Aan het hoofd van het Koninklijk Concertgebouworkest in Amsterdam, het beste orkest ter wereld, staat een Belg: Jan Raes, broer van sportjournalist Frank Raes en binnenkort baron. Een gesprek over het recht op zingen, het nut van nieuwe straaljagers, en de plannen van de nieuwe minister van Cultuur. ‘Soms mag je geen compromissen sluiten.’

Een ochtend in april. In een dakappartement in Amsterdam-Zuid rinkelt de telefoon. Jan Raes zit nog in pyjama wanneer hij opneemt. De nacht voordien is hij laat thuisgekomen van een buitenlandse rondreis met het Koninklijk Concertgebouworkest, behalve wakker worden en de krant lezen heeft hij het eerstkomende uur geen plannen. ‘Goedemorgen,’ zegt de stem, ‘mag ik u feliciteren?’ Dat de koning hem de titel van baron verleent, en dat de persmededeling binnenkort vertrekt. Raes bedankt de stem, hangt op, werpt fronsend een blik op de kranten. Wat was hij nu precies geworden? Enkele dagen later belt hij terug. ‘Heb ik u wel goed begrepen?’

In het rijtje van mensen die afgelopen jaar te horen kregen dat koning Filip hen tot de adelstand zou verheffen, raakte de naam van Jan Raes een beetje ondergesneeuwd in het rumoer rond de omstreden zakenman George Forrest, die grootofficier in de kroonorde wordt. Ook bekendere namen als vrouwenrechtenactiviste Jennie Vanlerberghe, kinderpsychiater Peter Adriaenssens en geneticus Jean-Jacques Cassiman haalden de kranten. Maar de directeur van het Koninklijk Concertgebouworkest in Amsterdam?

‘Ook voor mij was het nieuws een grote verrassing’, zegt Jan Raes. De broer van sportjournalist Frank Raes is vereerd met zijn toekomstige titel. ‘De precieze motivatie ken ik nog niet. Ik heb in mijn leven al verschillende dingen gedaan, maar het is aan anderen om te zeggen wat daar goed aan is. Al is het natuurlijk zo dat een Belg die iets heeft bereikt in het buitenland trots creëert.’

U woont goeddeels in Nederland en vertoeft vaak in het buitenland. Kan de Belgische politiek u nog boeien?

JANRAES: Jazeker. Ik hou van België en van Europa. En ik ben anti-Vlaams-nationalist, ook daarom ben ik blij met mijn adellijke titel. Kijk, ons orkest telt 25 verschillende nationaliteiten, we reizen erg veel. Ik word voortdurend geconfronteerd met andere culturen. Ik zie hoe diversiteit de rijkdom van Europa is, niet de bedreiging ervan. Dat debat over Vlaamse eigenheid is zo achterhaald, de maatschappij is al lang hybride. Gebruik dat dan toch in je voordeel. Kunst en cultuur, en dan vooral muziek, kunnen daar een hefboom zijn.

Hoe schat u Sven Gatz (Open VLD), de nieuwe Vlaamse minister van Cultuur, in?

RAES: Hij houdt blijkbaar van cultuur en kunst, hij volgt de scene in Brussel, dat pleit voor hem. De kans dat hij een sterker beleid voert dan Joke Schauvliege (CD&V) is reëel. Maar hij stelt zich bescheiden op. Meer ambitie zou nochtans goed zijn: waar wil hij naartoe met de Vlaamse kunst en cultuur, die toch ook in het buitenland ergens voor staan?

Gatz zou voor cultuur kunnen betekenen wat Patrick Dewael (Open VLD) in de jaren tachtig heeft betekend. Die heeft eerst een paar maanden nagedacht, ontwikkelde een consistent beleid met de nadruk op creatie en kwaliteit, en voerde het uit. Je kon voor zijn of tegen, maar hij deed het tenminste. Er zou een lijn voor de komende acht of twaalf jaar uitgestippeld moeten worden. Anders zijn we na twee jaar weer pre-electoraal bezig.

