wel iets anders registreren, maar ik wil het niet weten. Ach, misschien ben ik toch wel iets deemoediger geworden. Vroeger had ik een beeld van mezelf waaraan ik per se wilde beantwoorden. Tegenwoordig heb ik daar wat minder last van." ZANDBAK IN BRASSCHAATDrie nominaties voor een oscar - met "Daens", "Antonia" en "Karakter" -, had hem dat niet al lang een carrière in Hollywood moeten opleveren, zoals zijn Nederlandse collega's Rutger Hauer en Jeroen Krabbé? "Ik heb de grootste bewondering voor dat soort mensen, maar zo zit ik niet in elkaar. Ik ben toch altijd dat manneke gebleven dat niet weg wil uit zijn zandbak in Brasschaat. Tot voor kort was ik nooit verder geweest dan Italië, omdat Dario Fo daar woonde, en Frankrijk, omdat je daar nu eenmaal langs moet als je naar Italië reist." Omzien in verwondering. "Ik heb het geluk gehad twee fantastische leermeesters tegen het lijf te lopen: Hugo Claus en de assistent van Fo, Arturo Corso. De wonderbaarlijke élégance van Claus, en de houterigheid, het geklungel, het gestotter van Corso - dat zijn de twee polen waartussen ik mij beweeg. Ik ben altijd een verwend zondagskind geweest, ik mag niet ontevreden zijn over mijn carrière, maar misschien had er nog veel meer in gezeten. Achteraf denk ik dat ik te lang bij de Internationale Nieuwe Scène ben blijven hangen en dat ik eerder had moeten stoppen met die solovoorstellingen van "Obscene fabels" en "De tijger". Het is mij allemaal komen aanwaaien, en dan word je lui natuurlijk. Veel te veel tijd verlummeld in de kroeg, in plaats van behoorlijk Engels te leren. Ik kreeg ooit een aanbieding van Peter Greenaway - toch niet de geringste filmregisseur - en die heb ik moeten laten lopen. Hij had mij het scenario toegestuurd, maar ik wist gewoon - het was een rol met veel tekst - dat ik het nooit zou redden. Kun je je dat voorstellen? Het is toch niet te geloven dat zo'n man me belt, en dat ik dan de gigantische klootzak ben die niet over de kunde beschikt om zo'n kans aan te grijpen. God, wat zit ik hier te biechten. En het ergste is: jij kunt mij niet eens de absolutie geven." Herr Decleir, wir danken Ihnen für dieses Gespräch. Piet Piryns