En ik hoop dat de minister tijdens zijn studieperiode zijn oor te luisteren zal leggen in de sector. Dat hij aan tafel gaat zitten met iemand als Philippe Herreweghe (muziekdirecteur bij deFilharmonie, nvdr.) en hem vraagt hoe het muzieklandschap er over vijftien jaar kan uitzien.

Hebt u nog advies voor de minister?

RAES: (op dreef)Ontwikkel een beleid voor de ensembles, zoals kamerorkesten en hedendaagse muziekensembles. Zorg ervoor dat de grote instituten volop worden gebruikt door half gebruikte zalen en tijdelijke projecten in elkaar te schuiven. En dat hij ook media in zijn portefeuille heeft, vind ik positief. Zo kan hij de beheersovereenkomsten overeenstemmen met de VRT. Kunst en cultuur zijn alleen maar gebaat bij een goede samenwerking met de media. Het zou mooi zijn als de VRT ophoudt met achter de kijkcijfers aan te hollen. Oké, er zal bespaard moeten worden, maar dat men dan op z’n minst kiest voor een eigen pad dat alleen de overheid kan invullen. En creëer een fiscaal aantrekkelijke omgeving voor sponsors. Als je die zaken niet via beheersovereenkomsten en een aangepaste wetgeving aan elkaar koppelt, kun je nooit goede resultaten boeken. En toch is dat nodig, want er is geen enkele beschaving waar cultuur en kunst geen rol heeft gespeeld, en zonder beschaving geen bloeiende economie.

Als overheidsgeld voor de culturele sector bedoeld is, noemt men het ‘subsidies’, maar als het voor defensie is zijn het ‘uitgaven’ of ‘investeringen’, zei u ooit. Verwacht men in het geval van investeringen niet eerder meetbare resultaten?

RAES: Kunt u me vertellen wat meetbaar is aan de resultaten van defensie? (lacht) Als je als overheid in kunst en cultuur investeert, doe je dat omdat je gelooft dat het waarde heeft. Niet alles van waarde is meetbaar. Toch geloof ik in meetbare langetermijneffecten van kunst en cultuur. Alleen: hoe kun je die effecten meten als men er niet van jongs af aan mee begint? Mijn drie dochters, van wie één nog in de kleuterklas zit en één net de lagere school heeft afgemaakt, hebben nog zelden of nooit gezongen op school. Alle lof voor hun juffen en de school, maar je merkt dat muziek in de lerarenopleiding niet belangrijk is.

Stel je het omgekeerde voor: dat ze in de kleuterklas twee of drie keer per week muziek zouden maken, en dat blijven doen tot aan de hogeschool. Dan heb je over vijftien jaar een generatie die opnieuw meerstemmig kan luisteren. Het hoeven uiteraard niet allemaal muzikanten te worden. Maar als het deel uitmaakt van hun humane vorming, hebben ze tenminste een breder en niet louter cognitief referentiekader. Bovendien geloof ik in samenspel, in samen zingen en samen musiceren.

Wat is daar precies zo goed aan?

RAES: Samenspel verrijkt. Het leert je luisteren naar de ander. In deze desintegrerende tijden is het belangrijk dat men leert omgaan met verschillen. Empathie is de stap naar meer wijsheid in het leven.

Kinderen vinden muziek maken prettig, en het is ook nog eens goed voor de ontwikkeling van de fijne motoriek. Net als het leren van een tweede of derde taal heeft muziek maken een positieve invloed op leren. Muziek is niet talig, wat maakt dat je de taalbarrière in gemixte groepen overbrugt. In Venezuela en Brazilië heb ik muzikale projecten voor straatkinderen bezocht, muziekscholen waar ze na school dagelijks muziek maken in plaats van op straat rond te hangen. Het feit dat ze iets kunnen, creëert waardigheid en zelfrespect. Dat blijkt uit grondig onderzoek in die landen.

Terwijl muziek nu vaak iets is voor kinderen die het geluk hebben dat hun ouders er belang aan hechten, pleit ik dat muziek een recht is voor alle kinderen. Wat nu op muziekscholen gebeurt, zou zijn plaats binnen de klas moeten krijgen. Schuif het deeltijds kunstonderwijs in het dagonderwijs. Dan geef je alle kinderen een kans om luistervaardigheid te ontwikkelen.

Het vooroordeel blijft bestaan dat klassieke muziek moeilijk is, en elitair.

RAES: Maar datis toch van een ongeziene middelmatigheid? De muziek van Bach, Mozart, Beethoven en Mahler is niet elitair. Dat is de vrucht van een tijd en van grote geesten die er altijd zijn geweest.

Ik had het geluk Wagner voor het eerst te horen toen ik dertien was. Toen begreep ik er niets van. Decoderen moet je leren. Wie geïnitieerd wordt door ouders of goede leraars kan daar een leven lang van genieten, want je ontdekt altijd weer nieuwe lagen. Je kunt niet genieten van Bach als je dat nog nooit hebt gehoord, net zomin als je iets van een Chinese opera of een Russische roman begrijpt als je de taal niet meester bent.

Klassieke muziek is een onophoudelijke weg, verwar het alsjeblieft niet met behaagziek entertainment. Cultuurbeleid moet uitgaan van onderwijs en volksontwikkeling, om een oud woord te gebruiken. Desnoods verzinnen ze maar een ander woord, maar alleen als je op lange termijn durft te investeren in de volgende generaties, beteken je nog iets als regio.

Is muziek een duurzamer bindmiddel voor sociale cohesie dan pakweg voetbal?

RAES: Het is fantastisch om te zien wat muziek met een zaal vol mensen doet. Er zijn niet zoveel plaatsen waar tweeduizend mensen samen stil zijn. Bovendien kost het de gemeenschap geen politiebeveiliging zoals bij voetbal. Pas op, ik hou van voetbal, het is een leuk spel en het is ook een vorm van samenspel. Maar de waarde van muziek zit in de gelaagdheid ervan. Kunst is dubbelzinnig, ambigu. We spelen Stravinsky en Beethoven niet om een gemeenschap of sociale cohesie op te bouwen, dat is eerder het gevolg ervan. In de eerste plaats spelen we omdat we ervan houden en steeds meer lagen willen ontdekken.

Trouwens, als iets goed is, is het dan belangrijk of er twee dan wel tweeduizend mensen naar luisteren? Twee is voor mij ook oké. Moet een zaal altijd vol zitten? Is iets wat succes heeft altijd goed? Night of the Proms heeft ook in Amerika gespeeld, maar wat zegt dat over de kwaliteit van de muziek? Verwar die dingen niet met wat wij doen, wij hebben andere doelstellingen. In het geval van de Proms is dat in de eerste plaats geld verdienen. Maar als alles vermarkt wordt, wordt inhoud een alibi. Uiteraard ben ik ook blij als duizend mensen naar het Concertgebouw komen om naar een dirigent als Ivan Fischer te luisteren. Maar we zullen het ook blijven programmeren als er eens wat minder volk komt. Is dat erg? Nee. Mag iets excelleren? Ja. Mag iets moeilijk zijn? Ja.

Vorig jaar schreef u met Xavier Bekaert het boek Toonaangevend over creatief management, gebaseerd op uw ervaring als orkestmanager. Wat kunnen we uit uw sector leren?

RAES: Om het met een cliché te zeggen: elke tijd en elke context hebben hun leiderschap nodig. Dit is het derde grote orkest dat ik leid. Bij de Filharmonie van Vlaanderen was ik crisismanager. In Rotterdam was er een polariserend conflict tussen chef-dirigent Valery Gergiev en mijn voorganger. In Amsterdam is het orkest stabiel, maar was en is de omgeving in crisis. Ik ben dus al drie verschillende soorten leiders geweest. Je moet als leider niet uitgaan van je eigen methodiek, maar kijken welke methodiek er nodig is.

Het samenwerkingsmodel van het Concertgebouworkest is uniek omdat er veel medezeggenschap is ingebouwd. Er zitten zelfs orkestleden in de raad van bestuur. Al decennialang wegen zij mee op het beleid. Niet toevallig hebben ook andere toporkesten een soortgelijke structuur, waarbij de kunstenaars een rol hebben in het beleid van het orkest. Musici zijn kunstenaars, geen ambtenaren. Door hen op hun kunstenaarschap aan te spreken en hen erbij te betrekken, komt er meer betrokkenheid en creativiteit los. Dat vraagt een specifiek soort leiderschap. Top-down werkt niet bij die mensen.

U vertrekt vanuit de mensen?

RAES: Ik luister naar hen. Ik heb wekelijks een informeel gesprek met een orkest- en een staflid. Tijdens een gesprek zonder agenda ontdek je briljante ideeën, en niet alleen bij de tafelspringers. Ook de timide mensen krijgen op die manier een kans om hun mening te geven. Uiteraard voeg je daar je eigen visie aan toe, maar je bouwt het beleid wel samen op. Op die manier creëer je een wij-gevoel. Voor een collectief is dat belangrijk: een orkest is meer dan 120 solisten. In een goed orkest luistert iedereen op het podium voortdurend 360 graden naar elkaar.

Leiderschap is niet alleen prachtige stukken kiezen en composities uitbesteden. Het is ook knopen kunnen doorhakken, politiek beïnvloeden en geld vinden. Maar voor de medewerkers is het belangrijk om te weten dat we een inhoudelijke droom nastreven en daar geld voor zoeken in plaats van omgekeerd.

Bij het Concertgebouworkest is gemiddeld 95 procent van de stoelen verkocht. Maar andere ensembles hebben het veel moeilijker. Niet-commerciële klassieke muziek staat onder druk.

RAES: Er zijn al wat orkesten gesneuveld in Europa. De vraag is of dat zo erg is. In Europa kun je geen 600 provincieorkesten en een paar honderd operagebouwen rechthouden. Uiteraard is dat erfgoed van onschatbare waarde. Maar erfgoed betekent niet dat je statisch moet denken. Kijk naar wat de Vlaamse Opera en de Munt met zeer weinig middelen genereren, dat zijn geen in slaap gevallen huizen.

Een orkest vraagt middelen. Zijn er genoeg middelen? Nee. Dan kun je beter twee goede orkesten hebben dan drie middelmatige. Voor die keuze staat men nu. Kiest men ervoor te blijven aanmodderen, of voor het feit dat we in 2040 met Vlaanderen iets willen betekenen in Europa? Koester dan de iconen die je hebt. Koester Philippe Herreweghe, Jos Van Immerzeel, Paul Van Nevel.

Moeten orkesten ook niet zelf evolueren?

RAES: Je kunt andere formats bedenken, maar daarom hoef je het hele orkestmodel nog niet weg te kieperen. Van de 42 innovaties van ons vorige actieplan hebben we er 38 uitgevoerd. We hebben als eerste orkest ooit een wereldtournee gemaakt, we spelen middernachtconcerten, we hebben ons eigen digitale magazine… En we hebben in overleg ook het arbeidsreglement herschreven. Een toporkest is een polyglot orkest dat snel van taal verandert. Om de week speelt het onder leiding van een andere dirigent. Dat vraagt soepelheid. Als een dirigent een halfuur langer wil repeteren, dan moet dat kunnen. Middelmatige orkesten zullen het in de toekomst moeilijk hebben als men vasthoudt aan rechten als vaste repetitietijden.

U hebt meer dan eens uw zekerheden opgezegd om nieuwe uitdagingen aan te gaan.

RAES: Het zal wel aan de paplepel liggen, ik kom uit een interdisciplinaire familie. We woonden allemaal samen op een groot domein. Ik had ambachtelijke ooms. De ene stond mee aan de basis van de Steinerscholen, de andere was een violist die na de Tweede Wereldoorlog twee jeugdmuziekscholen heeft opgericht en daar een eigen muziekpedagogie voor ontwikkelde. In plaats van de hiërarchische solfègedidactiek – eerst noten leren, dan een instrument leren bespelen – werkte hij volgens een Duitse pedagogie waarbij kinderen spelenderwijs en op het gehoor leren en musiceren. Die oom bouwde ook zijn eigen violen en zijn eigen zeilboot. Ik hou van ambachtelijkheid, van mensen die iets kunnen.

Ik heb altijd geprobeerd om mijn horizon te verbreden. Zo heb ik ook eens een jaar moraalwetenschappen gestudeerd aan de Gentse universiteit, op aanraden van Jaap Kruithof – ik speelde kamermuziek met zijn zoon. Dat heeft mijn denken voor een groot deel gevormd.

In welke zin?

RAES: Ik zat aan het conservatorium in Antwerpen, maar een mens kan geen tien uur per dag fluitspelen. Ik verveelde me. Mijn toenmalige vriendin studeerde musicologie in Gent, en ik wilde bij haar zijn en tegelijk iets bijstuderen. Ik was 21, het was zomer en met onze vriendinnen trokken we drie weken naar Italië. We reisden naar Siena en Firenze, repeteerden op de trein, speelden muziek op straat en betaalden onze reis met wat we verdienden. Overdag gingen we naar musea. Die zomer besliste ik om tegen de zin van mijn ouders in moraalwetenschappen te gaan studeren in Gent.

Kruithof was een fantastische docent, honderden mensen kwamen naar zijn lessen. Ik kreeg andere literatuur in handen, werken over ethica en filosofie. Ik leerde andere mensen kennen, die veel literairder bezig waren, zoals Tom Lanoye. Ik heb nog zijn eerste gekopieerde dichtbundels. Met hem ontdekte ik het Gentse nachtleven. Om drie uur ’s nachts speelde ik op een van zijn performances, de volgende ochtend om negen uur moest ik examen fluit afleggen. Ik had nog nooit zo goed gespeeld. Ik studeerde minder, maar ik legde betere examens af.

Moraal van het verhaal?

RAES: Ik heb in die periode geleerd om te focussen en mijn tijd beter te gebruiken. Maar vooral ben ik meer beginnen na te denken. Als je als speler niet oplet, doe je alleen maar dat: spelen. Je voert uit wat in de partituur staat. In die periode ben ik ook in het erg linkse bestuur van het Jeugd- en Muziekorkest gestapt, waar ik eerste fluitist was. Kruithof porde me aan: ‘Jullie weten toch veel over muziek, waarom hebben jullie die advocaten in dat bestuur nodig? Organiseer dat toch zelf?’ Hij had gelijk: als je met een orkest of met een grote dirigent werkt, moet je weten waar het over gaat. Een advocaat die alleen maar de regels van de ondernemingsraad kan verbeteren kan geen dialoog aangaan met een componist. We gooiden alle advocaten en notarissen uit het bestuur en kozen voor zelfbestuur.

Ooit kwam Kruithof naar een kamermuziekconcert van zijn zoon en mij. ‘Wat een rommel spelen jullie toch’, zei hij nadien. ‘Tweedeklasmuziek.’ Hij had gelijk. Hij wist veel over muziek, had een kamer vol platen. Op bepaalde zaken mag je geen compromissen sluiten, vond hij. Bij de Kruithofs was er altijd wel een discussie aan de gang. Toen we van de trein stapten na drie weken Italië stond hij ons op te wachten aan het station. ‘Wat vind je nu van Titiaan?’ vroeg hij meteen. ‘Vind je die beter dan Fra Angelico?’ Van hem moest je over alles een mening hebben. Aan tafel werd ruzie gemaakt over schilders, of waarom The Beatles geen grote kunst maakten – waar ik hem niet helemaal gelijk in gaf. Het was vormend, omdat je moest repliceren. Maar hij leerde me ook van mensen te houden. En dat je voor hun intrinsieke kwaliteiten moet gaan.

DOOR CATHÉRINE ONGENAE, FOTO’S YANN BERTRAND

‘Muziek is een recht voor alle kinderen. Wat nu op muziekscholen gebeurt, zou zijn plaats binnen de klas moeten krijgen.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content